Julian Barnes :: In ogenschouw. Essays over kunst

Hoewel hij zich inmiddels dag in dag uit toelegt op literatuur, is ook de beeldende kunst een constante in Julian Barnes’ leven. Barnes, die in 2011 de Man Booker Prize in ontvangst mocht nemen voor de aandoenlijke broosheid van Alsof het voorbij is, getuigt van zijn liefde voor het palet van de schilder in In ogenschouw (Keeping an eye open). In kleurrijke essays neemt Barnes geliefde schilders onder de loep. In ogenschouw werd niet alleen een ode aan datgene dat musea soms nogal patserig tentoon stellen, maar ook een lofzang op het kijken zelf.

In een recent interview stak Bernard Dewulf niet onder stoelen of banken dat hij een diep respect heeft voor de ambachtelijke klasse van Barnes’ kortverhalen en romans. Inderdaad heeft de bijna zeventig jaar oude Brit, een literaire laatbloeier trouwens, op ongeveer vijfendertig jaar tijd een indrukwekkend oeuvre bij elkaar geschreven. Stilistisch divers, thematisch breed uitwaaierend: tussen de absurde verkenning van een kunstenaarsbiografie in Flauberts papegaai en de melancholische mijmeringen over leven, dood en schoonheid die samen Hoogteverschillen vormen, ligt een landschap van proza dat niet onder een bepaalde noemer kan gevangen worden. Barnes heeft zich ondertussen ook geëngageerd voor politiek in essayreeksen, heeft het kortverhaal verkend als op zichzelf staand medium en als onderdeel van een grotere raamvertelling én hij analyseerde geliefkoosd werk van collega’s in Uit het raam. Als zijn verwondering en passie voor andere auteurs in dat boek hier en daar bedolven raakte onder technische analyses, dan is In ogenschouw een meer laagdrempelige liefdesverklaring aan het adres van beeldende kunst. Wat hem erin lijkt aan te trekken, is niet de zoektocht naar een bepaalde waarheid, maar de veelheid aan waarheden die in de verf op het doek besloten liggen. Misschien heeft Barnes in een aantal van zijn romans hetzelfde voor ogen gehad: geen universeel geldende ethische complexiteit aanraken, maar een psychologische portrettering nastreven waarin iedereen kernen van waarheid herkent, en waarin de verbeeldingskracht van de lezer een belangrijke rol blijft spelen. Barnes’ proza is anders gezegd zeker geen voorgekauwd spektakel voor het brede publiek. Dat hij met de zachte lyriek die eigen is aan zijn stijl en door de zalvende zoektocht naar authentieke gevoelsmatigheid veel mensen aanspreekt, betekent niet dat zijn boeken eenduidig behapbaar zijn. De ontroering die ze opwekken is zuiver, het pad richting die ontroering echter niet zonder intrigerende, mysterieuze sluipwegen.

Bijna vanzelfsprekend dringt een vergelijking tussen Dewulfs recent verschenen essaybundel Toewijdingen en Barnes’ In ogenschouw zich op. Beide boeken werden door Uitgeverij Atlas-Contact prachtig uitgegeven: bij Dewulf met prints op glanzend papier, in geval van Barnes met kunst discreet geïntegreerd in de zachte druk van de teksten. Duidelijk is dat Barnes bovenal een schrijver is, iemand die voortdurend teruggrijpt naar de wereld van het geschreven woord. Hij maakt de kunst niet alleen literair door er in literaire bewoordingen over te schrijven, maar ook door te refereren naar de lectuur die er reeds over bestaat. Alsof hij van de toeschouwer een lezer maakt, iemand die vanuit de blik tot de verbale gedachte komt, en op die manier tot begrip. Dewulfs reflecties over kunst zijn in verhouding veel zintuiglijker, of anders gezegd: ze blijven dichter bij het kijken staan. Ook hij maakt de ervaring van het zien uiteraard talig, maar de taal blijft smeulen, blijft glimmen, blijft janken. Bij Barnes is ze voorzichtiger, meer op zichzelf gericht. En de insteek van zijn essays is dikwijls ook wat meer op de biografie geënt. Het oordeel dat uit deze vergelijking moet voortvloeien is niet dat de ene titel de andere overklast, maar wel dat beide auteurs een eigen stem hebben wanneer het om het verbaliseren van hun indrukken gaat. Toewijdingen en In ogenschouw verdienen in feite een plaats van broederlijke verbondenheid ergens op de hoogste plank van de boekenkast. Want inderdaad, ook wat Barnes presteert, is goud waard. Hoewel niet altijd perfect gestroomlijnd, is het intrigerend het discours van zijn gedachtegang te volgen. De manier waarop hij zijn ogen over een doek laat glijden, zijn fascinatie voor vergeten frasen van schrijvers en schilders, de souplesse waarmee hij uit een klein detail een groter thema haalt, en vooral: de verwondering, de vreugde en de troost die Barnes via zijn kijken bereikt. Hij noteert het op een heel persoonlijke manier, maar wel zodanig dat de lezer zich in zijn niet-reproduceerbare ervaringen kan herkennen. In ogenschouw is dus niet alleen biografisch-anekdotisch interessant, het is ook een wandeling door het museum van Barnes’ voorkeuren, en een ontdekkingsreis in het hoofd van een begenadigd ziener. Essays over kunst, of nog: de kunst van het essay, in ogenschouw genomen.

Copyright foto: Alan Edwards

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in