The Tale of Princess Kaguya

Na de voortreffelijke grandeur van Miyazaki’s allerlaatste succes The Wind Rises eerder in 2014, staat Isao Takahata’s The Tale of Princess Kaguya een beetje in diens schaduw. En in Japan is die schaduw nog net iets dreigender dan bij ons, want Princess Kaguya werd door Studio Ghibli zelf bestempeld als een flop, omdat ze maar 50 miljoen dollar opbracht (maar liefst 40 miljoen minder The Wind Rises). Ook dat de studio mogelijk een pauze zou inlassen, kwam er net na Princess Kaguya. Misschien is de subtiliteit van de geanimeerde bewerking van een 10de eeuwse Japanse legende niet meer weggelegd voor het hedendaagse filmpubliek, dat zijn blik heeft moeten doen wennen aan 3D-animatie en CGI. Toch is Princess Kaguya een waardige opvolger voor Miyazaki’s laatste. Door een kruisbestuiving tussen moderne en traditionele animatietechnieken met houtskool, waterverf en oude Japanse schildertechnieken, lijkt de film zelfs nog veel experimenteler dan zijn voorgangers.

En een confrontatie tussen traditie en moderniteit vinden we ook terug in het verhaal. We volgen het leven van een oude bamboesnijder die op een dag een klein meisje ontdekt in een schitterende bamboestengel. Hij brengt het kleine wezentje mee naar zijn vrouw, waarna ze het samen groot brengen alsof het hun eigen dochter is. Als ze merken dat het meisje ook effectief groeit met de snelheid van een bamboescheut, en ze ook goud en luxueuze gewaden verkrijgen via het kappen van bamboestengels, beseffen ze dat het meisje een prinses is. Ze proberen haar op gepaste wijze op te leiden (en in te wijden in de Japanse nobele tradities en gebruiken) maar ontdekken dat het meisje een eigen willetje heeft, en niet van plan is zomaar alles te doen wat haar opgelegd wordt.

Als haar begeleidster dreigt haar wenkbrauwen uit te plukken en tanden gitzwart te verven om te voldoen aan het traditionele Japanse schoonheidsideaal, geeft ze iedereen lik op stuk. En ook wanneer vijf edele mannen naar haar hand komen dingen, is ze al evenmin van plan zich zomaar aan de eerste de beste kerel te schenken. Er heerst dus een duidelijk anti-establishment sfeertje, aangevuld met het ecologisch bewustzijn dat zo typerend is voor heel wat Studio Ghibli-films (denk maar aan Princess Mononoke uit 1997). Princess Kaguya denkt namelijk regelmatig terug aan haar kindertijd, waarin ze zorgeloos ronddartelde in de ongerepte natuur, in nauw contact met de flora en fauna van het Japanse platteland en haar leeftijdsgenootjes. De morele boodschap dat geld niet gelukkig maakt, wordt in de filmwereld tot in den treure herhaald, maar The Tale of Princess Kaguya brengt het met zo’n subtiliteit dat we eindelijk eens niet het gevoel hebben dat iemand het hardhandig in onze strot wilt rammen.

Door de prachtige aquareltechniek doet het animatiewerk ons terugdenken aan Raymond Briggs’ The Snowman (1928) maar ook aan het recentere Ernest & Celestine (2012). Antieke Japanse prentkunst wordt tot leven gewekt door losse verftoetsen en ruwe schetsen. Toch blijft de animatie – hoe bruut de verfstreken ook zijn – altijd teder en delicaat. In de ogenschijnlijke eenvoud van het tekenwerk is er steevast oog voor de kleinste details: subtiele schaduwen, zonlicht dat door een bladerdak schijnt of de meest fijngevoelige gezichtsuitdrukkingen, die door een minimum aan verfstreken toch duidelijk worden. Zo is de scène waarin de prinses op het feest van haar naamdag een paar dronken mannen over zich hoort roddelen één van de meest verrukkelijk geanimeerde passages. In al haar woede werpt ze haar kostbare zijden gewaden van zich af als een boom die zijn herfstbladeren verliest tijdens een storm. Uiteindelijk zien we alleen nog maar een ruwe schets van een rennend meisje in houtskool. Dat regisseur Takahata erin slaagt om met zo’n schimachtig beeld toch zoveel te vertellen, is op z’n minst bewonderenswaardig te noemen.

Er zitten ontelbaar veel gelijkaardige poëtische en symbolische verwijzingen in Princess Kaguya, die één voor één natuur-gerelateerd zijn. Het rondrennen tussen de Japanse sakurabloesems kan je zien als een terugkeer naar haar onbezonnen jeugd. Maar ook het moestuintje in haar paleis, waar ze nog het liefst haar tijd doorbrengt, is een pastorale lofzang aan haar kinderjaren. Zelfs het gekooide vogeltje dat ze krijgt na de viering van haar naamdag en meteen vrijlaat, spreekt boekdelen over haar leven in gevangenschap, omgeven door tradities en regels.

Als we Studio Ghibli één ding moeten nageven, dan is het dat ze je altijd onvergetelijke tranentrekkers voorschotelen. En na het hartverscheurende Grave of the Fireflies (1988) stelt ook The Tale of Princess Kaguya niet teleur. De muziek is – net als de animatietechnieken en het verhaal – een mix van oud en nieuw. Traditionele Japanse liedjes wordt ingebed in een fraaie soundtrack van vaste waarde Joe Hisaishi (die ook de soundtrack van The Wind Rises en Spirited Away verzorgde). Bereid je voor om de zaal te verlaten met je handen voor je ogen, omdat je jezelf niet al te belachelijk wil maken met je emotionele breakdown.

Isao Takahata stond in 1985 samen met Miyazaki aan de wieg van de Japanse animatiestudio, en in zijn laatste film begrijpen we ook waarom. Zijn voorliefde voor speelse brutaliteit en vertederende expressie maken duidelijk dat hij één van de grote breinen is achter het Ghibli-fenomeen. Hoe wij het floppen in Japan dan verklaren? Misschien is The Tale of Princess Kaguya niet voor iedereen weggelegd. Misschien is het de cinematografische variant van de gastronomische delicatesse: de sushi en de kaviaar van de animatiewereld. Hoe het ook zij, The Tale of Princess Kaguya is weggelegd voor jong en oud (vanwege de lengte van het verhaal misschien zelfs eerder voor oud) en zorgt voor een verademing tussen de drukte van de recente animatiefilms die in Hollywood aan de lopende band uitgebracht worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in