Pride

Zet gefrustreerde mijnwerkers uit Noord-Engeland en een bende Londense holebi’s bij elkaar en je krijgt gegarandeerd vuurwerk. Dat dacht Matthew Warchus ongetwijfeld ook toen hij het waargebeurde verhaal van Pride dertig jaar na datum naar het witte doek wilde brengen. Pride speelt zich af in het jaar 1984. Het jaar waarin Marvin Gaye het leven liet, maar ook het jaar waarin Margaret Thatcher ermee dreigde om maar liefst twintig Britse koolmijnen te sluiten, waardoor de mijnwerkersvakbonden een jaar lang het werk neerlegden als protest. Drie keer raden wie er ook flinkt onderdrukt werd door Thatcher’s regime en door de rest van het Britse volk? Juist ja. De homoseksuelen. Terwijl Lesbians and Gays support the miners (een handvol jonge activisten) zich dapper inzetten voor het lot van de mijnwerkers, drijven deze laatsten nog tot hun neus in vooroordelen, stereotiepen en een irrationele vrees voor het opkomende aids. Ondergetekende heeft een onweerstaanbaar zwak voor Britse crowdpleasers met de bijhorende lach en traan, dus Pride mocht er twee keer aan geloven op het Filmfestival van Gent afgelopen maand.

Eén van de moraalridders van LGSM is het moederskindje Joe (George MacKay) die zich nog in de kast bevindt, binnen een traditioneel Brits gezin waarin homofobie nog steeds de norm is. Hij heeft een een extra duwtje nodig heeft om uit te komen voor wie en wat hij is, en dat krijgt hij van de lokale “out-and-proud” gay rights activisten, die bestaan uit Mark Ashton (Ben Schnetzer) en zijn vrienden. Het verhaal van Joe en zijn vrienden staat diametraal tegenover dat van de mijnwerkers: onderdrukt en bang vluchten ze liever weg, om de confrontatie zo lang mogelijk uit de weg te gaan. Want heel wat van de arbeiders trekt een wenkbrauw op bij het zien van het krakkemikkig hippiebusje van het zevental excentrieke activisten. De clash die zich in het kleine dorp (met onuitspreekbare naam) Onllwyn voordoet is er één van formaat, met de theatrale Jonathan (Dominic West) als kers op de taart.

De boodschappen in Pride zijn bijna niet bij te houden. De film zet solidariteit op een voetstuk en kaart ondertussen ook de verblindende angst aan voor aids die de jaren tachtig zo typeerde. Het zal wel iets te maken hebben met de recente aandacht voor homorechten, inclusief de repressie in Rusland en, daar tegenover, de doorbraak van gay marriage in de VS, dat er zo wordt teruggedacht aan de jaren tachtig, een periode toen homofobie en hokjesdenken nog voor een groot deel als normaal werd aanvaard en de hele beweging voor gelijkheid van rechten nog in de kinderschoenen stond. Toch wordt Pride nooit te uitleggerig of prekerig, dankzij het sentimentele glazuurlaagje waarmee Warchus de – vaak pijnlijke – problematiek aan zijn publiek voorschotelt: de film is letterlijk toegankelijk gemaakt voor iedereen.

En eerlijk gezegd hadden we dat nodig. De scènes waarin de typische Britse arbeidersvrouwen (niet op hun mondje gevallen, nieuwsgierig en een tikkeltje naïef) de confrontatie aangaan met de extravagante twintigers zijn een welkome afwisseling (want het moet niet àltijd over de politiek of over onrecht gaan) en geven het publiek de mogelijkheid om opgelucht adem te halen. Er is nog hoop, er zijn nog zelfrelativerende en ongelooflijk grappige individuen tussen de conservatieve eenheidsworst. Pride had een deprimerende politieke film kunnen worden (want uiteindelijk verliezen de mijnwerkers toch maar van The Iron Lady) of een vrolijke romcom over flamboyante homo’s uit de eighties, maar er is gekozen voor een harmonieus geheel waarin ernst en optimisme elkaar de hand schudden. Net zoals de homo’s en de mijnwerkers dat doen. En daarom kan je Pride ook vergelijken met andere films uit het Britse feelgood repertoire zoals Billy Elliot (2000) en The Full Monty (1997).

Regisseur en theatermaker Matthew Warchus heeft door zijn roemrijk theaterverleden bijna elke Britse topacteur voor deze film kunnen strikken: Bill Nighy, Imelda Staunton en Andrew Scott acteren de pannen van het dak (inclusief enkele heerlijke oneliners van Staunton als de majestueuze Hefina wanneer de behoudsgezinde Welshe inwoners commentaar leveren op het fel beschilderde busje van de homoseksuelen: “are you lesbian, love?” Yes, that’s right: we’re just off to Swansea now for a massive les-off!”). Het is uiteindelijk Dominic West die de show steelt tijdens zijn voortreffelijke dansscène op het disconummer Shame, shame, shame (blijkbaar stond regisseur Warchus de hele tijd doodsangsten uit omdat hij dacht dat West zich zou verwonden tijdens deze uitbundige dans). De scène draait rond het cruciale moment dat de twee verschillende groepen naar elkaar getrokken worden door iets dat ze beiden gemeen hebben: een passie voor muziek, amusement en ook een haat voor Thatcher.

Alle stereotiepen worden onverbiddelijk onderuit gehaald en geen enkel heilig huisje blijft overeind: neen, lesbiennes zijn niet allemaal vegetarisch en niet alle homoseksuelen hebben een oogje op élke heteroman (in tegendeel zelfs). Zelfs vibrators, homo-discotheken met poeslieve spierbundels gehuld in zwart glanzend leer en kussende homo’s worden niet geweerd uit de film, terwijl dat in de meeste mainstreamfilms vaak nog altijd een taboe is. Zet dit alles onder een smakelijke eighties soundtrack vol disconummers, meezingers en new wave en je wil bijna mee marcheren in de London Pride van 1985. Of ja, de Antwerp Pride van volgend jaar: dat is ook al goed.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in