END OF THE ROAD 2014 :: Schreeuwen om liefde

En daar sta je dan. Na een zomer vol blockbusters, van Pearl Jam op Werchter over Nas op Dour tot Editors op Pukkelpop, ben je zo een beetje overal geweest. Gelukkig is er daar, aan het einde van de weg nog één festival dat iets anders biedt. Diep verscholen in een feeërieke tuin op een bult in het Zuid-Engelse Dorset vinden we End Of The Road. Verslag van een winderige idylle.

Oh, Engeland: dat rollende platteland, die witte krijtrotsen, die wellevendheid. Zelden zul je op ons vasteland immers een festival vinden waar zelfs voor de toiletten netjes een ordentelijke rij gevormd wordt, en je ook zonder trek- en duwwerk aan bier raakt omdat elk zijn beurt afwacht. Zelfs als ’s avonds laat de queues van voorheen afbrokkelen, zal je buurman galant laten weten aan de barman dat jij wel degelijk voor hem je pint mag bestellen. End Of The Road is zo’n festival, en meer dan dat, maar dat vertelden we u grotendeels vorig jaar al.

Wat gaandeweg echter ook opvalt en ons vorig jaar stomweg ontging: nergens staan ordinaire sponsorvlaggen, laat staan dat hun schreeuwerige stands om je aandacht roepen. End Of The Road is een oase van rust in een van marketing vergeven wereld. Dat de gsm-dekking er meteen wel om te huilen is, dat nemen we er dan maar bij. Proximus Win For Life End Of The Road bekt immers voor geen meter, dus nog liever zo.

Weinig festivals zijn overigens zo proper als dit. Vuilnisbakken genoeg op de wei om je afval zelf te droppen, en wat toch nog op de grond belandt aan overschot van het erg uitgebreide aanbod eten wordt vlot opgeruimd door een gemotiveerd clean-up team. En als we toch even over de toiletten mogen doorlullen: hopelijk worden de state-of-the-art dixies met echte toiletbril en wastafeltje ooit de norm op elk muziekfestijn. Maar dat er ook bands stonden; dat mogen we niet vergeten. Wat we dus onthouden van deze fijne driedaagse? Dit:

Vrijdag 29 augustus

End Of The Road bereiken is altijd een beetje vloeken op Salisbury en zijn onmogelijk verkeer, en dus betreden we alweer veel later dan voorzien de wei. “Bad Kids” van Black Lips hoorden we enkel uit de verte waaien, maar van Benjamin Clementine kunnen we nog net “Cornerstone” meepikken, een prachtballad waarin de warme tenor van de man meer dan indruk maakt. Al te jammer dus dat hij eindeloos doorpraat tussen twee nummers, waardoor er maar geen slotnummer meer lijkt aan te komen. Wat wij dan doen? Postvatten voor Jenny Lewis aan de grote Woods Stage: een kale, zacht glooiende helling — goeie zichtlijnen wel — waar een immer forse wind vrij spel heeft, en de temperaturen steevast zo’n vijf graden lager liggen dan elders.

Maar Jenny Lewis dus: een frontvrouw die haar podiumangst overwint door de grootste divastreken voor te wenden, en vandaag een lange paarse cape rockt. Zes lange jaren liet het voormalige boegbeeld van Rilo Kiley niets van zich horen, maar sinds eind juli is er nu The Voyager, waarmee ze de split van haar groep en de dood van haar vader van zich afschrijft. Het is eveneens een stilistisch ratjetoe dat haar in alle wisselvalligheid toont. En zo is ook dit optreden. Begint ze met een gemoedelijke versie van Rilo Kiley’s “Silver Lining”, dan toont ze met “Just One Of The Guys” en “Head Underwater” dat ze een behoorlijk onderschatte songschrijver is. Een flauw “Slippery Slopes” lijkt dat meteen te willen tegenspreken en met de ordinary bluesrock van “The Next Messiah” gaat ze helemaal de mist in. Hadden we hier ooit The Doors al niet voor, of als het echt moet: Triggerfinger?

Met “Rise Up With Fists” zet de zangeres één en ander recht. Hierin komt haar knappe stem wél tot zijn recht, en ook “Better Son/Daughter” met zijn militaire drumroffels, is van het sterkste dat we van haar te horen krijgen. En zo begint het besef langzamerhand te dagen dat het toch de Rilo Kileysongs zijn, waaronder eerder al het funky “Moneymaker”, die deze set dragen. Jammer, want dat er in die solocarrière wel degelijk iets zit, bewijst afsluiter “She’s Not Me”; Californische eightiespop op zijn Stevie Nicks waarmee we haar met plezier een hit gunnen.

Zo even tussen haakjes trouwens: wij bereiden een festival waarvan we de helft van de affiche niet kennen wel degelijk een beetje voor. En wat we van Ezra Furman hadden gehoord, klonk zelfs niet lang niet slecht. Maar op de stemmige Garden Stage — denk: het Brugse Minnewaterpark van Cactus Festival met toegevoegde Engelse romantiek — blijft van die belofte niets meer over. Onder al het theater van de Amerikaan blijven zijn songs lang niet overeind, en ook vocaal is het huilen met de pet op; het zal een rode draad worden dit weekend.

En het wordt niet beter, want dachten we in de Big Top Tent — de enige podiumnaam die een béétje naar regulier festival stinkt en dus de plaats waar we de stevigere acts kunnen vinden — soelaas te vinden bij Three Trapped Tigers dan komen we van een kale reis thuis. Dit is kijk-eens-wat-ik-kan-mathrock met veel synths waarop het vooral onmogelijk dansen is: elke keer je hoopt dan toch iets van groove te hebben gevonden, slaat de groep een nieuwe, al even vervelende richting uit, als een Battles dat het niet begrepen heeft. Wij snappen dit niet, en vinden deze tijgers vooral verdomd enerverend.

Slechte zangers een thema? British Sea Power tekent met veel brio present wanneer gitarist Martin Noble de microfoon een paar nummers ver overneemt van de met een al niet veel sterkere strot begiftigde Yan Scott Wilkinson overneemt. De toonladder blijkt in “No Lucifer” een vaag concept dat zijn beste tijd heeft gehad, maar het weerhoudt een harde kern fans vooraan niet om enthousiast met takken vol gebladerte te wuiven; een geintje uit de begindagen van de groep dat op de met hetzelfde snoeiafval getooide Garden Stage niet meer dan gepast is.

Opvallend ook hoe de epische boekenwormenrock — wie anders schreef ooit een song over een ijsschots en liet daarbij twee gigantische berenpakken in het publiek los? — van dit zestal in hun thuisland zoveel meer aanslaat dan bij ons. Anthem “Waving Flags” wordt onthaald als een call to arms, de gierende gitaren van een uitgesponnen “Lights Out For Darker Skies” brengen het publiek even helemaal door het dolle heen. Maar dat zijn wel nummers van acht jaar en drie platen geleden; je vloekt even dat de groep niet meer van dit soort nummers in zijn catalogus heeft, maar ook moet terugvallen op een recenter, en eindeloos pingelend “When A Warm Wind Blows Through The Grass” van op het ontgoochelende Machineries Of Joy. Deed British Sea Power maar wat harder zijn best, dan kon het veel verder staan dan dit.

Op Pukkelpop krijgt Annie Clark een stekje in de Club, ten hoogste net na etenstijd, op End Of The Road is ze al voor de tweede keer headliner. Vorig jaar mocht St. Vincent immers nog aantreden in tandem met David Byrne, vandaag doet ze het alleen, weerbarstig, en afstandelijk. Maar wat een erg cerebrale show blijkt, fascineert ook mateloos. De robotische beats, hakkende gitaarloopjes en temerige zang zijn voor Clark een excuus om het soort show te brengen waarvoor het woord “eigenzinnig” is uitgevonden.

Van het dubbelspel met de voormalige Talking Headsfrontman heeft St. Vincent immers een zin voor choreografie overgehouden, en dus krijgen we een strak geregisseerde show, waarin theater al eens aan de orde is. Na “Cheerleader”, dat ze op een piramide achteraan brengt, valt ze dramatisch de trappen af, even later trippelen zij en haar gitariste om beurten naar voor terwijl we om de oren worden geslagen met brute postpunkriffs en overstuurde computerfeedback. Waanzin, maar van het extreem beredeneerde soort, en zelfs al overwegen we om de tien minuten om toch maar eens te zien waar (lt) uithangt, we krijgen onze ogen niet van dit spektakel losgerukt. Dit was geen concert, maar intrigerende performancekunst.

De Zweedse Alice Boman lijkt “performance” uit haar woordenboek geschrapt te hebben, en gaat resoluut voor de blootliggende gevoelens. Met “All Eyes On You” en vooral “Waiting” heeft ze daar een paar bijzondere mooie, spaarzaam ingeklede slepers — wat piano en synths, af en toe een zachtjes aangeblazen bugel — voor meegebracht, maar het opboksen tegen het volk dat liever aan de toog hangt (altijd beleefd, die Britten, behalve als ze Freedom Lager gespot hebben) in de Tipitent die zo fel verlicht is dat het wel dag lijkt, kost haar zichtbaar moeite. Als drie bange konijntjes staan Boman en haar bandleden op het podium, en hun fluisterzang verdrinkt jammerlijk in het geroezemoes. Zonde is dat, want er zitten enkele stiekeme pareltjes tussen de songs, voor wie zijn aandacht er wil bijhouden. Volgend jaar opnieuw, als iedereen nog nuchter is?

Vermoedelijk ook al een eind boven hun theewater: Black Lips — daar zijn ze weer — die in de Forest Disco dolenthousiast plaatjes mogen komen draaien maar duidelijk de mixknop kwijt zijn. Er valt al eens een ongemakkelijke stilte tussen de nummers, maar hun lekkere garage uit de Nuggets-stal en vrolijke soul stuurt het enolateam hoe dan ook dansend richting camping. Ideale afsluiter van zo’n eerste festivaldag.


Zaterdag 30 augustus

Nergens ben je zo vroeg op als op End Of The Road, en dat ligt niet alleen aan de flauwere kwaliteit van het bier gisteren. (lt) heeft immers een druk schema, en er dient vandaag al vroeg gewerkt. Moeten we echter even wegslikken: de grootste ontgoocheling van het jaar.

Want neen. Die charmante Breakfast Bus aan de ingang van het festivalterrein verkoopt dit jaar geen “Full English Breakfast” meer. En daar wil (mvs) best wel even een paar uur knorrig om lopen te kniezen, ware het niet dat (lt) zich herinnert dat halverwege het terrein een waardig next best thing te vinden was met de wafel-honing-en-fruitcombinatie van Hedgerow Frozen Yoghurt. Ochtend gered, want zo’n grumpy hoofdredacteur is nooit te genieten, zo blijkt elke keer maar weer als nog maar eens iemand de deadline niet heeft gehaald.

Staat daar vervolgens een pak minder fris dan wij te wezen op de Woods Stage, zo om kwart over twaalf: Nick Waterhouse. “We functioneren op ongeveer een uur slaap”, geeft de Amerikaan mee, en dat blijkt ook uit zijn set die aan de flauwe kant is. Waar hij op Pukkelpop — toen ook al zo vroeg op de dag — vlotjes overtuigde met zijn fijne jaren vijftigsound, begint het vandaag allemaal een tikkeltje te veel op het gemak. Er is geen valse noot te horen, maar er wordt onmiskenbaar op automatische piloot gespeeld, en dat staat Waterhouse niet zo. Het is wachten op de power van “Dead Room” (de saxofoniste maakt ons bang en blij tegelijk) en het broeierige “Say I Wanna Know” om de laatste slaap uit de ogen te wrijven, maar dan is de band met wat vertraging alsnog vertrokken voor wat good old fun — “(If) You Want Trouble” leent zich met zijn swingende rockabilly zelfs uitstekend voor de eerste danspasjes van de dag. We noteren: ook Nick Waterhouse is niet zo’n ochtendmens.

“Oh, dit moeten we zeker uitchecken; ik ben zó into jazz”, kirt een tienermeisje tegen haar in een spuuglelijke roze flamencorok gehulde vriendinnetje — Britten en stijl, het zal nooit een goed huwelijk worden. Ze is eraan voor de moeite, want de piepjonge leden van Adult Jazz blijken gewoon kinderen van hun tijd. We horen vooral véél Alt-J, de ogenschijnlijk lukrake breaks waar James Blake zo graag mee uitpakt, wat Dodosritmes die School Is Cool nog ergens was vergeten op te pikken en de faux-R&B van Oscar & The Wolf. Niets dat u niet van de helft van het Rock Rallydeelnemersveld van afgelopen jaar kon krijgen, dus. Een eigen smoel dringt zich op voor dit groepje, het zelfvertrouwen was duidelijk wel al aanwezig.

Wat we dus missen op zo’n moment: het oer-Engelse volksspel Pucket dat we hier dit jaar konden spelen als de verveling even toesloeg. Maar dat zorgt ook voor verrassingen. Wordt Lau op de Garden Stage — de mooiste festivalwei ter wereld, hadden we dat misschien al gezegd? — aanvankelijk nog onthaald met een schamper “Oh kijk: een Dranoutermomentje”, dan snoeren de hondspopulaire folkbritten (mvs) na nauwelijks vijf minuten de mond. Het trio haalt met delicate vingers de bezwerendste melodieën uit gitaar, accordeon, piano en viool. Zang is vaak niet eens nodig; lyrisch is het zo al wel. Misschien toch nog maar eens naar Dranouter afzakken. Als Ozark Henry eens niet op de affiche staat, of zo.

Zullen we anders eens iets geks doen, en de Comedy Stage die we vorig jaar niet vonden uitchecken? Hell yeah. En diep verscholen in een bos, onderaan een humusrijke helling, botsen we er dan toch op. Helaas blijkt daar niet de geplande Waalse landgenoot Eric Lampaert aan te treden, maar niet getreurd; de loopstationcomedy (als het nog geen genre was, dan nu wel) van Ryan Coffey en ook de erg homoseksuele Tom Allen blijken waardige vervangers. (lt) verbiedt ons altijd moppen na te vertellen, dus neem het van ons aan of google die mannen even. Gewoon, omdat het kan.

Ach, misschien houdt (lt) wel niet van humor, want zij is het al even afgetrapt. We vinden haar terug bij Sweet Baboo, die nochtans ook niet vies is van een mopje hier en daar (een Kapaza-advertentie voor een mobilhome op muziek gezet? Yep). Hij schrijft liedjes die gezellig dicht bij Herman Düne en Belle & Sebastian gelegen hebben, en cheesy titels dragen als “The Morse Code For Love Is Beep Beep Beep Beep And The Binary Code Is One One” (dat is meteen ook zo goed als de hele tekst). Op plaat horen daar veel blazers bij, maar hier opteert Stephen Black — na zijn uren bassist bij Cate Le Bon — voor een simpele gitaar-bas-drumaanpak. Dat valt tegen, want daardoor krijgt zijn ongecontroleerde zang alle aandacht, en die gaat na een nummer of vijf vooral heel erg vervelen, alle nerdy lolligheden (inclusief grapjes over bibliotheeksystemen) ten spijt.

Gek. Zo voelt het om in de Big Top Tent even later te staren naar een exacte kopie van John Lennon, enkele jaren voor zijn dood. Zelfs al betreft het slechts zijn zoon Sean en zijn godsgruwelijke The Ghost Of A Saber Tooth Tiger, het voelt even bijzonder aan. Gelukkig dat ’s mans licht psychedelische pop op zijn Beatles zo verschrikkelijk slecht is, en de heen-en-weertjes met vriendinnetje-cum-model-cum-gitariste Charlotte Kemp Muhl zo slaapverwekkend dat we al snel uit dat soort al te betoverde toestanden worden gehaald. Het klinkt belegen en gedateerd en vooral als iets wat The Fab Four in hun slaap nog niet hadden durven schrijven, en we bedenken: een vadermoord plegen is een pak moeilijker als een ander dat al voor jou heeft gedaan.

Ander? Beter? Snel graag! Op The Woods Stage vinden we St. Paul And The Broken Bones. De heilige waarvan sprake ziet er uit als de bankbediende van uw lokale dorpsfiliaal, maar beschikt over een stevig stel longen waarmee hij Charles Bradley naar de kroon steekt. Het is retrosoul van een goed jaar — in het geval van de Otis Reddingversie van “Try A Little Tenderness” is dat 1967 — dat hij brengt; niets nieuws, maar het wordt overtuigend en met kunde gebracht. Zelfs al lijkt het door de knieën gaan een beetje getelefoneerd, de titel van Screaming Eagle Of Loan Deposits kan St. Paul al niet meer ontzegd worden.

Ontgoochelingetje: Cate Le Bon. Onze stappenteller indiceert ondertussen dat we alweer bij The Garden Stage zijn aanbeland, maar op dit stemmige — we doen daar wat te weinig enthousiast over, niet? — podium speelt de chanteuse teveel op force om echt te overtuigen. Het nochtans bloedmooie “Are You With Me Now?” wordt hier afgeraffeld (“ryewmenow”, zo klinkt het refrein ongeveer, en dat is níet omdat mevrouw uit Wales komt), en van het klaterende gitaarspel van de plaatversie rest enkel een drammerige schim. Perfume Genius, die niet geheel toevallig in de buurt is, mag komen meedoen op “I Wish I Knew”, maar het duo staat er zo apathisch bij, dat wij er ook geen zin meer in hebben.

Opnieuw naar de Big Top Tent dan maar (hop, stappenteller, hop!), maar de snedige postpunk van Eagulls die we daar geserveerd krijgen, mankeert ook al iets. De razende baslijnen die aan Joy Divisionvoorloper Warsaw doen denken zullen het niet zijn, de gedrevenheid waarmee de groep zich doorheen zijn prille oeuvre ploegt ook niet. Maar we horen géén songs, en we hebben moeite om frontman George Mitchell, die helaas getooid is met een prachtige upper class twitsnoet, te geloven. Posh punk? Misschien is het een genre, maar alvast niet het onze.

Maakt daarentegen nog geen beetje indruk: Hookworms. Met een stevige motorik-beat als voornaamste wapen, trekt de groep ten aanval en vindt daarbij het oeuvre van Can en Neu opnieuw uit. Het vocale randje waanzin dat daarbij komt kijken geeft een extra cachet, het effect is hypnotiserend. Dit is dronerock van de bovenste plank, die vooral doet uitkijken naar een nieuwe plaat die er dit najaar aankomt.

Mondvol als naam, bullshit als muziek: de groepsleden van Unknown Mortal Orchestra hebben duidelijk niet afgesproken met welk nummer wordt begonnen en elk speelt dan maar een ander. Ondertussen zit gitarist Ruban Nielson Johnny Marr te bestelen alsof daar geen doodstraffen op staan, en zingt ook weer zo vals dat we in Wayne Coynes plaats alvast een beetje opgelucht zijn: slechter kan ie ’t er straks met The Flaming Lips niet van af brengen. Wanneer hij in “How Can You Luv Me” uithaalt, vragen we ons zelfs vertwijfeld af of dit een grap is, maar het wordt er niet veel beter op. Een tweetal nummers verder vinden de muzikanten elkaar al wat meer en spelen ze al eens hetzelfde nummer, maar dat blijkt dan niet veel soeps. We krabbelen nog snel iets als “Tame Impala zonder wietwolk” in ons boekje en haasten ons naar de headliner der headliners van dit weekend.

Van de hermetische trip van de laatste concertreeksen is op End Of The Road immers niet veel meer te merken: The Flaming Lips bedankt voor de topspot op de affiche met een festivalset die zelfs de grootste ongelovigen bekeert. We zien voormalige medewerkster (mlv) ter plaatse van haar paard vallen en pinken een traan weg.

Natuurlijk is er immers die confetti, al tijdens opener “The Abandoned Hospital Ship”. Ze wordt door de sterkte wind bijna het podium op geblazen — niet de bedoeling — en Wayne Coyne, uitgedost in een strakke bodysuit met een tekening van het menselijk lichaam, grapt “my balls are fucking freezing off”. Gelukkig is er de warmte van de opblaasvlinders en dito zonnetje die hem op het podium vergezellen voor “She Don’t Use Jelly”. Welkom bij The Flaming Lips, waar chaos en kleur hand in hand gaan.

Wat volgt is een set die zin voor spektakel verbindt met de kwetsbare psychedelica van “In The Morning The Magicians”; met een theatraal klank- en lichtspel krijg je zelfs abstracte krautrock als “Look… The Sun Is Rising” of het fragiele “Feeling Yourself Disintegrate” verkocht, zo zal ook later blijken. En zie: zelfs “The Golden Path”, een samenwerking met Chemical Brothers van weleer, wordt nog eens bovengehaald. Maar natuurlijk zijn het de hits die van dit optreden opnieuw een levensbevestigende affaire maken. “Yoshimi Battles The Pink Robots” is een meezingmomentje, “Race For The Prize” ontploft zoals het al even niet meer heeft gedaan; een orkestrale zeepbel die maar niet wil barsten. Uiteindelijk zal “A Spoonfull Weighs A Ton” de set eindigen met een geloopt “Love”.

Hier roept men niet om bis maar om liefde. Minutenlang wordt dat ene woord gescandeerd, tot de groep “Do You Realize??” inzet en we bijna worden doodgeknuffeld door wat er uitziet als The Thirtheenth Duke Of Wynbury (Me? At a Flaming Lips concert? With my reputation?). “We’re all one family”, lalt de ouderling in ons oor, en het is waar, maar dan zal hij toch met de rol van zatte nonkel moeten instemmen, bedenken we terwijl op het podium een wonder gebeurt. Meer dan veertig jaar na de creatie ervan slagen Wayne Coyne en groep er immers in om van Beatlesklassieker “Lucy In The Sky With Diamonds” een feestelijk orgelpunt te maken. Nog één keer mag er confetti zijn, ze is zilver deze keer, en ze bereikt ons weer niet. Het is niet erg. Flaming Lips hebben het leven weer maar eens zin gegeven.

En zo zweven we de nacht in. Er wordt nog even aangelopen in de Tipi Tent waar nog wat verrassingsoptredens zijn aangekondigd, maar we zitten er, nu, tout de suite, niet op te wachten. We drukken (mlv) nog even ontroerd in de armen nu ze lid is van de familie, mengen nog wat rum door het ginger beer, en zoeken ons nest op, waar de luchtmatras alweer kapot blijkt. Volgend jaar kopen we er een van teflon.

Zondag 31 augustus

Laatste dag, mooiste dag. Eindelijk schijnt de zon, en we besluiten meteen enkele oude vrienden van vorig jaar op te zoeken. Want dat End Of The Road een aardig nevenprogramma heeft, is ook één van de charmes van dit festival.

Schuiven we dus goedmoedig weer voor aan na een oer-Britse bacon-and-eggs-sandwich: de Ringo Music Bingo, met als tagline “it’s Bingo, but instead of numbers it’s names of bands”. Nog steeds is het niet meer dan een half uurtje idioot entertainment, een reden voor de Ierse komiek Ronan Leonard om wat flauwe moppen te tappen waarvan vooral die over de rondreizende begrafenisondernemers ons zal bijblijven. De Travelling Will-burry’s. Hebt-u-hem? Ha!

Eventjes naar adem happen bij Cold Specks dat ontieglijk vroeg een briljante set aflevert. Wat is deze zangeres gegroeid als frontvrouw, wat een straffe plaat heeft ze met Neuroplasticity alweer gemaakt. Met een gouden masker voor haar gezicht, en die stem — dié. stém. — houdt ze een zonovergoten weide met gemak in bedwang. Bezwerende songs als “Hector” en “Bodies At Bay” kerven door merg en been, de a capella gezongen afsluiter doet haartjes rechtstaan waar we het bestaan niet eens van vermoedden. Eén van de hoogtepunten van het weekend, en een naam om in de gaten te houden, want het zou ons verbazen als Cold Specks hiermee haar piek heeft bereikt.

Dubbele ontgoocheling daarna. Uw verslaggevers arriveren een stuk te vroeg terug bij de Piano Stage en vallen in een secret gig van het zo kleine Laish dat we twee nummers lang denken dat enkele festivalgangers even hun kunnen tonen, tot ons daagt dat het kwartetje hier eergisteren al echt optrad. Geen van de songs kan echter overtuigen, en het gaat van kwaad naar erger wanneer de Where Is My Mind?-muziekquiz waarvoor we afzakten begint. Gastheer Charlie Ivens blijkt vandaag in een rothumeur te zijn, de vragen zo verschrikkelijk moeilijk dat er zelfs voor deze verwoede quizzers geen lol aan is. Ontgoocheld wordt er afgedropen.

Kunnen we zo nog meepikken: een flard John Cooper Clarke. Denk: de Britse Jules Deelder, maar dan punk in plaats van beat. De man weet hoe een gedicht te brengen, en gooit een bomvolle tent ten afscheid “I Wanna Be Yours” toe; een gedicht dat Arctic Monkeys afgelopen jaar op AM tot een nummer smeedden. We hadden hier meer van willen zien.

In de plaats daarvan krijgen we in de Woods Deer Tick, en zoals een vriendelijke mede-Belg opmerkt: dat is Kings Of Leon voor alternatievelingen. Dat klinkt gelukkig véél erger dan het is: in tegenstelling tot de Leonnekes staan deze heren erg graag op een podium, en dat willen ze aan alle luierende festivalgangers en duttende kinderen laten zien. Frontman John McCauley schreeuwt zich met veel spierballengerol door zijn songs, die los uit een luidruchtige, ouderwetse Amerikaanse bar geplukt lijken, terwijl het enthousiasme van zijn bandleden een genot is om naar te kijken en in bluesrockers als “Easy” als vanzelf tot meestampen leidt. Even goed durft McCauley zijn zachte kant te laten zien, en dat zijn misschien wel de meest memorabele stukken van deze set: krijgt het slowende koppel op de eerste rij het tijdens “Dirty Dishes” nog moeilijk wanneer de band alsnog losbarst voor een scheurende finale, dan is de samenzang van “Ashamed” van op debuut War Elephant gewoon ongegeneerd mooi. Followills, zò kan het dus ook.

Oer-Britse legendes op het podium: Radiophonic Workshop. Gegroeid uit het befaamde BBC-atelier met dezelfde naam staat hier een groep zestigjarige geluidstovenaars met pretoogjes op het podium. Dit zijn de mensen die de tunes en geluidseffecten bedachten voor het originele Doctor Who of The Hitchhiker’s Guide To The Galaxy, en daarvoor de nieuwste technieken aanwendden en de gekste zaken durfden combineren. Het is een gimmick met een nostalgisch kantje, alsof het voormalige BRT-orkest de generiekmuziekjes van Mik Mak En Mon of Kapitein Zeppos nog eens zouden opvoeren.

Maar het loutere spelplezier is aanstekelijk. De BBC Radiophonic Workshop was altijd al een speeltuin voor volwassenen muzikanten, dat blijkt ook vandaag op het podium. Orkestleider Dick Mills — zijn laboratoriumjasje spelt guitig “The Original Sonic Solution” — mag dan richting tachtig gaan, de olijkheid waarmee hij de boel aan elkaar praat, is charmant. En er wordt ook nieuw materiaal afgeleverd, van een plaat die er aan zit te komen. Het blijft in dezelfde elektronische sciencefiction uit de jaren zeventigsfeer zitten, maar dat mag ook: deze heren zijn er verantwoordelijk voor dat dit geluid voor immer met ruimteschepen en sterrenbeelden zal verbonden zijn. Hoogtepunt wordt uiteindelijk een stukje Hitchhiker’s Guide, waarin de muziek overschaduwd wordt door de briljante scene die geprojecteerd wordt. Het is niet erg; zo was het ook altijd bedoeld. Een muzikaal hoogtepunt hoeven we het niet te noemen, maar bijzonder was het wel, zo zal elke Brit van boven de veertig u ongetwijfeld bevestigen.

Al even uniek en bijzonder: de immer fluorescerend uitgedoste Merrill Garbus. Nog steeds valt tUnE-yArDsimmers met niets anders te vergelijken. Vergezeld van een bassist, een extra drumster en twee backing vocalistes weeft ze ritmische tapijten op haar drumset, haalt ze uit met het soort kreten dat zij en zij alleen kan maken, en loopt ze haar ukelele tot het instrument een eigen leven gaat leiden. “Stop That Man”, waarin de achtergrondzangeressen plots naar voren stappen voor een woordeloze schreeuw, is een klein hoogtepuntje en de twijfel dringt zich op: uitkijken, of toch maar vertrekken naar Richard Thompson?

Het wordt uiteindelijk een beetje van beide. De oude bard is al een paar songs ver in de set, wanneer we de wei voor The Garden Stage opwandelen, en vooral ook in vorm. Zijn fingerpicking is stevig, zijn songs staan ook in de akoestische versies waarmee hij momenteel toert als een huis. “Dry My Tears And Move On” is bloedmooi, zelfs al hoor je dat de stem van de vijfenzestigjarige over zijn hoogtepunt heen is; de kwetsbaarheid ontroert nog meer. Tevreden stelt Thompson en passant vast dat hij voor het eerst in lang nog eens in de top tien van de albumcharts is beland; “niet slecht voor een folkrockdinosaurus”, grijnst hij, en hij bedankt met een potig “I Want To See The Bright Lights Tonight”. The Rails — zijn dochter en schoonzoon — mogen er tot slot nog bijkomen voor een nummer over de huidige crisis dat binnenkort op een gezamenlijke plaat moet terecht komen. “They’re still throwing dust in our eyes”, waarschuwt hij, maar wij luisteren niet en trekken het gevaar tegemoet.

Want wat een contrast meteen. Yo La Tengo mag dan immers het grote podium van End Of The Road hebben ingenomen, veel compromissen worden er niet gemaakt. Zoals het trio al dertig jaar stug alles wat naar mainstream ruikt weet te ontwijken, zo koppig zoekt het ook vandaag de uitersten van zijn geluid op. Van een loeiharde openingspunch gaat het naar uiterst stil met “Big Day Coming” waarvoor drumster Georgia Hubley een microfoon vooraan opzoekt en “The Summer” dat door het trio ingehouden samen wordt gezongen. Achter ons gaat het gesprek rustig verder (alles voorts OK met vrouw en kinderen, John uit Birmingham?), maar verder kun je op de weide een speld horen vallen. Nog nooit hebben we een festivalpubliek zo respectvol stil weten zijn, en Yo La Tengo bedankt in stijl: door vanaf een stevig naar Pavement en Dinosaur Jr. neigend “Tom Courtenay” de volumeknop opnieuw naar rechts te draaien.

Krijgen we in dat laatste kwartier: een opgefokt “Ohm” dat episch wordt gerekt. Ira Kaplan zwiert zijn gitaar in het rond, laat de feedback lustig galmen, en volgt uiteindelijk op met de al even lawaaierige Beach Boyscover “Little Honda”. En toch is het laatste woord aan de stilte. Afscheid “Our Way To Fall” wordt zo ingetogen gebracht dat het geluid vanuit The Big Top Tent interfereert; het moet een primeur zijn dat een hoofdpodium van het festival overstemd wordt. Eigenzinnig bandje.

Pauze. Dikke-truien-halen-in-de-tent. En dus valt uw team enola slechts binnen in de Big Top tijdens de laatste nummers van The Felice Brothers‘ set. Dat de dramatische countryfolk van de groep er in gaat als zoete koek, is alvast duidelijk. “Penn Station” wordt oorverdovend meegebruld op verzoek van de groep; de sfeer zit er nog geen beetje in. Ja, ’t is zo hard cowboymuziek dat er al eens een ouderwets wasbord bij komt kijken, maar Jezus wat een feest is dit. Het mag dan niet vernieuwend zijn, het heeft een brandend vuur als ziel, en het mag dan ook geen wonder heten dat de afgeladen tent de groep niet laat vertrekken zonder bisnummer. Een opzwepend “Frankie’s Gun!” volgt als een eclatant uitroepteken. Hebben wij hier even het feestje van het festival gepartycrasht.

Brult (mvs) vervolgens richting Woods Stage: “Laatste kans, jongens!”. Da’s nu immers al twee keer dat we Wild Beasts probeerden, maar net als op plaat werden we ook op het podium nog nooit overtuigd door het Britse viertal. Niettemin staat de groep hier als headliner, al is dat niet ongecontesteerd bij het soms al te conservatieve End Of The Roadpubliek. Het kwartet antwoordt echter met een openingszet die ronduit straf is.

Alsof de weidse klank van deze band altijd al om deze winderigheid heeft gesmeekt, klinkt opener “Mecca” plots zoals het altijd bedoeld is. Dat de stem van Tom Fleming dankzij het glasheldere geluid ook perfect tot zijn recht komt, maakt de ervaring compleet. “The Devil’s Crayon” trekt het ritme wat op, en even denk je dat dit hét moment van Wild Beasts kan worden. De band verknalt het zelf echter even met een middenstuk waarin de eeuwige falset gaat vervelen, en het niet meer wordt dan een arty farty Coldplay met een voorliefde voor eightiesgeluidjes.

Het is uiteindelijk pas bij de bisnummers dat het viertal de overwinning op punten beetpakt. “Don’t confuse me with someone who gives a fuck” bijt Fleming in “Wanderlust”, en het punt is genoteerd. We moeten dringend voor de zoveelste keer toch nog maar eens een plaat van Wild Beasts proberen. Iets heeft geklikt.

En zo eindigt een End Of The Road dat niet de sterkste affiche had, maar dat je zo dwong tot ontdekken. Het is half twaalf geworden, de verrassingsoptredens vanavond zijn niet van The Felice Brothers en dus laten we ze liever passeren. Het is koud geworden ook. Ach, we zeggen het liever zoals het is: u rijdt er te lang voor, er waait te veel wind, en het Britse bier is ook al zo hard niet te drinken dat de enige aanvaardbare pils Duits is. Negeer dit festival dus maar. We houden dit liever voor onszelf, dit End Of The Road. Hartje.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in