Waxahatchee :: Ivy Tripp

Waxahatchee ontpopt zich steeds nadrukkelijker tot een essentiële band.

U weet het of u weet het niet, maar enola draait volledig op vrijwilligers – een bende cultuursnobs die zo graag met hun mening te koop lopen dat ze er in hun vrije tijd gratis en voor niks een website mee zijn gaan vullen. Zot zijn doet geen zeer. Afin, zo gebeurt het af en toe dat een gepland artikel uiteindelijk nooit gepubliceerd raakt. Want wat voor zin heeft het om over een plaat te schrijven nadat een halve aardkloot aan muziekcritici ze al besproken heeft?

Ik had nu graag nog een vlijmscherp antwoord op die vraag gegeven, maar dat zal voor een andere keer zijn. Laten we het erop houden dat Ivy Tripp het soort plaat is waarover ik niet kan zwijgen, en Katie Crutchfield het soort artiest waar ik geen genoeg van krijg. Dat laatste was al het geval na haar twee vorige albums met Waxahatchee: de vergeten indieparel American Weekend en doorbraakplaat Cerulean Salt. Twee langspelers waarop frontvrouw Crutchfield nu eens het geluid van Cat Power en Angel Olsen aanboort en haar zielenroerselen op tafel gooit – en dan weer uitstapjes naar fuzzy, punky poprock maakt.

Ivy Tripp is gegist uit hetzelfde brouwsel, maar heeft een aantal accenten verlegd.
Opener “Breathless” – gitaren die de lucht doen trillen met daarover haar zalvende, warme stembanden – doet de plaat van meet af aan baldadig en viriel klinken, ook al blijft het venijn voorlopig op zak. Het is de aanzet voor een handvol songs waarin als vanouds een aantal venten uit haar leven centraal staan, maar waarin ze een heel stuk zelfzekerder uit de hoek komt dan vroeger. “Maybe I let on that I was interested / in your brand of lonely?” Die zit.

Zo rad van tong als ze in het eerste stel nummers klinkt, zo minzaam gaat ze daarna verder – en dat resulteert snel in “La Loose”, de eerste echte hartenbreker op Ivy Tripp. Dit is de Waxahatchee die je laat op de avond omknelt en niet meer loslaat; een song vol ongefilterde, eerlijke liefde en verlangen, een song die wonden slaat en meteen zwachtels legt. Van hier af aan kan het al niet meer stuk voor me, en we zitten amper vier songs ver.

Wat nog volgt, is op een schamele uitzondering na uit hetzelfde kwaliteitshout gesneden. Er is de magniefieke ode aan Joni Mitchell, “Blue”, die tekstueel van het allerbeste is dat Waxahatchee al heeft opgenomen. “Grey Hair” en “Summer Of Love” grijpen terug naar de intimiteit en de snapshots van American Weekend, en in “Air” beuken de gitaren en drums stevig op de hartspier.

Nog een tip: Ivy Tripp is een plaat waarvoor je tijd moet maken – liefst in het duister wanneer je na middernacht nog met een halve fles wijn in de woonkamer de nacht zit te negeren. Zeg dat ik het gezegd heb.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in