Slipknot :: .5: The Gray Chapter

Op 24 mei 2010 werd in een hotelkamer ergens in de staat Iowa het levenloze lichaam van #2, ook wel The Pig of The Ghost genaamd, naast een injectienaald en massa’s pillen gevonden. Ter nagedachtenis van de onfortuinlijke bassist en medeoprichter (in het Amerikaanse bevolkingsregister stond hij gewoon als Paul Gray geregistreerd) herrijst Slipknot na zes jaar stilte. Wonden worden volop gelikt, de bodemloze smart moet er koste wat het kost uit.

Pas met het derde album Vol. 3: (The Subliminal Verses) kreeg Slipknot meer oog voor fraaie melodieën, gitaarsolo’s en akoestisch gitaarwerk en bewezen de gemaskerde snuiters en passant dat ze ook gevoelige songs in elkaar konden draaien. De samenwerking indertijd met producer Rick Rubin verliep dan weer verre van perfect: zanger Corey Taylor vond hem een overbetaalde en overschatte luierik en voegde er laconiek “… and I will never work with him again as long as I fucking live.” aan toe. Klare taal.

En nu, na een intense herbeluistering van het vorige werk (weken aan een stuk op onbewaakte momenten “If you’re 555 then I’m 666 (what’s it like to be a heretic)” en “If I have to give my life you can have it / We-we are the pulse of the maggot.” uitgekreten; u had de paniekerige gezichten aan de kassa van de buurtwinkel moeten zien) .5: The Gray Chapter onder de loep genomen. Ook hier op het vijfde hoofdstuk van de Slipknot-catalogus is er — hoeft het te verbazen — aan perfect meebrulbare refreinen geen tekort. En opnieuw moet ons van het hart: Slipknot weet weer eens verdraaid spannende en spitsvondige tracks te vervaardigen.

Opener “XIX”, met een weeklagende Corey Taylor en een amalgaam van mistroostige doedelzaktonen en verontrustende synths en xylofoonklanken, is de voorbode van een intens emotionele, maar ook oprechte plaat. Slipknot slaagt met glans in de opdracht om de alomtegenwoordige treurnis echt voelbaar te maken. Oeverloos verdriet zit stevig in de plaat geborduurd, met songs als “The Devil In I” of het poppy “Killpop” op kop hamert de band de pijn erin. De wisselwerking tussen melodieuze, kalmerende zang en basaal geschreeuw, die zangtechniek van zalven en slaan dus, blijft ook nog steeds bekoorlijk, maar na elke luisterbeurt ben je toch wel even murw geslagen.

Aloude en onmiskenbare ingrediënten als een helse percussie en grimmige riffs alsook thema’s als nihilisme, paranoia en levensangst, aangelengd met een flinke scheut melancholie, staan garant voor een explosief maar ook gevoelig album. Er wordt al eens met verve teruggegrepen naar de ongeremde anarchie en dolle razernij van Iowa en Slipknot (“The Negative One” en “Nomadic”) en de “The world will never see another crazy motherf—er like you / The world will never know another man as amazing as you”-line, samen met een Faith No More-groove, maakt van “Skeptic” de ideale gekrulde-bovenlip-en-opgeheven-vuist-song.

Het lekkerste zit, zoals vaak bij deze band, vooraan. De ideetjes worden op het einde schaarser, het kruit geraakt verschoten, tracks die kant noch wal raken, te veel een herhalingsoefening, .. ach, maak zelf uw zin met “vet” en “soep”. “Lech” verliest na een boeiend openingsstuk zijn momentum en gaat dan maar wat besluiteloos rondjes te draaien, “Custer” is, il faut le faire, irritant en meeslepend in één, “Goodbye” had avontuurlijker oorden moeten opzoeken en “The One That Kills The Least” lijdt halvelings aan bloedarmoede.

Slipknot wordt ten onrechte gestigmatiseerd binnen de metalwereld. Toegegeven, de band is al eens potsierlijk en aanstellerig maar op deze plaat laat ze nogmaals haar kwetsbare kant zien. Wat is er desondanks dolletjes aan de pompeuze teringherrie, dat onnozele gedoe met de maskers en namen als Clown, The Killer of Ratboy, aan het bijwijlen puberale gebeuk en geram? U heeft een punt, maar wie gaat niet graag eens, al is het maar in gedachten, als een onbehouwen jongeling loos? Wie het leven te serieus neemt, loopt hoe dan ook in zijn ongeluk of neemt een abonnement op Trends. Doorwinterde fans of maggots zijn we allerminst maar een hap Slipknot gaat er te gepasten tijde altijd in.

Zijn de songs van betere kwaliteit dan die van de laatste tien jaar? Niet of nauwelijks. Deze plaat ligt in het verlengde van Vol. 3: (The Subliminal Verses) (2004) en All Hope Is Gone (2008), albums waarop de samenhang minder de nek werd omgewrongen. Het verscheiden van bassist Gray en het ontslag van drummer Joey Jordison (hij werd naar eigen zeggen koudweg de laan uitgestuurd) vallen eerlijk gezegd in dit album niet op. En de heengegane Paul Gray; moge hij in een of ander Nirwana of aan de overzijde van de Styx in vrede rusten. Zo, en nu de volumeknop weer in het rood om die buurman met zijn godverdomse bladblazer terug te pakken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in