Johnny Dowd :: 10 april 2015, N9

Crazy Johnny Dowd. We zagen hem intussen bijna een dozijn keer, met en zonder band, in binnen- en buitenland, en geen twee concerten waren hetzelfde. Met het recent uitgebrachte, uitstekende That’s Your Wife On The Back Of My Horse op z’n kerfstok, was het ook nu weer uitkijken naar een dolgedraaide versie van wat we gemakshalve Americana blijven noemen. Prijs, zoals gewoonlijk.

Maar eerst Mark Lotterman, “Mark uit Rotterdam”, die Dowd in 2007 al wist te verleiden tot een bijdrage op zijn debuutalbum, en nu een greep speelde uit zijn oeuvre, met de nadruk op het recentste A Year Without Summer (2014). Wat meteen opvalt zijn ’s mans prima teksten. Die zijn soms een beetje zoet, maar net zo vaak behoorlijk spits, met een indringende eenvoud en een zelfrelativerende humor. Met z’n praatzang herinnert hij een beetje aan Rich Hopkins, terwijl de intonatie soms herinnert aan Loudon Wainwright en het gitaarspel aan het rudimentaire van Johnny Cash.

Lotterman begin redelijk ingetogen, legt z’n tweede song meteen stil door het gezoem van een gsm, en komt definitief op gang met z’n vurige derde. De songs worden afgewisseld met korte, gortdroge mededelingen. Zoals het feit dat hij de recent verschenen single “Crap” opnam met Jim White, en vervolgens een prachtversie van diens “A Perfect Day To Chase Tornadoes” speelt (“Speciaal voor de mensen die een hekel aan mijn liedjes hebben”). Ook een fijne: “Indie”, met steek naar een Vlaamse muziekblog die het nummer niet zo best vond. Lotterman heeft de dwarse attitude van een punk en haalt soms theatraal uit met een grove bariton, al is hij op z’n best in aandoenlijke songs als “Leaving For School”, een miniatuurfilmpje op muziek.

Johnny Dowd had deze keer niet drummer Brian Wilson en toetsenist Michael Stark meegebracht, met wie hij een paar jaar geleden nog een even straffe als ontregelde set speelde, maar schoonbroer/gitarist Mike Edmondson, die er ook al bij was op Dowd-klassieker Pictures From Life’s Other Side, maar ook heel even opduikt op het recentste album. Twee gitaren, twee versterkers en een hoop pedalen. Daar ging het mee gebeuren. En dat betekende ook: synthetische en soms ronduit platte beats van een drumcomputer die het heel even begaf (“I hate this fuckin’ thing”), maar ook zorgde voor een ranzige vibe die eigenlijk perfect paste bij de gemuteerde country- en blueskermis van Dowd.

Eerst de uitwaaierende gitaarfeedback van “That’s Your Wife On The Back On My Horse”, waarna het duo vertrokken was voor een partijtje zompige blues, met “Nasty Mouth” (net iets minder kitscherig dan de studioversie) en een eindeloos voortdenderend “Cadillac Hearse”, Dowd op z’n monotone best. Spul voor een onderaardse juke joint. Dat moddervette accent, het krakende stemgeluid, een reeks observaties die eruit gekwakt worden als provocerende raps en die gitaren intussen maar razen. Regelmatig laten Dowd (een onderschat muzikant) en Edmondson de snaren goed gieren, al valt ook op dat het duistere, perverse randje van de vroegere concerten intussen vervangen is door een wat gematigder aanpak. Heeft het flesje water dat naast hem staat daar iets mee te maken?

Toch is Dowd anno 2015 nog altijd de enige echte Dowd en mag je je verwachten aan een paar verrassingen (het voordragen gedicht “1953”), foute moppen en wat vuile knipogen. Maar de man beschikt ook bijna twee decennia na zijn start (hij werd toen al een oude vent genoemd) nog over een onweerstaanbare, jongensachtige charme die ervoor zorgt dat hij overal mee weggeraakt, inclusief gekermde “I want to get laid” in “Sunglasses” en ander bezopen gewauwel in “White Dolemite”. Let’s get funky, ja.

Even goed: een kort solo-intermezzo, met eerst dat gedicht en vervolgens een paar songs uit de begindagen, waar het grotendeels solo opgenomen That’s Your Wife On The Back Of My Horse duidelijk naar verwijst. “John Deere” en “Ballad Of Lonnie Wolf” horen nog altijd tot het beste van die vroege jaren, al hadden we er graag nog “Murder” of “Thanksgiving Day” bij gehad, maar kom, we klagen niet. Een kierwewiet “Words Are Birds” sloot dan weer perfect aan bij het oude bekende “My head cracked open / A bird flew in / All my sins coming home to roost” uit “Worried Mind”. Continuïteit is geen vies woord.

Dit was niet het beste concert dat we al van Johnny Dowd zagen, dat blijft voorbehouden aan een van de legendarische duivelsuitdrijvingen die hij aan het begin van de eeuw met band in de AB Club speelde, maar het was wel een opluchting om te zien dat de man nog steeds niet van ophouden weet. Al hadden we ook niet anders verwacht (of mogen verwachten). Dowd is intussen zo ver heen in zijn idiosyncratische wereld dat hij enkel zijn eigen referentiepunt geworden is. En daar valt zelden op af te dingen. Kortom: JOHNNY, JOHNNY! Tot binnen een jaar of twee, onmisbare zot.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in