Het gebaar met de gitaar (3) :: Steve Gunn, Chris Forsyth & Norberto Lobo

Eerder dit jaar ging het hier al over sologitaristen Bill Orcutt en Gary Lucas en daarna over Alan Licht, Luís Lopes en Richard Comte. Twee van de volgende drie doen het op hun nieuwe releases niet solo, maar elk laten ze uitzonderlijke dingen horen.

Steve Gunn – Way Out Weather (Paradise Of Bachelors)

De dagen dat Steve Gunn bekend stond als een avant-gardefenomeen of een hulpje van Kurt Vile zijn definitief voorbij. Zijn vorige album Time Off laat een verschuiving horen naar een meer traditionele sound, maar dan uitgewerkt met een herkenbare stijl en sound. Die lijn wordt verdergezet met Way Out Weather, waarin Gunn dichter dan ooit bij de traditie belandt, maar dan wel met uitmuntende resutaten. Denk daarbij aan de Cosmic Americana van The Grateful Dead (zo rond Workingman’s Dead en American Beauty), maar net zo goed aan de vroege Neil Young, Gene Clark, David Crosby (die van het uitmuntende If I Could Only Remember My Name) en flarden Mike Cooper, met wie Gunn onlangs nog samenwerkte.

Gunn wordt tijdens acht songs bijgestaan door vaste klanten Jason Meagher, Justin Tripp en drummer John Truscinski, maar extra volk zorgt voor o.m. banjo, lap steel, drobro, harp en synth. Een rijke sound dus, maar nergens overdadig. Met de gezapige aanpak doen Gunn & Co. ook regelmatig denken aan Sid Griffins Western Electric of The Feelies van The Good Earth en Only Life, iets waar de redelijk monotone praatzang ook voor iets tussen zit. De titeltrack is nu al klassieke Gunn, met een verleidelijke, weidse sound, en die innige combinatie van akoestisch en elektrisch snarenwerk. Daarna beweegt het album zich in diverse richtingen, tussen de Mantra-achtige folkrock van “Milly’s Garden” (ergens waart de geest van Jerry Garcia rond) of de meer klassieke Americana van “Shadow Bros”.

De dromerige countrypop van “Fiction” met z’n warme orgelklanken staat broederlijk zij aan zij met gedreven rockspul als “Drifter”, eentje dat live ongetwijfeld uitgebouwd kan worden tot een rauw stampend gitaarfestijn. “Atmosphere”, de titel zegt het al, duikt helemaal in de kosmische psychedelica, maar wordt afgerond door het afsluitende hoogtepunt “Tommy’s Congo”, waarin de krautspirit die vroeger ook opdook in Gunns werk opnieuw naar de voorgrond treedt. Het resultaat is een stukje moderne trance met kringelende gitaren en een aanhoudend ritme dat als een hypnotiserende Indianendans voor auditieve cinema zorgt. Way Out Weather is minstens de evenknie van Time Off en misschien wel de betere plaat. Of hoe Gunn een breder publiek kan aanspreken zonder in te boeten aan klasse en integriteit.

Chris Forsyth & The Solar Motel Band – Intensity Ghost (No Quarter)

Toen gitarist Chris Forsyth – nog zo’n figuur die al jaren gerespecteerd wordt in experimentele kringen, maar nu pas wat bredere aandacht geniet – zijn vorige plaat Solar Motel uitbracht, werd er ook gesproken over die cosmic Americana, een stijl die voortdurend de expansiviteit van de Amerikaanse geografie liet overvloeien in al even vrijelijk meanderende gitaarjams. In de nasleep van die plaat heeft Forsyth een vijfkoppige band bij elkaar gepuzzeld met extra gitarist Paul Sukeena, bassist Peter Kerlin, toetsenist Shaw Edward Hansen (synth, orgel) en drummer Steven Urgo (ex-The War On Drugs). Het resultaat is een pure gitaarplaat die Forsyths oude liefdes – drones, psychedelica, improvisatie – in een strakkere vorm giet, met soms verbluffende resultaten.

Opener “The Ballad Of Freer Hollow”, goed voor elf minuten zinderende gitaarverkenning, kan je immers best omschrijven als een huwelijk van The Grateful Dead en Television. Minder meanderend dan die eerste, en iets psychedelischer dan die tweede. Met krachtig snarenwerk, maar zonder de dreigende chaos van een Comets On Fire. Voer voor gitaarfreaks die het niet hebben voor XL-gitaarego’s. Ondanks die langgerekte exploraties blijft de muziek dan ook een introverte kwaliteit behouden. En zelfs als er dan al wordt overgeschakeld op de blues, niet meteen de meest subtiele aller genres, dan is dat zonder poeha of machismo. “Yellow Square” start met een rudimentaire stomp, een repetitieve puls, maar het duurt even voor de gitaren echt in de blues duiken. En dat is dan ergens in de zone tussen ZZ Top en Nels Cline, met vooral in de staart gierend snarenwerk

Twee van de vijf tracks – “I Aint Waiting” en afsluiter “Paris Songs” – blijven trouwens in vrij kalme oorden rondhangen. Het eerste is een ballade vol loopjes en rinkelende arpeggio’s die leiden tot een erg mooie opeenstapeling van ideeën die doen denken aan het meest lyrische van Tom Verlaine en Richard Lloyd, terwijl het laatste nummer uitpakt met een sobere openheid die herinnert aan Richard Thompson of The Grateful Dead. Tussen die twee twijfelt het titelnummer tussen jachtige gitaarrock (en je verwacht elk moment “Mr. Soul”) en majestueuze classic rock. Vernieuwend kan je Intensity Ghost bezwaarlijk noemen en verschroeiend intens of heftig is dit niet, maar het is dan ook een plaat die bijna veertig minuten lang blijft ademen en die uitpakt met meesterschap zonder opzichtig te willen epateren.

Norberto Lobo – Fornalha (Three:Four Records)

De meest merkwaardige plaat uit dit lijstje is ongetwijfeld die van de Portugese gitarist Norberto Lobo. Over hem vind je bitter weinig informatie en dat terwijl hij toch al een handvol albums uitbracht in het voorbije decennium en speelde aan de zijde van o.m. Gary Lucas, Rhys Chatham en jazzdrummer (en bekend gezicht in België) João Lobo (geen familie als we ’t goed hebben). Met Fornalha heeft de gitarist een nieuwe plaat uit die, in de loop van vijf songs en een compacte duur van een goed half uur, een mooie staalkaart biedt van de tradities die hij zich eigen maakte en vervolgens op aparte manieren aan de man brengt.

De fado van voorgangers als Paredes en Chainho zit er vermoedelijk wel ergens in, maar Lobo is ook in de weer met allerhande experimentele speelstijlen, loops, vervormende effecten en verwijzingen naar de drone-, folk-, raga- en avant-gardetradities. De ene keer, zoals in het titelnummer vooraan de plaat, speelt hij met strijkstok, waardoor het pas na een tijdje begint te dagen dat je wel degelijk met een gitarist te maken hebt. Anders zou je net zo goed kunnen denken dat het gaat om een nieuw project van cellist Ernst Reijseger of iets van een andere experimentalist als Paolo Angeli en z’n prepared guitar. Het is echter geen werkwijze die doorheen het volledige album wordt aangehouden, want soms gaat het er vrij conventioneel aan toe. In “Fran” wordt zelfs even gesuggereerd dat er onder de licht versterkte vingeroefening een jazz standard verborgen zit.

“Maryam” en “Pen Ward” blinken dan weer uit in schizofrenie en laten twee gezichten horen. In het eerste klinkt de geprepareerde (?) akoestische gitaar haast als een Japanse koto, terwijl plots een heel andere richting ingeslagen wordt met loops, ruwe strijkuithalen en galmeffecten en met iele klanken die ook herinneren aan de eigenzinnige stijl van Gary Lucas. Bij “Pen Ward” wordt lieflijk getokkel van de soort waar het adjectief ‘pastoraal’ wordt bovengehaald, vervangen door ratelend gepluk. De prachtige afsluiter “Eu Amo” is dan weer een bezwerend stukje tussen soundscape, drone en spookvertelling, waarin Lobo’s woordenloze falsettozang enkel nog bijdraagt aan de desolate melancholie. Een ongewone, maar bijzonder creatieve plaat die na een halve beluistering al onder de huid kruipt. Je gaat lonken naar die koptelefoon en je zou willen dat je bezoek zo snel mogelijk vertrekt. Zo’n plaat is het.

Steve Gunn speelt op 29/10 in de Charlatan i.k.v. Autumn Falls, op 2/11 in de AB als voorprogramma voor The War On Dugs (uitverkocht) en op 22/11 in de Trix, een double bill met Richard Bishop. Norberto Lobo staat op 15/11 op het Eastern Daze festival in de Vooruit. Meer info HIER.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in