Luís Lopes Lisbon Berlin Trio :: The Line

Was Lissabon volgens ooggetuigen anderhalf decennium geleden nog een kale woestenij wat jazz en geïmproviseerde muziek betreft, dan is de stad dezer dagen een van de boeiendste Europese steden voor dergelijke muziek, samen met Londen en Berlijn. Een van de vele boeiende muzikanten die er momenteel het mooie weer maken, is gitarist Luís Lopes, die in navolging van o.m. Rodrigo Amado steeds intenser en frequenter gaat samenwerken met binnen- en buitenlandse collega’s.

Lopes’ recentste plaat laat hem samen met het Lisbon Berlin Trio horen, waarmee hij in 2011 al een titelloze plaat uitbracht bij Clean Feed. In het voorjaar van 2014 kwam hij nog eens samen met de jonge Duitsers Robert Landfermann (bas) en Christian Lillinger (drums) om de plaat in te blikken. Bij dit trio laat hij, net als bij zijn Humanization Quartet, horen dat hij geen zuivere jazzmuzikant is. Lopes is perfect in staat om jazzy licks uit de oude doos af te haspelen, maar is duidelijk ook beïnvloed door een generatie van noise-, rock- en skronk-gitaristen. Meer nog dan bij het kwartet kan hij hier dan ook helemaal uitpakken met een grillig kluwen van gegier, snarengegesel en knopjesdraaierij.

The Line klinkt dan ook net iets agressiever en lawaaieriger dan zijn voorganger, ook al zet “Dark Suite (Prologue)” je aanvankelijk misschien op het verkeerde been. Samen met de epiloog wordt immers vooral aan sfeeropbouw gedaan, met geïsoleerde, cleane gitaarnoten, voorzichtig gewrijf en geschuifel van Lillinger en een donker brommende en krakende bas, die vooral met de strijkstok bespeeld (en hier en daar misschien mishandeld) wordt. De twee stukken die verstopt zitten tussen die desolate horror laten een heel andere stijl horen: ongedurig en elektrisch knetterend, meer Sonny Sharrock en Thurston Moore, of de Japanse school van Takayanagi/Yoshihide, dan John Scofield en Pat Metheny.

“Vertigo” zoekt het tussen heavy rock en loodware improvisatie, met een monsterlijk vervormde contrabas en een processiegang die gaandeweg ruimte maakt voor vrijer verkeer met een kletterend spel van Lillinger, die er enorm vinnig op los roffelt, eerder op snelheid en souplesse dan op kracht en geweld. Dit is dus geen doorsnee gitaartrio, met Lopes die hier en daar klinkt als een verwant van Nels Cline in Banyan. Het kloeke “Mother Snake” is het sleutelstuk en een imponerende oplawaai van piepend en gierend gitaarspel dat uitgespeeld wordt tegen de betonmolenbas en de roffelfanfare van Lillinger. Merkwaardig genoeg slaat het iets na de helft helemaal om in een monotoon geschuur dat in de lijn ligt van Lopes’ soloplaat Noise Solo At ZDB Lisbon: het gaat mechanisch grommen, zeuren en zelfs daveren. Een indrukwekkend intens hoorspel.

De vierdelige suite krijgt dan nog een vervolg in twee bijkomende stukken: de titeltrack schiet voortdurend in spastische stuiptrekkingen, terwijl het wat minder volgestouwde “Schwarzwald” grilliger is, met grotere intervallen en aan/uit-dynamiek. Een merkwaardig einde voor een plaat die de ingeslagen weg van zijn voorganger verder verkent, maar dan met extremere pieken en een compactere duur. Het samenspel is tegelijkertijd provocerend en energiek, maar vormt ook een samenhangend front om tegen te pletter te slaan. Live moet dit aankomen als een handgranaat die ontploft in je gezicht. Verdomd opwindend.

Voor wie honger heeft naar meer, nog een paar recente releases waarop Lopes te horen was:

Luís Lopes & Noël Akchoté – Variety (Eigen beheer)

Een duoplaat met de waanzinnig productieve Franse gitarist Akchoté, die in september werd opgenomen in Lissabon en enkel verkrijgbaar is in digitale vorm via diens Bandcamp-pagina. Die pagina biedt stof voor dagen, nee maanden, luisterplezier, of toch als je opgewassen bent tegen ’s mans vrije excursies. Maandelijks verschijnen soms een stuk of tien albums, waarbij opnames soms nog dezelfde dag online staan, vaak vergezeld van even kleurrijk als lelijk artwork. Zoals verwacht is ook dit geen doorsnee ontmoeting, want Akchoté (elektrische gitaar) en Lopes (elektrische en akoestische gitaar) besnuffelen elkaar zonder enige remmingen, wat leidt tot een excentrieke plaat waar amper vat op te krijgen valt.

Zo klinkt dit het ene moment zeer abstract kringelend, dan weer noisy of wat meer ingetogen, als een verbasterde etude. Al een geluk dat de stukken redelijk compact gehouden worden. De variatie is dus enorm, soms worden er effecten gebruikt die herinneren aan Paul Leary (“Barkees”), word je overstelpt door furieuze noisegolven (“Oeufs Pochés”), zoeken ze een evenwicht tussen het snarengepluk van een idiot savant en psychedelische uitweidingen, of doen ze iets tussen het filmische werk van Gary Lucas en een snijdend en kervend wrikfestijn (“Bigsby Follies” vs. “Got Your Toes”). Een paar momenten van relatieve rust behoeden gevoelige luisteraars voor allergische reacties. Een tegendraads, niet altijd even toegankelijk prikkelfestijn voor getrainde luisteraars.

Big Bold Back Bone – Clouds Clues (Wide Area Records)

Opnieuw een release die in Lissabon (maar wel al in 2010) werd opgenomen en ver uit de buurt van conventioneel geharrewar blijft. Big Bold Back Bone brengt twee vertegenwoordigers van de Zwitserse scene — trompettist Marco von Orelli en drummer Sheldon Suter — bij twee afgezanten uit Lissabon: Lopes en analoge elektronica-artiest Travassos, die vooral bekend is door zijn artwork voor het Clean Feed-label. Deze vier houden zich op in de zone tussen vrije muziek en elektroakoestische improvisatie met een totaalsound die ondanks de redelijk compacte duur van de meeste stukken ook niet voor iedereen weggelegd is.

Opnieuw krijg je hier die schommeling tussen eerder suggestieve schetsen — soms neigt het zelfs naar het sound design van het Peter Evans Quintet, waarin een hoofdrol weggelegd is voor schurende, ruisende en pruttelende klanken — en een zijstapje naar het terrein van de iets conventionelere improvisatie (“Pulp Pal”, “Point Blank”). In “Subsoil Sound” wordt gespeeld met pure sound en opvallende effecten (smak- en kusgeluiden van de trompet, bvb.), bij “Slow Snow” neigt het meer naar een dreigend minimalisme en bij “Bristle Brush” mondt het uit in een noisy duet voor gitaar en trompet. Opnieuw geen evident heen-en-weer-gekets, maar een coherent avontuur dat steek houdt voor luisteraars zonder oorkleppen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in