Spider

Nadat David Cronenberg zich met één voet opnieuw in de wereld van Videodrome waagde met eXistenZ, gingen er behoorlijk wat stemmen op die beweerden dat de regisseur toch een stap achteruit had gezet. eXistenZ was leuk, daar niet van, maar dat soort film had hij 25 jaar eerder óók al gemaakt, en toen was hij beter. Cronenberg legde zijn critici echter overtuigend het zwijgen op met Spider, opnieuw het soort eigenzinnige literatuurverfilming waar hij zich met Naked Lunch en Crash al in gespecialiseerd had. Om de moeilijke, veelgelaagde roman van Patrick McGrath te verfilmen, liet Cronenberg zijn eigen salaris vallen en nam hij genoegen met een budget van slechts 8 miljoen dollar (ter vergelijking: eXistenZ had er 31 miljoen gekost). Het resultaat werd een van zijn meest positief onthaalde films.

Ralph Fiennes speelt de hoofdrol als Dennis “Spider” Cleg, die net is vrijgelaten uit een psychiatrische instelling en nu tijdelijk terecht kan in het transithuis van Mrs. Wilkinson (Lynn Redgrave). We ontmoeten hem als een verfomfaaide figuur, met rottende tanden en vingers die geel zien van de nicotine, die constant onverstaanbare woorden voor zich uit mompelt en met niemand contact kan leggen. Hij krabbelt voortdurend betekenisloze tekens in een notaboekje. Spiders schijnbaar doelloze wandelingen door de achtergestelde buurten van Londen voeren hem terug naar de plek waar hij zijn kindertijd doorbracht en via flash-backs komen we meer van hem te weten. Zo ontdekken we dat zijn vader (Gabriel Byrne) zijn moeder (Miranda Richardson) vermoordde om te kunnen samenhokken met zijn minnares (opnieuw Miranda Richardson, in een opmerkelijke dubbelrol). Die familiegeschiedenis lijkt te verklaren waarom Spider in de psychiatrie verzeild raakte, maar langzaam maar zeker blijkt dat Spiders geheugen niet bijster betrouwbaar is.

In zekere zin zou je een directe lijn kunnen trekken tussen Spider en Christopher Nolans in hetzelfde jaar uitgebracht Memento. In beide gevallen gaat het immers om een bizar soort detetective-verhaal, waarin de detective zich, door een psychologisch trauma, zijn eigen verleden niet kan herinneren, en probeert om het verleden te reconstrueren. In Memento leed Guy Pierce aan geheugenverlies, hier lijdt Ralph Fiennes aan een vorm van schizofrenie, maar de taak die ze zichzelf hebben gesteld, is eigenlijk dezelfde: te weten komen wat er met hen is gebeurd en wie er voor verantwoordelijk is. Waar Nolan echter een gimmicky twist bood op de film noir, kiest Cronenberg voor een psychologisch drama, dat even veel dubbele bodems bevat.

De hele film en alles wat je ziet, is een expressie van Spiders psyche, wat belangrijk is om de film correct te interpreteren. In het eerste shot zien we Spider van een trein stappen in Londen – de enige keer dat we tekenen van moderniteit zien: de trein zelf en de kleren van de figuranten suggereren dat we ons ergens in de late jaren tachtig, vroege jaren negentig bevinden. Maar dan trekt Spider er op zijn eentje op uit om het transithuis te zoeken en plotseling verdwijnen alle figuranten: er loopt niemand op straat en er staan ook geen auto’s. Het huis van Mrs. Wilkinson zelf lijkt in een time warp uit de jaren vijftig te bestaan: alles is oud en vermolmd, er zijn geen moderne elektronische apparaten te zien. Zelfs de kleren die Mrs. Wilkinson en de andere bewoners van het huis dragen, zijn bewust ouderwets – we zien de wereld door Spiders ogen, en zijn referentiekader is duidelijk niet meer geëvolueerd sinds zijn kindertijd in de late jaren vijftig.

Spider is vrijwel volledig opgetrokken uit dit soort visuele hints, die subtiel aangeven hoe we de film moeten bekijken. Het is wellicht Cronenbergs minst verbale film: Spider zelf heeft met moeite twee regels verstaanbare tekst en ook de dialogen tussen de andere personages zijn niet de plek waar je de betekenis van de film moet gaan zoeken. In dat opzicht is het een van zijn meest cinematische films: alle relevante informatie zit in de shots zelf: hoe een personage in beeld wordt gebracht, wie er aanwezig is in een scène en wie niet, welke personages fysiek lijken op een ander enzovoort. De voornaamste metafoor is ook een louter visuele: als kind zien we de jonge Spider met touw een uitgebreid spinnenweb in zijn kamer spannen. Als volwassen man zit hij, symbolisch, nog altijd gevangen in het web dat hij als jongen zelf heeft geconstrueerd.

De regisseur zelf heeft vaak parallellen getrokken tussen zijn film en het werk van Beckett; niet alleen werd het uiterlijk van Spider zelf gebaseerd op dat van de toneelauteur, maar ook is er het concept dat taal uiteindelijk te kort schiet – een idee dat in verschillende stukken van Beckett terugkeert – en bepaalde thematische echo’s van zijn eenakter Krapp’s Last Tape (het compulsieve terugblikken op het verleden en hoe een mens omgaat met zijn eigen, jongere zelf).

Dat alles zorgt voor een complexe film met verschillende betekenislagen, die absoluut beter wordt bij meerdere kijkbeurten. Ralph Fiennes was zelden beter dan hier: hij krijgt de weinig benijdenswaardige opdracht om een rol te spelen waarin hij volledig in zichzelf gekeerd is, zo goed als non-verbaal. Hij heeft niets om mee te werken om contact te leggen met het publiek, maar toch brengt hij Spider geloofwaardig, zelfs meelijwekkend tot leven. Miranda Richardson is bijzonder sterk in haar dubbelrol als moeder/hoer – veel mensen hadden na een eerste visie zelfs niet door dat zij de twee rollen speelde – terwijl Gabriel Byrne zichtbaar moeite heeft om de juiste toon te vinden voor zijn personage, dat half werkelijkheid is, en half een projectie van de volwassen Spider op zijn eigen kindertijd.

Spider is doorwrochten cinema, voorzien van een kille, koude sfeer die typisch is voor Cronenberg. Het kan moeilijk zijn om je weg te vinden in de onrustwekkende geest van Spider – dat vindt hij zelf ook – maar het is zwaar de moeite om toch aan de reis te beginnen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in