The Imitation Game

Er zijn geen zekerheden meer in het leven: het eens quasi-onaantastbaar beschouwde genre van de biopic is immers in gevaar. Gandhi, Amadeus, Schindler’s List: oké, echt vernieuwende cinema was het misschien allemaal niet, maar het waren ontegensprekelijk oerdegelijke films, die telkens opnieuw een air van respectabiliteit uitstraalden en vaker wel dan niet goed waren voor een setje Oscars. Een regisseur die serieus genomen wil worden, die zoekt zich een waardig leven om na te vertellen en begint te draaien – dàt idee.

Maar de laatste jaren is er iets vreemds aan de gang: de ene biopic na de andere wordt door de critici (meestal terecht) met de grond gelijk gemaakt en flopt aan de kassa’s. The Fifth Estate, Hitchcock, Diana, jOBS, Grace of Monaco en zo kan je nog wel een tijdje doorgaan: de succesformule lijkt opgebruikt te zijn. The Imitation Game, over wiskundige Alan Turing, en The Theory of Everything, over kosmoloog Stephen Hawking, zijn de twee films die het genre uit het slop moeten halen; ze werden allebei zorgvuldig gepositioneerd voor de Oscarrace en ze beantwoorden allebei aan alle traditionele clichés van de biopic (oorlogen! ziektes! tragische liefdes! en veel van alles!). De vraag is nu of ze het genre ook effectief zullen kunnen rehabiliteren. The Imitation Game is (bij ons dan toch) eerst aan beurt.

Benedict Cumberbatch speelt Alan Turing, een geniaal, zij het licht autistisch rekenwonder, die anno 1939 voor de Britse inlichtingendienst gaat werken om Enigma te kraken: de Duitse codeermachine waarmee elke boodschap van het vijandige leger wordt gescrambled. Turing ontwikkelde uiteindelijk een machine die op nog geen half uur elke dag de nieuwe Enigmasettings kon decoderen – baanbrekend werk dat naar schatting de oorlog met twee jaar heeft ingekort, en een belangrijke stap in de richting van de moderne computer betekende. Niet dat hij er zelf veel beter van werd: na de oorlog werd zijn werk geklasseerd als top secret. Begin jaren vijftig werd hij opgepakt als homoseksueel – wat illegaal was in Groot-Brittannië toen – en gedwongen tot chemische castratie. Hij stierf, anoniem, in 1954, wellicht door zelfmoord (hoewel er ook behoorlijk wat complottheorieën rondzweven die het op moord houden).

Regisseur van dienst is Morten Tyldum, die enkele jaren geleden in Noorwegen de thriller Headhunters maakte – een film die zijn gebrek aan een echte identiteit goedmaakte door er continu stevig de pas in te houden en oprecht spannende set pieces te realiseren. Voor zijn Engelstalige debuut wordt Tyldum echter keurig in het Hollywoodgareel getrokken en is de ballsy, strakke stijl van Headhunters grotendeels vervangen door weinig gepassioneerd professionalisme (overigens niet het eerste voorbeeld van een Europese of Aziatische regisseur die naar Hollywood wordt gesleurd om dan zijn eigenheid af te moeten geven aan de poorten van filmstudio). De camera glijdt keurig door de sets, maar veel inspiratie spreekt er niet uit. De muziek van de onontkoombare Alexandre Desplat tinkelt en tonkelt exact zoals we dat in dit soort film verwachten, en signaleert ons twee uur lang wat we moeten voelen bij elke scène. En wanneer Tyldum wat historische context wil scheppen, last hij voor het gemak wat archiefbeelden in, met een voice over van Benedict Cumberbatch die ons er aan herinnert dat de nazi’s de slechteriken waren en dat ze echt wel héél veel communiceerden via die Enigma-machine. Voor de duidelijkheid.

Op zich is daar niets verkeerd mee – het is een perfect legitieme manier om dit verhaal te vertellen. Er is alleen ook niets aan dat specifiek goéd zit. The Imitation Game is degelijk, maar hij straalt geen passie of inspiratie uit. Het is by the numbers filmmaking van een regisseur die meer kan dan dat. Headhunters was niet het soort film dat ooit Oscars ging winnen, maar het was wel met meer goesting gemaakt dan dit.

Het scenario heeft min of meer last van hetzelfde syndroom: keurig, capabel, respectabel en vooral ook een beetje saai. Graham Moore bewerkte het biografische boek van Andrew Hodges en probeert wat suspense het verhaal in te smokkelen door er een verzonnen confrontatie met een Russische spion bij te sleuren, maar écht spannend wordt het nooit. Waargebeurde verhalen met een vooraf bekende afloop opwindend maken is een kunst op zich en soms lukt het – een van de beste voorbeelden daarvan is wellicht nog steeds Ron Howards Apollo 13 – maar hier komt de boel nooit aan de kook. Een interessant conflict tussen Turing en zijn overste (een goede Charles Dance), krijgt ook niet echt een pay off; dat personage wordt ongeveer halverwege de film afgevoerd. En Moore gaat ook veel te snel over een boeiend moreel dilemma: eens Turing de enigmacode heeft gekraakt, is het namelijk belangrijk om niet op élk onderschept bericht te reageren, omdat de Duitsers anders te snel door zouden hebben dat ze hun Enigma-machine beter op de storthoop kunnen smijten. En dus moeten ze telkens opnieuw een vreselijke keuze maken: welke levens zijn van genoeg strategisch belang om te redden en welke Duitse acties laten ze passeren?

Dat gegeven wordt interessant genoeg gevonden om één scène aan te wijden en daarna…Tja, daarna krijgen we te horen dat ze gewoon alle berichten doorspeelden naar de hoge omes van het Britse leger en dat de keuze daar dan gemaakt werd. Een fascinerende morele wurggreep wordt zo herleid tot een voetnoot.

Net als de regie, kan je dat scenario niet slécht noemen: het verhaal wordt vlot verteld, de structuur is stevig, alle nodige puntjes worden aangehaald en het tempo zit goed. Keurig werk, maar ook oppervlakkig – er zit geen peper in, niet genoeg urgentie.

Benedict Cumberbatch maakt op het moment van schrijven kans op een Oscar voor zijn vertolking als Turing en het is niet ondenkbaar dat hij wint: hij mag een getormenteerd, autistisch personage vol tics spelen, en krijgt op het einde zelfs nog een fikse huilbui waar hij zijn tanden in mag zetten. Typisch Oscar bait dus – goed gespeeld, dat wel, maar ook behoorlijk obvious. Tegenover hem staan Keira Knightley (niet bepaald memorabel, maar oké), Matthew Goode (een beetje kleurloos) en Mark Strong (een acteur die dringend nog eens een rol moet spelen met wat meer vlees aan).

Ergens halverwege kwam er een onwelkome gedachte bij ons op: als hier nu iets minder prominente acteurs in hadden meegespeeld, dan had The Imitation Game eigenlijk best kunnen doorgaan voor een ambitieuze tv-film. Zo een die ze op vrijdagavond wel eens op Canvas durven uitzenden en waar je dan vaagweg geïnteresseerd naar kijkt zo lang hij duurt, waarna je in de zetel begint te knikkebollen nog voor de aftiteling afgelopen is. Die films mogen er zijn, natuurlijk, maar… acht Oscarnominaties? Echt? Oké, het is geen Diana, maar een Amadeus is het ook niet, hoor, dudes and dudettes of the Academy!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in