Tom Rainey Obbligato :: 16 maart 2015, Gent Jazz Club

Hij is al druk in de weer sinds de jaren tachtig, maar drummer Tom Rainey lijkt nu hij stilaan naar de zestig gaat pas helemaal op dreef te komen. Het voorbije decennium verscheen hij op de ene cd na de andere, terwijl hij ook frequenter naar voor treedt als bandleider. Zo stond hij gisteren in Gent met zijn kwintet Obbligato, in vriendelijke deconstructiemodus.

Er was eigenlijk verrassend veel volk opgedaagd, zeker als je een aantal recente albums van Rainey nog eens voor de geest haalt. Diens actieterrein is immers vooral dat van de vrije improvisatie of avant-garde jazz, iets waar hij zich doorgaans aan te buiten gaat met collega’s uit het New Yorkse milieu. Een vaste partner is tenorsaxofoniste én echtgenote Ingrid Laubrock, met wie hij een bijzondere muzikale empathie ontwikkeld heeft, vooral in haar bands (Anti-House, Sleepthief, etc), maar recent ook die van hem. Zo speelde hij eerder met haar en gitariste Mary Halvorson in een nieuw Trio en was zij een voor de hand liggende keuze voor zijn kwintet Obbligato. Die bracht vorig jaar een eerste plaat uit bij het Zwitserse Intakt, een album dat nu zowat integraal aan bod kwam.

Opmerkelijk: geen vrije improvisaties of eigen composities te bespeuren op Obbligato, en evenmin werk van volk uit de NY-scene, maar een greep uit The Great American Songbook, met werk van Jerome Kern, Duke Ellington, Thelonious Monk en Dave Brubeck. Het album bevatte een tiental composities die zo tegen het licht gehouden werden. Soms met een verrassend klassiek geluid, aanleunend tegen flukse bop of zijdezachte balladekunst, maar natuurlijk ook met zijstapjes – hetzij impressionistische waas of via grillige interactie – waarbij het soms zoeken is om sporen van het origineel te vinden. De standard niet enkel ter imitatie, maar ook ter inspiratie. Het was een muzikaal terugschrijven in vele gedaantes.

Dat leverde soms lekker knetterende muziek op die je onomwonden ‘jazz’ kon noemen en waar zelfs de puristen amper aanstoot aan konden nemen. Rainey had zich dan ook omringd met volk dat zich zowel volledig kan laten gaan in vrije context als met uitgemeten composities (al kwam er geen bladmuziek aan te pas). Het klassieke ‘ze doen maar wat’-verwijt werd door deze kleppers alleszins ontkracht, want stuk voor stuk doken ze met zo’n verve in en uit de traditie, dat al snel duidelijk werd dat het concert een speeltuin geworden was, een manier om te zien hoe zo’n klassiekers (allemaal een stuk uitgebreider dan de albumversies) gerekt kunnen worden. Soms was dat met vieve stadsjazz – opener “Just In Time” of het gejaagde “Secret Love”, waarin een prachtige pianotriopassage verstopt zat -, maar net zo vaak met meer omwegen of vrijere intro’s.

Daarvoor ben je met een drummer als Rainey ook aan het goede adres. De man is enorm veelzijdig, beheerst de vrije textuurverkenningen als geen ander, maar slaagt er ook in om exotische en zwierige ritmes te creëren, en daar vervolgens op te variëren met een imposante souplesse. Zo sloeg de band onder zijn leiding meteen aan het dansen in “Long Ago And Far Away”, nam hij duidelijk de leiding met sturende en corrigerende accenten en bewaarde hij een moeiteloos evenwicht van instinct en lichtvoetige swing. De muzikale vormen en structuren bleven constant in beweging, waardoor het ene stuk vrij klassiek uitgevoerd werd, zoals Ellingtons “Prelude To A Kiss”, maar een ander op hol sloeg (“What Is This Thing Called Love?”) of extra verkenning ingelast kreeg.

Zoals wel vaker gebeurt in bezettingen met twee of meer blazers, moest de piano het herhaaldelijk ontgelden in het groepsgeluid. Jammer, want Davis liet hier een stijl horen die je binnen haar eigen werk, dat steeds vastberadener een samenvloeien van avant-garde jazz en verwante genres opzoekt, niet zo vaak voorkomt, met soms erg delicaat en sober spel. Dat was dan weer in het voordeel van de expressieve Laubrock, die er soms naar hartenlust op los kon sputteren, maar ook een paar keer zorgde voor prachtige ballademomenten met een onder de vlakte gloeiende intensiteit waar flarden Sonny Rollins door leken te spoken. Alessi, gezegend met een stugge presence, maar ook een straffe techniek, was de ideale sparringpartner voor spontaan vlechtwerk.

Twee kloeke sets van meer dan een uur was misschien wat veel van het goede (het album was er al grotendeels doorgejaagd in die eerste), maar wat zou je toch beginnen klagen als je een concert gepresenteerd krijgt dat elegantie, swing én vrijheid in de aanbieding had? En die indrukwekkende versie van Sam Rivers’ “Beatrice” deed haast de originele versie (met zwaargewichten Jaki Byard, Ron Carter en Tony Williams!) vergeten. Dat zegt genoeg. Een topconcert waar liefhebbers uit beide zijden van het spectrum hun gading in vonden. Zo houd je de traditie dus ook nog relevant in 2015.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in