Paal Nilssen-Love Large Unit :: 3 mei 2015, OORSTOF @ Zuiderpershuis

Een natte droom voor zowat elke liefhebber van het krachtige improwerk. Nu Brötzmann en Vandermark zich meer lijken toe te leggen op het kleinschalige ensemblewerk, hebben Nilssen-Love en Zweedse collega Mats Gustafsson de fakkel overgenomen. Doorgaans met resultaten die wat dichter aansluiten bij de rocktraditie, maar ook met een impact die er niet om liegt. Het dak van het Zuiderpershuis vloog er in de finale ei zo na af.

En wat belangrijker is: het benadrukt ook wel de rol die Nilssen-Love de voorbije vijftien jaar ingenomen heeft. De Noorse wervelwind is vermaard omwille van z’n tomeloze energie, eindeloze concertreeksen en natuurlijk ook die dierlijke intensiteit. Of hij nu speelt op zacht niveau of er op los hamert (en ook nu weer kregen we het bewijs dat hij zowat alles en iedereen overstemt als hij compleet over de rooie gaat), Nilssen-Love is een dominante persoonlijkheid. Maar wel eentje die intussen, net zoals Vandermark dat ooit deed, de rol van facilitator opgenomen heeft, een centrale, sturende rol. Een mooi gevolg daarvan is dat luisteraars intussen een heel nieuwe generatie van Scandinavische improvisatoren aan het werk kunnen zien.

De elfkoppige Large Unit gaf met EP First Blow al een sterk tweedelig visitekaartje af, maar cd box Erta Ale, die terplekke sneller werd verkocht dan Tomorrowlandtickets, was kort daarna al meteen the mother lode: drie cd’s vol krachtig improwerk waarin duidelijk werd verder gebouwd op Vandermarks Territory Bands (o.m. door ook de aanwezigheid van een noise-muzikant, i.c. Lasse Marhaug), met ook een combinatie van hechte groepspassages die her en der onderbroken werd voor individueel stuntwerk. An en toe deed het ook wat denken aan de oude versie van het Brötzmann Tentet, toen er daar nog werd gewerkt met composities, maar dan met sterkere banden met de noise en rock-‘n-roll.

Voor de uitgebreide tournees van dit voorjaar en de zomer, treedt de Large Unit aan in licht gewijzigde vorm, met drie vervangers. Zo werd saxofonist Kasper Værnes vervangen door Julie Kjær, tubaspeler Børre Mølstad door Per-Åke Holmlander en noisegoeroe Lasse Marhaug door Tommi Keränen, waardoor je vertegenwoordigers uit Noorwegen, Zweden, Denemarken en Finland bij elkaar kreeg op een podium. En een band die in staat was tot een enorme dynamiek, want voor wie dicht tegen de band zat was het voortdurend van links naar rechts kijken, omdat het een onophoudelijk pingpongspel was tussen deelfracties, met nu en dan verschroeiend totaalgeweld.

Met Nilssen-Love uiterst links opgesteld en Andreas Wildhagen aan de andere kant, leek het wel alsof de drummers fungeerden als stuwende aanvoerders én scheidsrechters en het duurde niet lang voor al een eerste uitbarsting te verwerken viel. De band speelde twee sets, die hoofdzakelijk bestonden uit composities van Erta Ale. Maar net zoals een compositie soms niet meer is dan een aanzet tot een exploratie die alle kanten uit kan gaan (meteen ook de reden waarom sommige in meerdere versies op de box staan), zo was het ook nu de verbinding tussen passages, lagen en die compacte fracties. Er werd wel gewerkt met bladmuziek en signalen, maar elke avond gaat gegarandeerd andere resultaten opleveren.

Elke drummer had immers een bassist naast zich en een paar blazers in de buurt, waardoor het vaak ging om groepjes van 3-4 personen die tegen elkaar uitgespeeld werden, nu en dan met het geknetter van Keränen of het geprikkel en gegier van gitarist Kjetil Gutvik als stoorzenders. En ondanks die imposante collectieve decibelniveaus vielen er ook behoorlijk wat knappe solomomenten te rapen. Zo waren een paar stukken waarin Klaus Ellerhusen Holm (sowieso een van de opvallendste solisten van de avond) en Julie Kjær in de weer waren met meer ingetogen ideeën of gefragmenteerde passages eigenlijk mooie ‘rustmomenten’, liet Holmlander knorrige klanken ontsnappen aan de tuba, werd “Fendika” op gang gebracht door een turbulente folkachtige bassolo van Christian Meaas Svendsen (iets later zou hij het instrument haast aan stukken vegen) en zorgde trombonist Mats Äleklint voor de mooiste en meest complete solo van de avond.

De eerste set klonk misschien wat meer ‘open’, liet wat meer abstractie en verkenning toe. Voor de tweede werd vaker op het gaspedaal geduwd. Was “Round About Nothing” al een uitbundig festijn dat de extremen bij elkaar bracht in één stuk, dan werd het vuurwerk bewaard tot het laatst, met sleutelnummer “Culius” en vlammende bis “Fortar Hardar”. Die eerste is al tijden het meest herkenbare stuk, eentje waarin het ‘links vs. rechts’-spel het duidelijkst wordt uitgevoerd, met passages die tegen elkaar uitgespeeld worden en in elkaar kunnen overlopen, waarbij orde en chaos de hele tijd van gedaante verwisselen. “Fortar Hardar” was dan het stuk waarbij de bom al helemaal kon ontploffen, het hele gezelschap van jetje gaf en Nilssen-Love niet geheel onverwacht een drumstok brak tijdens de finale.

Verrassend was het effect niet echt. Wie Erta Ale al in huis had, kreeg zo ongeveer wat te verwachten viel, maar de band live aan het werk zien, dat is natuurlijk nog iets anders. De volle sound en immense golfbewegingen waren dan ook een pak indrukwekkender, een storm van geluid die meeslepend was en bij momenten aankwam als een duchtig pak slaag. Zo’n twee uur van dat, je zou voor minder stijf gaan staan van de adrenaline. Het deed deugd om te zien dat het zaaltje er helemaal voor was volgelopen. De aanhouder wint.

Volgende concert in de Oorstof-reeks van Soundinmotion: Mette Rasmussen & Chris Corsano + Aram Shelton’s Tonal Masher, op 13 mei in DE Studio.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in