Alexander Hawkins Trio :: Alexander Hawkins Trio

Je kan pianist Hawkins met al die uiteenlopende projecten, bezettingen en uitlaatkleppen misschien verwijten dat hij niet kan kiezen, maar je gaat ‘m niet kunnen beschuldigen van een gebrek aan eigen identiteit. Dat heeft ongetwijfeld voor een groot stuk te maken met het feit dat hij een autodidact is. Net als zoveel soortgenoten klinkt hij daardoor als een encyclopedie van zijn instrument, te ongedurig om zich lang te vereenzelvigen met een stijl of artiest in het bijzonder. Dat maakt van hem een enigmatische, soms wat verwarrende figuur, die bovendien sneller lijkt te denken dan zijn schaduw.

Hawkins maakt al langer furore bij een publiek dat vooral de experimentele regionen van de jazz opzoekt. Reeds vier albums bracht hij uit met het gelauwerde Convergence Quartet. Ook met Decoy – een trio met John Edwards en Steve Noble waarbinnen hij aan de slag is met Hammondorgel – liet hij zich al meermaals opvallen. En dan zijn er nog het eigen Ensemble, de samenwerkingen met Louis Moholo-Moholo in een resem uiteenlopende bezettingen, en kan hij een ander aspect van zijn melomanie botvieren in het orkest rond Ethio-koning Mulatu Astatke. En dat is lang niet alles. Kortom, die Hawkins lijkt zowat vrij van beperkingen, wat het dan ook extra intrigerend maakt dat hij zo lang wachtte om eens op de proppen te komen met het ultieme pianoformaat: het trio.

Ook daar springt hij bewust mee om, wil hij vermijden om een afkooksel te worden van wat voor velen het summum is (het Bill Evans Trio), maar gaat hij ook niet klinken als Brad Mehldau of andere hedendaagse formaties die in de weer zijn met popmutilaties of postmodern vingeroefenigen. Hawkins laat zich naar eigen zeggen zowel inspireren door traditionele pianolegendes als Art Tatum en Hampton Hawes als de meer experimentele, van Andrew Hill tot – onvermijdelijk – Cecil Taylor. Het boeiende daaran is dat hij er ook heel vaak in slaagt om het ene uiteinde binnen te smokkelen bij het andere. En daarvoor heeft hij hier een uitmuntende ritmesectie aan boord gehesen: drummer Tom Skinner (zie ook Sons Of Kemet) kent Hawkins van bij Astatke, terwijl bassist Neil Charles een al even gedreven persoonlijkheid is.

Met opener “Sweet Duke” wordt de lat meteen hoog gelegd. Skinner geeft de aanzet met een kleurrijke, ritmische solo en vervolgens zijn de drie vertrokken voor een kwieke rit die herhaaldelijk refereert aan Ellingtons wereld, inclusief knipoog naar “Caravan”, en dan meerbepaald die van diens Money Jungle met grootheden Max Roach en Charles Mingus. Maar deze drie spelen het spel net iets vrijer en klinken modern zonder die pittige, onderhuidse swing kwijt te spelen. Dat de ritmesectie heel erg blijft inspelen op een potige ritmiek is trouwens een constante doorheen het album. Dit is geen trio van impressionistische klankenschilders die voortdurend in de weer zijn met extended techniques of microscopische detailzucht, maar een hechte formatie die op tijd en stond de teugels laat vieren, maar nooit te veel gaat zweven en altijd weer op z’n ongedurige pootjes terechtkomt.

Met het knoestige “Song Singular” wordt verwezen naar Hawkins’ gelijknamige soloplaat, terwijl het nog eens overklast wordt door het broeierig bonkende “One Tree Found”, dat lang blijft hangen in een laag en donker register, qua feel heel wat gemeen heeft met Monk en voor Hawkins een gelegenheid biedt om zijn uitbundige, steeds in beweging blijvende stijl uit de doeken te doen: er wordt aangesloten bij de traditie, hij klinkt bij momenten free, maar je hoort net zo goed een fascinatie voor klassieke invloeden doorsijpelen. Zeker in “Perhaps 5 of 6 Different Colors”, waar de intuïtie centraal komt te staan en de ideeën klaterend eruit gegulpt komen.

De Monk-sfeer komt ook terug in het statige, aan AACM-lid Maurice McIntyre opgedragen “Ahra”, terwijl het einde van het album subtiel invloeden uit de meer exotische regionen laat doorsijpelen. “Baobabs (Sgra)” kent een woelig wentelende ritmiek die een aardse dans uitvoert, terwijl afsluiter “Blue Notes For A Blue Note (Joy To You)”, een stuk dat opgedragen werd aan Moholo-Moholo, net als de samenwerking met die drummer duidelijk de sporen draagt van een liefde voor het klassieke trioformaat en de songtraditie. Een compositie die op gang komt met een fragiele lyriek, gaandeweg aan de kook gebracht wordt door een kletterende ritmesectie en uiteindelijk ook dansend afgerond wordt door Skinner, waarmee de cirkel rond is.

En zo wordt duidelijk dat die eigenzinnige stijl van Hawkins nog sterker tot uiting komt binnen deze context. Het is een muzikant voor wie traditie en experiment bewegen in één groot continuüm. Vloeiende ideeën, duizelingwekkende techniek, hortende en stotende ritmiek, maar ook momenten van klaarheid, van introspectie en soberheid, gaan voortdurend hand in hand, spelen haasje-over, bouwen op die spanning tussen structuur en vrijheid, compositie en improvisatie. Het resultaat is muziek die houvast biedt, maar ook alles op lemen voeten zet; die een beetje jent, maar ook iets in de aanbieding heeft bovenop wat geinig epateren. Kortom: uitdagende, prikkelende klasse van een kerel die nog iets gaat betekenen, maar eigenlijk nu al bezig is aan een ongemeen boeiend parcours. Niet te missen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in