Battles :: Botanique, 3 november 2015

We kregen op voorhand nog even telefoon: of we al iets te doen hadden.

– “Sorry, ik ga naar Battles in de Botanique.”

– “Wat voor muziek is dat?”

Ha, daar stonden we dan met onze betweterige mond vol tanden.

Vanaf je eerste plaat grensverleggend genoemd worden, dat schept verwachtingen. En daar hadden we ons al een keer aan laten vangen, toen we Battles voor het eerst live hoorden op het ter ziele gegane Domino-festival, vlak na de release van hun tweede plaat: veel gefrunnik met knopjes en effectpedaaltjes, maar ook een saaie live-ervaring. Eigenlijk was Battles toen op de dool: zanger Tyondai Braxton was het afgetrapt, en opeens werd de band uit New York weer een instrumentaal drietal. Op plaat werd dat opgelost met een aantal gaststemmen, maar live wrong dat danig.

Verwachtingen dus. Je kan wel proberen die opzij te zetten, maar na een motherfucker van een album als La Di Da Di zijn ze daar onvermijdelijk weer. Een plaat vol viriele postexperimentele rock voor het digitale tijdperk, waarop Battles besefte dat ze ook zonder zanglijnen stampen in uw cojones kunnen verkopen. Afin, wanneer bassist Dave Konopka het podium van de Botanique oploopt, voel je de spanning meteen borrelen. Het duurt even voor alles op gang komt – de techniek staat nog niet goed afgesteld – maar zodra John Stanier op zijn vellen mept, hoor je een brandpunt ontstaan tussen alle bliepjes en loops, en ontspint zich een zinderend “Dot Com”: zoveel vonken dat we even vreesden voor ontploffingsgevaar.

Bijna lijkt het alsnog fout te gaan: publiekslieveling “Ice Cream” gaat voor de bijl, met Matias Aguayos stem die op een bandje meeloopt maar gruwelijk slecht in de mix geschoven is. De vocal track gaat de hele tijd kopje-onder in het gitaar- en drumgeweld op het podium, waardoor je vooral nieuwsgierig wordt hoe dat nummer in een volledig instrumentale versie zou klinken.

Veel tijd om te kniezen kreeg je evenwel niet, want daarna was de speeltijd gedaan. Alles wat ook maar naar een genre neigde, werd genadeloos aan diggelen geslaan – met dank aan John Stanier, wiens drumelementen nadrukkelijk vooraan op de bühne opgesteld stonden. Het zijn die harde snare-slagen van ‘m die telkens weer de ruggengraat van de nummers vastleggen, en het is op zijn tempo dat de band “FF Bada” omhoog stuwt naar een balorige, nietsontziende kruistocht – denk Walter White die steeds minder obstakels voor zich duldt. Nog minder subtiel: de op ramkoers liggende White-Stripes-garage-rock van “Tricentennial”, met gitarist-toetsenist Ian Williams als shredder van dienst. Mocht The Doof Warrior uit Mad Max nog op zoek zijn naar een nieuwe oorlogshymne: hierzo.

Wanneer de band dan toch even tijd maakt om een praatje te slaan, is het ook raak. “So this is the French club, and the other’s the Flemish one?” draait Konopka de vinger in een oude wonde. Daarna mag het weer wat luchtiger: Summer Simmer is nog steeds mathrock op het scherpst van de snee (er loopt letterlijk zweet uit de elleboog van Staniers hemd), maar drijft ook op lichtvoetige fingerpicking en high-pitched keys. De ideale aanloop voor wat volgt: na een minuutje gemasturbeer met digitale effecten is daar opeens die onmiskenbare drum van grote hit “Atlas” als een dubbel shot adrenaline recht in de hartspier. De zanglijn op band staat deze keer bovendien wel goed ingeschoven. Resultaat: zeven minuten naar adem happen.

“The Yabba” – van de bezwerendste krautrock die we vanavond hoorden – bevestigde nog even wat iedereen al lang besefte: Battles stijgt live moeiteloos boven zijn al voortreffelijke platen uit. “Mirrored” zal dan wel voor eeuwig de plaat zijn die hun reputatie maakte, maar ook acht jaar later raast Battles onverminderd voort. Voor wie zijn neus in de richting van het muzikale avontuur heeft staan: koesteren, deze band.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in