Into the Woods

Het trauma van Les Misérables was nog maar net een beetje verwerkt, de psycholoog nog maar net afbetaald, of daar rolt de volgende grote Hollywoodmusical alweer de zalen in. Into the Woods, gebaseerd op de Broadwayproductie van Stephen Sondheim (Sweeney Todd), werd geregisseerd door Rob Marshall, de man die zijn carrière begon met het draaglijke Chicago, maar daarna razendsnel bergaf holde met het melige en raciaal ietwat twijfelachtige Memoirs of a Geisha, de irritante musical Nine en daarna met de vierde Pirates of the Caribbean-film, waarvan het ons nog altijd een raadsel is waarom ze die uitgerekend aan hem gaven. En waarom ze die tout court gemaakt hebben, maar dat terzijde. Into the Woods betekent een terugkeer naar het lamentabele niveau van Nine: een sprookjesmusical zonder fantasie, verwondering of spitsvondigheid.

Het verhaal is een samenraapsel van elementen uit verschillende klassieke sprookjes: James Corden en Emily Blunt spelen een bakker en zijn vrouw, die verlangen naar een kind maar er maar geen verwekt krijgen. Op een dag komen ze te weten dat ze eigenlijk vervloekt zijn door een heks (Meryl Streep in “allemaal uit de weg, ik sta hier te acteren!”-modus). Waarom die vloek bestaat is een lang en volstrekt irrelevant verhaal, maar het komt erop neer dat de bakker en zijn vrouw een witte koe, een gouden schoentje, een rode mantel en enkele lokken zuiver blond haar moeten zoeken en aan de heks geven, waarna zij er voor zal zorgen dat het koppel toch een kind kan krijgen. De twee trekken het bos in (want daar vind je die dingen blijkbaar makkelijker dan in het nabije dorp… veronderstel ik) en daar ontmoeten ze dan Jack (die van de bonenstaak, gespeeld door Daniel Huttlestone), Assepoester (Anna Kendrick), Roodkapje (Lilla Crawford, of, parallel met hoe ze zingt, Lilla CrAAAAWford) en Rapunzel (Mackenzie Mauzy).

Er is heel wat inkt gevloeid over hoe de originele musical blijkbaar een scherpe, ironische blik bood op de bekende sprookjes, en hoe producerende studio Disney voor de verfilming die scherpe randjes zorgvuldig zou hebben bijgevijld. Het is zeer goed mogelijk dat dit klopt. Met de uitzondering van het (zeer korte) optreden van Johnny Depp als flagrant pedofiele wolf die Roodkapje toespint: “Hello, little girrrrl” terwijl hij suggestief zijn snorharen laat bewegen, valt er in ieder geval maar weinig in de film te vinden dat je als “gewaagd” zou kunnen bestempelen. Maar een gebrek aan lef is niet het grootste probleem.

Het grootste probleem is simpelweg dat Rob Marshall (of ligt de schuld bij Stephen Sondheim?) hier aan barslechte storytelling doet. Hij slaat sleutelscènes consequent over om dan achteraf personages er over te laten zingen. Zo klimt Jack langs zijn bonenstaak naar het land van de reuzen, waar hij zich dan snel uit de voeten moet maken nadat hij één van hen doodt. Maar dat zien we allemaal niet. Jack klimt achteraf in een boom in het bos en zingt er een liedje over.

Het beruchte bal van Assepoester wordt in deze versie van de feiten een drie dagen durend festival, waar zij elke avond opnieuw met de prins danst, om zich dan voor middernacht uit de voeten te maken. Maar niet één keer zien we dat bal, niet één keer zien we die twee dansen (wat ook meteen vermijdt dat Marshall een awkward conversatie moet inlassen, waarin de prins langs zijn neus weg vraagt: “Dus euh… waar zat jij gisteren opeens?”). Nope, we gaan meteen naar het moment waarop Assepoester buiten loopt, het bos in en dan een liedje zingt over wat er die avond is gebeurd.

Oké, ik snap het, het is een musical dus mensen moeten zingen – maar in andere musicals slagen ze er doorgaans toch in om te zingen terwijl ze iets doen, niet over hetgeen ze net hebben gedaan, maar dat wij niet hebben gezien.

De zaken worden narratief pas echt problematisch wanneer na 75 minuten de plot tot een perfect einde komt, enkel om simpelweg plot nummer twee te introduceren en opnieuw aan de gang te gaan voor 50 minuten. Zonder overdrijven: Into the Woods bestaat uit twee middellange films die plompverloren achter elkaar werden geplakt, om één 125 minuten durende martelgang te vormen.

Wat voor ironie of scherpzinnigheid er dan ook schuilgaat in de teksten van Sondheim, wordt door Marshall vakkundig de nek omgewrongen met een regie waar niet de minste fantasie uit spreekt. Het bos van Into the Woods heeft geen greintje mysterie – de personages lijken twee uur lang gewoon tussen dezelfde drie Eftelingbomen te staan – en ook het ontwerp van de kostuums is ongeïnspireerd, braaf, vlak, gemakkelijk; bijna alsof de ontwerpers gewoon het eerste waar ze aan dachten op papier hebben gezet en Marshall ogenblikkelijk heeft geknikt en gezegd: “Oké, maak dat maar.” Vergelijk dit met wat Tim Burton visueel nog wist te halen uit Sweeney Todd (nochtans ook niet zijn beste film) en noteer de verschillen.

Stephen Sondheim heeft met zijn specifieke muzikale stijl zowel onvoorwaardelijke fans als gepassioneerde haters. Hij gaat niet voor de makkelijk na te fluiten deuntjes, maar zozekt eerder melodieën op die in elkaar overvloeien en uiteindelijk naar zichzelf terugkeren. Meezingen zal je niet snel doen. Het openingsnummer Into the Woods is oké en ook Agony is best wel geinig – vooral ook omdat dit de enige scène is waarin Marshall zowaar de juiste ironische toon beet heeft. Maar de muziek maakt het je ook bewust moeilijk om in de melodieën weg te zinken, wat na een tijdje behoorlijk irritant wordt. Zeker wanneer Meryl Streep haar overacterende keel openzet.

Streep is trouwens echt iets om te bezien: ze lijkt op haar eentje in een heel andere film mee te spelen dan alle andere acteurs. Als Jim Carrey een vrouw van rond de 60 zou zijn, dan zou hij Meryl Streep zijn in deze film. Ze is ofwel briljant, ofwel afgrijselijk en geen mens zal er ooit een definitief antwoord op kunnen geven. She just is. De rest van de cast steekt er schraal bij af; met name de jonge Daniel Huttlestone, de jongen die zijn spraakgebrek ook al liet horen als Gavroche in Les Misérables (in zijn dialect: Gavwoche fwom Lay Mizzeraab). Daar hadden ze tenminste nog het goed fatsoen om hem na twee liedjes af te schieten.

Dus nee, Into the Woods is geen return to form voor Rob Marshall. Het is een pijnlijk excuus voor cinema, te mijden als een oorontsteking. Niet zo erg als Les Misérables, nee, dat niet. Maar daarmee is dan ook niet veel gezegd.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in