Sufjan Stevens :: 10 september 2015, Bozar

’Are you one of them?’, fluisterde Sufjan Stevens gisteravond in een falsetto die het geraamte van de Bozar nooit meer helemaal zou verlaten. De zin komt uit “John Wayne Gacy, Jr.” en richt zich tot de 33 jongens en mannen die in Illinois werden verkracht en vermoord door eerdergenoemde psychopaat. Hadden de woorden in Brussel een bereik van enkele kilometers, dan hadden ze zich genesteld onder de tentzeilen van honderden net-niet-drenkelingen.

Maar eerlijk: we wilden Sufjan dicht bij ons houden. We wilden hem horen herinneren hoe hij leerde zwemmen tijdens de drie jeugdzomers die hij bij zijn moeder Carrie en zijn stiefvader Lowell doorbracht in Eugene, Oregon. En hij moest de littekens tonen van die keer dat Carrie — depressief, schizofreen, alcoholverslaafd en bipolair — Sufjan achterliet (‘When I was three/ Three maybe four / She left us at that video store’). Waarom? Omdat hij volgelopen hartkamers als geen ander weet in te richten met poëzie, intimiteit en authenticiteit.

Dat deed hij gisteravond in een intense, twee uur durende set, waarvan de eerste helft nagenoeg volledig was gewijd aan het nieuwe Carrie & Lowell. Stevens’ zevende volwaardige plaat telt elf fragiele, semi-autobiografische nummers over zijn moeder Carrie, die hem achterliet toen hij een jaar oud was. Sufjan zag haar daarna nog drie zomers lang, tussen zijn vijfde en achtste levensjaren. In 2012 verliet ze hem definitief, toen ze aan maagkanker bezweek. Om aan die leegte ruimte te geven, ging Stevens op de plaat heel spaarzaam om met instrumenten –- iets wat hij ook deed op Seven Swans in 2004, maar dan weer níét op het elektro-poppy The Age of Adz. En gisteravond? Een vierkoppige band, die continu laveerde tussen banjo, ukelele, mandoline, akoestische en elektrische gitaren, keyboards, een drumstel, fluit, steel pedal-gitaar en hier en daar nog een onbestemd object waar ook schone dingen mee werden gedaan.

”Drawn to the Blood” was een van die eerste schone dingen. We kregen een iets vertraagde versie, waarin Stevens’ licht vervormde stem in ijle echo’s onze cool in een dekentje wikkelde. Americana-zangeres Dawn Landes en drummer James McAllister gaven het nummer (op plaat niets meer dan een stem en enkele gitaarakkoorden) een nieuw leven. Ergens klonk een geïsoleerd orgelgeluid, en elders ontsproot een enkel zoeklicht. Nog voor u en wij adem konden vinden, wenste Stevens de wereld alweer weg met “Eugene”, zijn prachtige koortsdroompje over die drie zondoorstoofde zomers bij Carrie en Lowell. De band verdween, en een enkele spotlight kalibreerde Stevens’ spookachtige fluistertonen. Achter hem een visual met oude, verkapte familiefilmpjes. ’t Was dik overuren draaien voor kippenvelleveranciers.

Ook Stevens zelf –- zwarte broek plus Zeeland East Football-t-shirt, beiden even doorgewinterd als onze mottenballenoutfit — zat in een zone. Hij stond daar, niet alleen maar alleen, te slaan en te zalven met bloedneusdirecte mokerwoorden en zachte zinnen. Ook de melodieën schipperden tussen rauw en feestelijk. Die extremen kwamen voor het eerst helemaal samen tijdens “Fourth of July”, het emotionele hart van Carrie & Lowell. De dood, die al een klein uur lang achter in de coulissen stond, kreeg dan eindelijk zijn shout-out. Maar drum, keyboard en een busseltje zwiepende elektronische klanken verhieven de snik die ‘We’re all gonna die’ had kunnen zijn tot een YOLOOOO! waar alle Miley Cyrussen van de wereld een puntje aan kunnen zuigen. Zo ook voor de geweldig apocalyptische renditie van “Blue Bucket of Gold”: dit was de Sufjan die ‘Fuck me I’m falling apart’ (Carrie & Lowell) lispelt én de Sufjan die ‘I’m not fucking around!’ (Age of Adz) joelt.

Had Stevens het daarbij gelaten, dan waren wij allang content. Maar hij had nog een reeks appendixen te hangen aan zijn bloemlezing. Verhalen uit andere verledens, die hij wist op te bouwen tot geweldige climaxen. Andere artiesten zouden hun aandeel in Tidal afstaan voor één Sufjan-catharsis op het podium –- Stevens zelf had er over de hele avond een stuk of wat. Al zijn tegenwerkende aliassen spanden samen op het caleidoscopische “Vesuvius”, maar lieten zich probleemloos wegcijferen voor “To Be Alone With You” (het zeventiende nummer, bent-u-nog-even-mee). En moeten we het nog hebben over “Futile Devices” of “Chicago”? Uw twéé staande ovaties, het lichte gesnik dat we van u hoorden en de hoeveelheid scherven die u na afloop voor elkaar begon op te rapen, zeiden meer dan genoeg.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in