WERCHTER 2014 :: Live en direct!

Aaaaah, Rock Werchter. Een dorpje vol Herashekken, luide Nederlanders en — om de drie jaar dan toch — brede mannen in Metallica-shirts. De traditie wil ook dat het publiek op de eerste dag en masse klapspelletjes houdt aan de inkom, waar het steevast flink aanschuiven is. De weide is wat groter, maar ziet er toch opnieuw net hetzelfde uit als vorig jaar. ”A sort of homecoming”, zong Bono hier ondertussen bijna eeuwen geleden al en soms geven we de man met plezier gelijk

U ligt met zijn allen schaduw te hamsteren onder de twintig bomen, in The Barn jengelt Bombay Bicycle Club een eind weg en in Klub C horen we de Daptone Super Soul Revue een meer dan verdienstelijke cover van “Family Affair” spelen. De zon brandt, we bestellen een eerste friet en pint en gaan van op veilige afstand Miles Kane bekijken. Die is intussen als een glamversie van Kaiser Chiefs op zowat elk zomerfestival present om in de late namiddag de handjes op elkaar te krijgen. Hij doet dat met veel pose, een swingende cover van “Sympathy For The Devil”, een hoop complimentjes voor het publiek (“Beautiful people of Belgium!”) en een lichtjes belachelijke outfit. Gelukkig heeft hij ook een schare topmuzikanten bij en topsongs als “Come Closer”, “Give Up” en “Don’t Forget Who You Are”. Leuk, pittig, maar ook een beetje een tweedehands Arctic Monkeys. Misschien toch eens proberen om The Last Shadow Puppets weer wakker te krijgen, Miles!

Dat het snel gaat voor London Grammar. Van 200 toeschouwers in de Witloofbar vier maanden geleden naar meer dan 10.000 in en rond de Klub C die er echt wilden bij zijn: dat mag je snel noemen. “It’s like a million degrees in here!”, puft zangeres Hannah Reid, maar gelukkig blijft haar stem ijzig precies, alsof ze in een aircogekoelde capsule staat en de rest van de tent er als een horloge van Dali bij hangt. De sfeervolle en vaak minimalistische muziek worden door multi-
instrumentalist Dot Mayor voor het festivalcircuit gevoelig aangedikt en bij de outro van “Flickers” lijkt het zelfs alsof Skrillex even komt meedoen. Single “Strong” krijgt de zweterige handen het hardst op elkaar. Het zijn de betere songs van het enige album If You Wait die ook hier het best uit te verf komen. Een goed tussenrapport van meester (jp) dus, in afwachting van meer songmateriaal om uit te putten.

(mvm) geraalt echtert de tent niet meer in. Net buiten de tent klinkt de mix van The xx en Florence and the Machine in weinig spectaculair, dus trekt hij naar The Barn, waar Robert Plant and His Sensational Shapeshifers spelen voor een publiek van gezegender leeftijd dan elders. Plant begroet ons met een pittige cover van Joan Baez’ “Babe, I’m Gonna Leave You” en verbouwt op hoogst bijzondere wijze werk van zijn oude band — Led Zeppelin, u heeft er mogelijk al eens van gehoord — tot nieuw, wereldmuziekerige werkstukken. Zo start “Black Dog” diep in de Bajou om te eindigen in West-Afrika, wordt “Going To California” een vreemdsoortige kleinkunstblues en heeft het nieuwe “Rainbow” nogal dicht tegen iets uit de Motown-stal gelegen — “Fire”, gokken we zo tussen twee pinten en Metallica in. Het boeit en Plant heeft overduidelijk een rotgetalenteerde groep muzikanten bij, maar lijkt hier niettemin toch wat miscast.

Dan liever de wederom legendarische Damon Albarn: hij zorgde vorig jaar met Blur voor mogelijk het allerbeste Werchterconcert ooit en bracht dit jaar met Everyday Robots allicht het album van het jaar uit. Dat we dus wat verwachten van dit concert is een understatement van het kaliber “Er zouden zaterdag wel eens weinig Belgen naar Triggerfinger kunnen staan kijken”. Albarn en zijn uiterst getalenteerde Heavy Seas lossen die verwachtingen echter met de vinger in de neus en op hoogst professionele wijze in. Rustig starten met twee enthousiast onthaalde nieuwe songs (“Lonely Press Play” en “Everyday Robots”) om dan het dubfeestje verder te zetten met enkele Gorillaz-klassiekers en lichtjes herwerkt (en onterecht wat tussen de plooien geraakt) werk van The Good, The Bad & The Queen. “Kingdom Of Doom” wordt een onverwacht hoogtepunt, Albarn grijnst breed een zet “Something romantic” in: “Poison” van Rocket Juice & The Moon, zijn minst geslaagde niet-Blur-project. Klub C eet uit Albarns hand: nieuwe songs als “Photographs (You Are Taking Now)” en “Hollow Ponds” worden al van bij de eerste noten juichend meegezongen, waarop Albarn er zowaar een solo aan de piano gebracht “Out Of Time” tegenaan smijt en een b-kantje van Blur als oude vriend wordt verwelkomd. Euforie en verafgoding alom en dan moet “Clint Eastwood” nog komen, waarvoor heel Klub C als een waanzinnige aan het bouncen slaagt. Hier en daar begeeft een tikker het net niet wanneer er dan ook nog een klein volksfeest ontstaat tijdens “Mr. Tembo” en “Heavy Seas Of Love”. Topconcert! Topartiest! Verbazend ook hoe goed al die songs uit maar liefst vijf verschillende Albarn-bands/-gedaanten/-projecten zo perfect in een setlist bijeen passen. Dat Albarn maar snel in de AB met dezelfde band tweemaal zo lang komt spelen.

En dan moet (mvm) even gaan liggen alvorens hij Metallica met een bezoekje vereert. Eerste vastelling: geen vuurwerk ditmaal. Geen vuurwerk! Metallica! Niks, niente, nada, zelfs geen bommetjes in de intro van “One” of als de intro van “Enter Sandman” helemaal openbarst! Niets! Wel gigantische schermen en lasers en nogal discogekleurd licht. Mocht er niet zo waanzinnig snel op de snaren getokkeld worden, het zou U2 kunnen zijn. Tweede vaststelling: als Metallica aan haar publiek vraagt om een setlist samen te stellen, negeert dat publiek als dank voor het vertrouwen hun output van de laatste 20 jaar to-taal — op cover “Whiskey In The Jar” en een onverklaarbaar “Day That Never Comes” na. Werchter, what were you thinking? Vijfmaal The Black Album en telkens drie grote metalklassiekers uit Master Of Puppets, Ride The Lightning en …And Justice For All. Volgens ons levert het alvast een nagenoeg perfecte setlist op, al hadden “Orion”, “Ride The Lightning” en “Disposable Heroes” er ook wel bij gemogen in ruil voor alles na 1992. Vaststelling drie: Metallica is oud geworden. Hetfield ziet er tegenwoordig uit als een uit Sons Of Anarchy weggelopen biker boss op rust. Vaststelling vier: Hetfield mag er dan wel zo uitzien, hij is wel een heuse family man geworden, want hij maant een fan die “fuck” zegt aan op zijn taal te letten (“My children are here”) en verandert tijdens “One” de zinsnede “Cut this life off from me” in “Cut this shit off me”. Born again, James? Vaststelling vijf: voor een bende oude mannen weet Metallica nog verdomd snedige speed metal te spelen. Vooral Kirk Hammett staat — ondanks een reuma-verband aan zijn rechterhand — verbazend scherp. Dus: wij blij. Of toch tijdens het tweede deel van de set, wannneer we een plekje met draaglijk geluid gevonden hebben en Lars Ulrich, naast snel, ook in de maat op zijn drums begint te hengsten. Spannend en gevaarlijk wordt Metallica niet meer, maar zonder veel problemen twee uur lang topmetal vol doom, nihilisme, angst en verderf spelen en na een woest “Seek And Destroy” nog een kwartier lang breed glimlachend over het podium wandelen en volop happy vibes naar het publiek uitstralen: faut le faire.

Warpaint vs. Metallica: het is een ongelijke strijd waar meer dan wat verf voor nodig is. Warpaint, is een soort Haim voor gevorderden en dat maakt het zelfs voor de ontdekker die hen een eerlijke kans wil geven ook niet meteen gemakkelijker. Maar kijk: wie volhardt, vloeit mee in de roes die perfect bij dit nachtelijke sfeertje past. Het zijn vier vrouwen, twee platen, het is luid, het galmt, het is alles behalve een voor de hand liggende afsluiter. En net daarom was het de perfecte afsluiter van The Barn. Bij “Disco//Very” — elektrische drums, zware bas — mag, moet, wordt er gedanst en zonder er voor te moeten sms’en is “Elephants” een knapp afsluiter.

En als het dan toch zo laat is, kan (mvm) evengoed met een colaatje in de hand de komst van dubstepgod (mond spoelen, sorry Burial) Skrillex afwachten, terwijl de weide al stevig leegloopt. De set begint met een aftelklokje en een interessant klanktapijtje dat ergens tussen ambient en agressieve industrial techno zweeft zoals — dachten we toch — enkel Aphex Twin dat kan. Vervolgens horen we een interessant tweede intromuziekje, maar dan smijt Skrillex vijf registers aan kermisbliepjes en MRI-scans te veel open en is ons colaatje op. Sonny John Moore staat als een hyperactieve kleuter heen en weer te springen in iets futurisch, brult af en toe wat in een microfoon en doet helemaal niet zijn best om te verbergen dat de muziek op tape staat. Ooit zal weer een nieuwe generatie ook dit als een soort hoempapa voor bejaarden zien, maar na de eerste drop (hebben we dat toch ook maar weer gehad) duiken we de nacht in. Zelfs van ver is nog te horen dat er verdomd slimme vondsten tussen de chaos van “Make It Bun Dem” en “Equinox” zitten. “Een beetje minder suiker consumeren en dat komt nog goed met Skrillex”, denken we nog net voordat we de auto starten, Automatic For The People begint te spelen en Skrillex snel vergeten is. R.E.M., zou dat geen groepje voor Rock Werchter zijn?


Dag Twee

Werchter, Dag Dos. Dat verbrande schouders en nek ondertussen tot festivaluniform behoren, nemen we er graag bij. De bloedhete weide is ondertussen een plek geworden waar schaduw is uitgegroeid tot waardevolle valuta. Waar ook af en toe eens het woord ‘voetbal’ valt. Maar waar er er vooral ook nog een stevige noot muziek te horen is.

Nog voor we de wei kunnen betreden, ligt de planning al overhoop. Coely moet verstek geven na een blindedarmoperatie, en ook Puggy stuurt zijn kat. De rauwe keelklanken van George Ezra zijn zo het eerste wat we te horen krijgen. “Hij ziet er minder zwart uit dan ik dacht. En jonger ook.” De waarheid komt uit een nuchtere Werchtermond: Ezra is gewoon een frisse Britse jongeman met schuurpapier in de keel. Een singer-songwriter die met “Budapest” een singeltje had dat u wellicht al eens hoorde passeren, en dat klinkt ook live best aardig, maar memorabel is het zeker niet. Tijdens het “oh oh oooh”en van “Cassy O” horen we dat The 1975 naar een later uur is geduwd. Toch maar eens gaan kijken of ook toeschouwers buiten de beoogde tienerdoelgroep dat dit jaar kunnen smaken? Ezra speelt z’n single, en de tent loopt rustig leeg. Wij volgen gedwee.

Nog een kwartier krijgen we te zien van posterboy Matthew Healy en band. En wat kijkt’ie toch getormenteerd. Echoënd over de wei (serieus, hoeveel galm kun je op zo’n stem zetten?) verdrinkt de poprock van The 1975 in het geeuwen van een nog erg slaperige weide. “Robbers”, “Girls”, “Chocolate” en “Sex” zien er op papier uit als aantrekkelijke songs, maar onze aandachtsspanne hield gelijke tred met de lengte van de short van de gemiddelde vrouwelijke festivalganger. Zeiden we al dat het warm was?

Dat Trixie Whitley tijdens haar set aankondigde dat ze zwanger is, lezen we pas achteraf. De bindteksten zijn moeilijk te verstaan. Dat ligt misschien aan de mix, maar ook aan u en uw voorliefde voor braderiën. Maar goed, gelukkig heeft Trixie nog altijd een stem als een hagelkanon en blijft de muziek gelukkig overeind voor het merendeel van de set. De Belgisch-Amerikaanse wisselt het ene moment hoekig kniegetrek richting gitaarhals af, zoals tijdens “Never Enough”, met hard labeur op de toetsen van haard Nord piano, alsof het brooddeeg is. “Need Your Love” en het afsluitend “Breathe You In My Dreams” zijn publiekslievelingen en met “New Frontiers” is er ook plaats voor nieuw werk.

Ellie Goulding verovert de VS maar de VS verovert helaas ook Ellie Goulding. De winnares van de BBC Sound of 2010, de lichting met onder andere Marina & The Diamonds en Delphic, is geëvolueerd van een electropopartieste in de marge naar een gladde Hollywoodproductie. Dat wordt al duidelijk bij haar opkomst, begeleid door een gitaarsolo waarbij alleen de overvliegende straaljagers ontbreken. De cirkel is rond wanneer Goulding aan het eind van “Burn” de gitaar zelf ombindt, haar gitarist de solo nog eens dunnetjes overdoet terwijl op de schermen de frontvrouw getoond wordt die steeds hetzelfde slagakkoord blijft herhalen. Hollywood dus, maar hey, jullie waren er weg van.

Rodrigo y Gabriela is dan weer muziek die in deze temperaturen moet gespeeld worden. Hun akoetisch gitaargetokkel is ondertussen uitgegroeid tot een van de beste Mexicaanse exportproducten, en ook vandaag geselt het duo de snaren op een indrukwekkende manier. Met GoPro-camera’s op de gitaarhals gevezen ziet dat er op beeld zowaar nog indrukwekkender uit. Een flessenhals als guitar slide, wat solo’s die op een gemiddel metalalbum niet zouden misstaan: we gingen er zowaar even voor gaan liggen. Al kon dat ook een zonneslag geweest zijn.

Er zijn echter nog van die muziekgenres die goed gedijen in de zon. Al stonden ze dan wel in de schaduw geprogrammeerd, Parov Stelar Band deed ons zweten. Wat zeggen we? We voelden zowat driekwart van ons lichaamsvocht verdampen. De ongelofelijk aanstekelijke electroswing van Marcus Füreder en de zijnen bracht de Werchterweide in vervoering. Een stampvolle Klub C sprong, danste en transpireerde alsof z’n leven er vanaf hing. En niet alleen de grooves van “Libella Swing” en “All Night” joegen onze hartslag de hoogte in: ook zangeres Cleo Panther zat daarvoor iets tussen. Die kirde, schreeuwde en danste dat het een lieve lust was, en met haar alle toehoorders. Gooi daarover nog wat lekker scheurende sax en trompetsolo’s, en je hebt een feest dat je niet mocht missen. Puffen geblazen, en swingen met die beentjes.

Het vochtverlies goedmaken was de boodschap, en een pint bij Paolo Nutini deed wonderen. De Schot, die bij het vrouwelijke deel van het publiek door z’n grauwe blues en soulmix wel eens voor het voorgaande durft zorgen (z’n looks zitten er waarschijnlijk ook wel voor iets tussen), schreeuwde met “Scream (Funk My Life Up)” meteen de longen uit het lijf, en met verve. Een lekkere blazerssectie en potige backing band deden de rest. Ballades als “Better Man” troffen doel, maar de eerste regendruppels van de dag en het vooruitzicht van iets heel speciaals deden ons na goed twintig minuten snellen naar Klub C.

Er zijn zo van die artiesten die je nu eenmaal niet wil missen. Die net met The Cautionary Tales of Mark Oliver Everett een erg persoonlijke diamant van een plaat afleverden. En die zich niets aantrekken van het begrip ‘festivalset’. Mr E en z’n aalgladde band trokken de kaart van de bloedmooie stilte. “Let’s play some bummer rock!”, vooraleer de strak in het pak zittende E de ene na de andere intieme song de wei in vuurde. “When You Wish Upon A Star”, “A Line In The Dirt” … Eels opende z’n hart en maakte van de Klub een warme huiskamer. En verwoordde z’n liefdesperikelen zo oprecht dat zelfs de gemiddelde tentslet zich haar keuzes van gisterennacht beklaagde. Eels besefte wel dat zo’n trage, intieme set met amper hits niet de gemakkelijkste weg was, “but we like a challenge!” en won moeiteloos de tent voor zich. Everett sloeg en zalfde en kroop definitief onder onze huid toen hij, blij als een kind, het publiek ging knuffelen. Alsof we het nog niet warm genoeg hadden.

Doordat we Eels tot de laatste noot uitzaten, misten we de opening van noordpoolgeweld Arctic Monkeys. Voor menig meisjeshart had Alex “mijn kuif is vettiger dan uw festivaleten” Turner nog voor hij een noot had gezongen al het optreden van het jaar gegeven, maar ons licht benevelde doch kritische oog dwong ons tot de volgende nuances:

Ja, de Monkeys hebben met AM een van dé beste rockplaten van de laatste vijf jaar gemaakt. En ja, die heupswing, leren vest en air van Turner maken hem cooler dan z’n groepsnaam. Ze hebben wereldsongs bij de vleet en scheurden dwars door hun hele oeuvre. “Don’t Sit Down ‘Cause I’ve Moved Your Chair”, “Crying Lighting”, “Why’d You Only Call Me When You’re High?” … het volgende elkaar in sneltempo op. Maar wat klonk het routineus. Wat leek Alex er weinig plezier aan te beleven. Een Arctic Monkeys op automatische piloot is nog steeds een groep op niveau, maar voor een optreden van een van de grootste hedendaagse rockgroepen van het Noordelijk halfrond ligt de standaard gewoon net iets hoger dan ‘gewoon ok’. Komaan Alex, het is Werchter he! Wat meer beleving, wat meer passie, wat krolser en pikanter aub!

Hevig aan het schrijven gaat er plots een sirene af op de weide, en we weten: er zijn nog zekerheden. Major Lazer begint aan z’n set, en u wordt compleet krankjorum. Beats zo smerig dat zelfs de campings er proper naast lijken en een set even strak als de billen van de meegebrachte danseressen, daar tekenen wij voor. Ja hoor, het geheel is heel voorspelbaar. Hamsterbal, vlaggen, en kontschudderij, ondertussen een klassiek recept voor Diplo en de zijnen. Maar je moet het hen nageven: zelfs het braafste muurbloempje verandert bij Major Lazer in een losgeslagen furie met ondeugende bedoelingen. Wechter duikt de nacht in, en met hen de histige meute. Nog twee dagen, pfff.


Dag Drie

Na een dagje aan de zuurstof, mag (mvm) weer de weide op. Die kleurt half zwart-geel-rood en voor pakweg een kwart oranje vandaag, wat — met dank ook aan de bewolking — toch een beetje grimmiger lijkt dan anders. Er breekt wat regen door, dus doen we de regenjas aan. Blijkt die toch niet blauw-wit-rood te zijn zeker. Bugger. Hopelijk draait het allemaal toch rond de muziek. Of blijft het droog, dan overleven we het ook wel vandaag.

De weide doorkruisend horen we Kodaline vanop de Main Stage erg passioneel het soort song brengen waarvoor we Mumford & Sons allerminst dankbaar moeten zijn: stampend ritme, een flinke emotionele tril in de stem en het zaakje na drie minuten openbreken met een rits “oh-oh-oh-how”s die de wedergeboorte moeten inleiden. De cameraman zoomt gretig in op volwassen mannen die dat gevoel met de ogen dicht uit volle borst mee beleven. Oh-oh-oh-how, my Lord, oh-oh-oh-how. Het gaat ongetwijfeld ergens over, maar doet ons vooral denken aan de vormselcatechese. En dat doet weer denken aan de golvende manen van hoe-heet-ze-nu-weer, dus het kon erger.

Enkele stappen verder verspert plots een zuil alcohollucht, vergezeld van een Oost-Vlaams accent en het hele assortiment aan Rode Duivels-parafernalia de weg. “Veu welke ploeg supporderde?” klinkt het met een lichte dreiging in de stem. Nog voor er “Euh” kan gezegd worden, duikt van onder een tweede berg parafernalia een arm op die gedecideerd een Belgische vlag op onze wangen schildert. De Belgen dus. Niet dat we klagen. Wat verder staat Monsieur Paul pinten te beloven aan al wie toch naar Triggerfinger komt kijken: “We kunnen de match zelf volgen op monitors, dus we houden jullie op de hoogte. Toe!”, maar wij laten ons niet vangen. Zelfs niet door Ruben Block en Mario Goossens die weer wat verderop “I Follow rivers”-snippets zingen met behulp van een koffiebekertje. Sorry jongens: tous ensemble en al. En toch een dikke vette toitoitoi, want we geloven in jullie.

Door al die ongein hebben we zowaar de eerste 20 minuten van Midlake gemist. Best knudde want de band is goed op dreef. Tijdens een verder uitstekend “Rules, Ruling All Things” en “Roscoe” missen we weliswaar de warme stem van Tim Smith, maar met een flink rockend “The Old And The Young” bevestigt de band ook zonder Smith. Een driestemmig gezongen “I Shall Be Released” kan zelfs zonder blozen naast het origineel van Bob Dylan & The Band staan, waardoor Midlake al helemaal niets meer verkeerd kan doen. “Head Home” begint meeslepend maar krijgt een uitzinnige, noisy finale waarin verse gitarist Joey McLellan de show steelt. Als die eerste 20 minuten even geweldig waren als de laatste 30, was dit ongetwijfeld een van de hoogtepunten van deze Rock Werchter. Het bevestigt Midlake alvast als de nieuwe Elbow: uitstekende albums, geniale concerten, van adoratie overlopende muziekjournalisten, maar dat alles in halflege tenten in de namiddag. Hoog tijd voor hun The Seldom Seen Kid.

En dan is het tijd voor de commune van Merril Garbus. Ongetwijfeld een rotgetalenteerd mens, maar met de focus van een hond op de kinderboerderij. Er wordt door haar en haar vierkoppige, vrolijk beschilderde band, druk getrommeld, geloopt en gekreet in verschillende microfoons tegelijk. Dat levert flarden genialiteit en aanstekelijke beats op, maar ook veel onnodig gekrijs en songs die vervaarlijk hard op een ideeënbrij lijken. Er wordt her en de druk gedanst, maar zodra het ophoudt met regen, loopt Klub C wel weer halfleeg. Allemaal cultuurbarbaren die het net als wij niet snappen, zoveel is zeker. Met een register of twee aan ADHD minder, zouden we Tune-Yardsongetwijfeld even geweldig leuk vinden als die druk trippende kerel rechts van ons. Tot dan blijft Garbus een wat vermoeiende kruising tussen een hyperkinetisch kunstproject en wat akelig vrolijke commune; eentje waar straffen staan op de kleur zwart of een licht melancholische blik richting einder.

Op het hoofdpodium staat Haim ook al verdacht vrolijk te wezen. “Last year was so good we had to come back”, gilt een van de zusjes (we houden ze op gerechtelijk bevel niet uit elkaar). “Euh, jullie suckten toen nogal dus, liefste Haim, jullie hebben iets goed te maken”, antwoordt (mvs) streng. Tot ieders grote verbazing doen ze dat ook. Het trio bracht een extra toetsenist en drummer mee en duikt in een uiterst potige set, waarin de jammend gebrachte Fleetwood Mac-cover “Oh Well” helaas een vroege spelbreker is. Het is pas met dat uit de weg, dat de Haimzusjes met een loodzwaar “My Song 5” echt gelanceerd zijn. Het blik hitsingles gaat open, en met de hattrick “Don’t Save Me”, “Forever” en “The Wire” bewijst de groep waarom ze al op het grote podium hoort. Van pure pret besluiten de Haims setsluiter “Let Me Go” met een uitgebreide drumstonde, just for the sake of it. Prettig, maar het toont ook dat één plaat na twee jaar touren langzamerhand veel te weinig is. Tijd voor een opvolger dus, en laat die flauwe cover van Beyoncé’s “XO” volgende keer ook maar, meisjes. En in dat geval: tot volgende keer!

Tijd voor Biffy Clyro — too hard for shirts — om wat nuanceloos bulderen voor een weide die ongetwijfeld meer gevuld staat dan later bij het iets genuanceerder blazende Triggerfinger. Dé misprogrammatie van het festival, van de hele festivalzomer zelfs, is echter Melanie De Biasio in de Klub C. Net voor de kwartfinale van de Belgen. Ja, het is een Belgische, dat wel, maar geen Stromae. De irritaties beginnen al voor het concert, wanneer de perfectionistische artieste te laat dreigt te beginnen omdat het geluid op het podium nog niet goed zit. Haar klankman voelt de hete supportersadem al in de nek: “Melanie, tu es pret?”. Toeters onteren de zwoel verstuifde jazzsongs van de sterke plaatNo Deal. “Tous ensemble! Tous ensemble! Hey! Hey!” galmt door te tent en De Biasio heeft het begrepen: “I’m Gonna Leave You” sluit toepasselijk de set af, tien minuten vroeger dan voorzien. “Merci et bon match”: Melanie neemt het sportief op, maar verdient veel beter dan dit.

Maar er is dus voetbal. En we maken ons een beetje zorgen, want Eden Hazard is tot nog toe weer verbazend onzichtbaar. Hoog tijd om onze burgerplicht te gaan vervullen aan een of ander groot scherm. En dan weten we ineens of Pearl Jam voor troost of extra euforie mag zorgen.

Voor troost dus. We waren anderzijds wel zeer onder de indruk van de bindteksten van de Argentijnen, al haalden die de vaart al eens uit de set. Kompany haalde af en toe indrukwekkend uit en Courtois hield als vanouds de backline. Hazard bleek als frontman niet helemaal wakker en Lukaku moest wat opboksen tegen een nogal ongeïnteresseerde verdediging. We verwachten echter veel van dit groepje. Ook sterk hoe ze op hun leeftijd al anderhalf uur vol inzet kunnen volspelen. Misschien binnen twee jaar nog eens? Hoger op de affiche dan graag.

Wat dit in de Barn is? De begrafenis van de Rode Duivels, antwoorden we een Nederlander, om hem voor te zijn. Agnes Obel maakt er een waardige eredienst van. “I Wish I had more songs to make you feel better”, zegt ze gemeend. Haar desolate songs, die een brug slaan tussen klassiek en pop, klinken breekbaar maar ook krachtiger dan ooit, door nog een extra celliste mee te brengen. Wat een instrument ook: drummen op de snaren bij de intro van “The Curse” en diepe basgolven tijdens “Dorian”. Knap optreden van een band — want meer dan Agnes Obel alleen — die live nog steeds beter en beter wordt.

Pearl Jam wordt — hoewel hun albums dat al eens tegenspreken — beter met de jaren. Live is de band op haar best nog steeds een onvermoeibare brok energie, maar staat ze ook steeds meer als ontspannen, elder statesmen van de rock op het podium: elke avond een andere setlist uit de mouw schudden, maar niet vergeten af te sluiten met een of twee bisrondes vol klassiekers, hier en daar een verrassend covertje en wat bevriende muzikanten mee op het podium vragen. De hoogdagen liggen al een eind achter hen en het overgrote deel van de setlist bestaat uit materiaal uit Pearl Jams eerste drie klassieke albums. Een kniesoor die daarop let, want als Bruce Springsteen en zijn E-Street Band dat weer eens komen doen, is het allemaal gloria hallelujah en geniaal, ondanks het feit dat de man ook al bijna dertig jaar geen echte albumklassieker heeft voorgebracht. Elke artiest, elke band heeft creatieve piekperiodes. Die van Pearl Jam loopt van Ten tot Yield. De helft van de setlist bestaat dus uit songs van meer dan 20 jaar oud en het zijn ook die songs die de grootste rimpels doorheen het publiek veroorzaken, maar wij klagen niet. Dat gaat zo met elder statesmen en headliners.

Maar Pearl Jam speelt dus een fantastisch concert op Rock Werchter 2014. Een dat met “Rearview mirror”, “Animal””, Mind Your Manners” en een helaas wat rommelig “Corduroy” ietwat traag op gang raakt, maar na een uurtje niets of niemand ontziend blijft vooruitjakkeren met het ene hoogtepunt na het andere. Het eerste is een wel zeer geïnspireerde jam middenin “Even Flow”. Volgen: “Better Man” dat van a capella naar episch gaat, Mike McCready die “Spin The Black Circle” speelt terwijl hij rondjes loopt tot achter het drumpodium en zelfs plots in de front stage staat te soleren. De eerste bisronde brengt een prachtige cover van Pink Floyds “Mother” (passend gevolgd door “Jeremy”) en — dat hadden we de vorige keren gemist — het machtige, breed uitgesponnen “Black” waarvoor het publiek maar blijft zingen. Vedder, breed glimlachend tegen de rest van de band: “This is Werchter, guys!”. Tussendoor leest Vedder wat teksten in fonetisch Nederlands voor (dat lukte de tweede keer beter: rode wijn helpt), raadt hij ons aan om niet te vroeg te pieken en het niet erg te vinden als we geen “popular kid” zouden zijn en mocht Midlake voor veel harmonieën zorgen in “At Night”.

En dan komt de band een tweede maal terug voor de echte finale. Een finale waarin Vedder zichzelf aankondigt als het voorprogramma van Kings of Leon, zegt dat we het EK voetbal in 2016 gaan winnen, Nederland zich voor de halve finale plaatst terwijl de Belgen het refrein van “Alive” meebrullen en Midlake nogmaals mee het podium op mag (nu ook met gitaren) voor een lang uitgesponnen “Keep On Rocking In The Free World”. Een versie zoals Young hem zelf helaas niet meer kan brengen: een woeste energiebom. Waarop “Yellow Ledbetter” traditioneel het concert te slapen mag leggen: McCready als laatste op het podium en die prachtige, melancholische gitaarmelodie die over een breed glimlachende weide met de house lights on waaiert. Pearl Jam op Rock Werchter 2014 was niet minder dan legendarisch. Wie denkt er nog aan voetbal als er zulke tweeënhalf uur durende concerten bestaan? (De in de laatste minuten hevig rondhossende Nederlanders naast ons, maar dat is even het punt niet) Dat dit concert maar snel via de website van de band te koop is, dan kunnen we er hele autoritten lang naar blijven luisteren. En dit was dus het voorprogramma van Kings of Leon, dat moeten nogal kerels zijn, die morgen mogen afsluiten, nou moe.

De heilige weide van Werchter, dag vier. Het stinkt hier naar bier, vochtige grond, ongewassen oksels en de zweetvoeten van de BV’s die nu al te lang op het VIP-terras hebben gezeten — best gezellig dus. De Rode Duivels verloren gisteren van een ploeg die meer als de Belgen speelde dan de Belgen zelf, maar pas vanavond krijgt de nationale feestvreugde echt uitgeleide wanneer Stromae Schueremans’ tuinfeestje afsluit.

Onder meer Franz Ferdinand, Parquet Courts en Oscar & The Wolf verzorgen dan weer het voorprogramma, en dat kunt u hier andermaal uitgebreid volgen. En niet te vergeten: Pete Doherty loopt hier vandaag rond — altijd een kijkstuk, al was het maar om te zien of hij het podium haalt. Stay tuned, wij gaan al even op zoek naar de eerste zwalpende VLD’ers.

Ook gespot aan de VIP-bar: Jeroen Meus. We vragen hem even waarom ze hem gisteren in godsnaam in een voetbalpraatprogramma lieten opdraven, maar ook de brave man zelf blijft ons een steekhoudend antwoord bijster. Dan maar naar een bloedhete Barn, waar Oscar & The Wolf een half sprookjesbos heeft opgesteld, kwestie van zijn donkere elektronica nog wat mysterieuzer te maken. En het werkt, te beginnen met een broeierig “Joaquim”, waarin Max Colombie de keytar nadrukkelijk laat gelden. Oscar & The Wolf speelt duidelijk een thuismatch — de handjes gaan sneller op elkaar dan bij Milk Inc. — maar de extase bij het wel erg jonge publiek is niet helemaal onterecht: de band gooit met ijle dreampop en dreunende synths. “Undress” is een zwoele topsong, en “Strange Entity” – “Time to dance, babies” roept Colombie uit — sleurde stevig aan uw ledematen.

Wel net op tijd vertrokken, want terwijl we naar buiten sjokken om Parquet Courts niet te missen, begint de band aan een vreemde medley van Fatman Scoops “Put Your Hands Up” en “Jenny From The Block” — geen al te beste zet. Maar dus: Parquet Courts, een band voor wie strak enkel als understatement geldt. “We’re Parquet Courts from Brooklyn” sputtert Andrew Savage, en dan begint de band aan een set vol weergaloze rammelrock met een averechtse punkattitude. Meer Pavement dan “Vienna II” zie je niet meer op een podium, of het moest in het uit slackerrock opgetrokken “Bodies” zijn. In “Black And White” en “Ducking And Dodging” — dijk van een songs — spuwt Andrew Savage zijn teksten uit, terwijl Austin Brown het bedachtzamer doet in een zacht bijtend “Dear Ramona”.

Opvallend: keer op keer bljken de nummers van vorige plaat Light Up Gold net dat beetje snediger. Van het anti-anthem “Master Of My Craft” over een nietsontziend “Borrowed Time” naar “Light Up Gold II”: drie keer het dak eraf. Parquet Courts ziet eruit als een bende Amerikaanse college-rockers, maar ze brengen anti-establishmentrock waarop het heerlijk hossen is. Straf concert.

Hij is er! Hij is wel te laat maar hij is er, de– laat ons een kat een kat noemen — grap die Pete Doherty brengt. Maar, dat moeten we ook toegeven, wel een van het vermakelijke soort.” Delivery” klinkt behoorlijk rommelig, maar gelukkig is de band bij de zaak om het boeltje recht te houden. Pete daarentegen rolt over de grond, wauwelt tekstbordjes uit het publiek — “I Like Trains? That’s something Belgian innit?” — en werpt zijn gitaar de lucht in, die net als andere gevallen steken, voor hem wordt opgevangen. En zo is dit al bij al een amusant concert. Na “Nothing Comes To Nothing” en slotnummer “Fuck Forever” vindt Pete het zelfs zo leuk dat de tourmanager de basgitaar uit zijn handen moet komen trekken. Cheers!

Cheers, dat wil zeggen: tijd voor pintjes. Halverwege de dag valt er een beetje een saai gat in de programmatie van deze Werchterdag, maar omdat de pinten nog steeds niet gratis zijn voor ons – begrijpe wie begrijpe kan – pikken we toch nog een stukje Metronomy mee. Net te laat voor “Love Letters”, net op tijd voor “I’m Aquarius”. Dat hadden we liever anders gezien: “I’m Aquarius” is het soort saaie, middelmatige elektronicapopsong waar werkelijk geen enkel band een moord voor zou begaan. Gelukkig ligt het gemiddelde niveau van de set niet zó laag – al doet “The Upsetter” wel nog even z’n best. “Heartbreaker” brengt eclatante, zwierige synthpop, “Month Of Sundays” stampt onstuimig heen en weer op een Motownbeat, en aan het eind gaat “The Bay” stevig aan het psychrocken, geruggensteund door een hyperkinetische lichtshow. Wembley is nog steeds heel veraf voor Metronomy, en dit concert klasseer je ergens tussen “gezapig” en “goed geprobeerd”, al hadden ze ons met een nummer of twee meer misschien wél kunnen overtuigen.

Daar kunnen we echter niet op wachten: het is stilaan stevig gaan onweren, waardoor we noodgedwongen gaan schuilen in de KlubC waar Passenger voor een halve kleutertuin lijkt te gaan spelen. Wij zijn geen fan, en al zeker niet nadat de lamme goedzak het publiek vraagt of het OK is dat hij zo vroeg op de dag een pint drinkt. ’t Is half zes, man, en we hebben daarnet Pete Doherty al gezien — doe normaal. Enfin, ’t klinkt niet al te kwaad wat-ie daar staat te brengen, maar zodra de regen gaan liggen is, hoeft het ook niet meer.

Veel plezanter: toch eens die cocktailbar uitproberen en ondertussen aanschuiven voor een hamburger van De Burgerij — het betere festivalvoedsel, en op Werchter nog steeds goedkoper dan een dürum. Ook spek naar de bek van onze (jp), die Metronomy links had laten liggen voor Rudimental, zo’n band die je eigenlijk alleen op een festival als dit tegenkomt. Weinig slechts te concluderen over het Britse dancecollectief: een voetbalploeg kundige muzikanten, drum ’n bass beats en een hand vol hitjes als “Not Giving In”, “Free”, “Waiting All Night” en “Feel The Love”. We zouden er zelf de DJ niet de oren van z’n hoofd voor zagen op een trouwfeest, maar als het ergens zijn plaats moet hebben, is het wel op een festival als Rock Werchter.

Na die burger weer fluks naar die Main Stage, waar Franz Ferdinand een paar auditieve obussen tot ontploffing brengt – ’t is eens een andere manier om die Groote Oorlog te herdenken. Naast veel gezapige poprocksongs heeft deze band ook een hele hoop instant hits op zijn naam staan, en Kapranos en kornuiten weten waarvoor het volk komt. “No You Girls” trapt een beetje routineus en schuchter op de eigen adem, maar blijkt gewoon een verkenningsoperatie voor het grote offensief. “The Dark Of The Matinée” en “Right Action” steken het vuur aan de lont, “Bullet” knalt recht naar je kop.

“Do You Want To”, “Ulysses”,”Love Illumination”, een vinnig gebracht “Michael”: dat heet dan een salvo. Heel even, halverwege de set, lijkt de fut eruit – “Auf Achse” en “Can’t Stop Feeling” kunnen het tempo duidelijk niet volgen, maar zelfs dan weet die dekselse frontman Alex Kapranos het publiek perfect te bespelen, en even later geniet-ie zichtbaar wanneer de halve wei staat te springen op een extatisch “Take Me Out”. Na die flauwe derde plaat Tonight hadden we gegokt dat het vet van de soep was, maar niks is minder waar: de Schotten hebben zich herbrond, schreven een album dat bruist en swingt, en zijn nog steeds een fantastische liveband. “This fire is out of control” werd de afsluitende kreet van een erg dankbare weide.

En dan was het weer tijd voor een bijna jaarlijks fenomeen: de zone voor het podium die volledig ingepalmd wordt door schelle bakvissen in jeansshorts die op geen enkel moment bedoeld lijken een bilkaak te bedekken – “justKings Of Leon speelt straks,” weet je dan. Voor de zesde keer in acht jaar al, en iedere keer op het hoofdpodium. De geschiedenis van deze band kun je bijna reconstrueren op basis van hun passages hier in Werchter: van rotgetalenteerde jonge rockers naar stadionband naar bende ruziemakers naar de band die vandaag op het podium staat: een grote maar ook machinale rockband.

Er wordt nochtans uitstekend gecaterd voor mensen als wij, die Kings Of Leon vóór 2008 – vóór Only By The Night, vóór de stadionrock – tot de opwindendste gitaarrock ter wereld rekenen: oud materiaal als “Taper Jean Girl”, “Red Morning Light”, “Talihina Sky”, “Molly’s Chambers” en “Razz” is los doorheen de uitgebreide setlist te vinden. Alleen is dat nog geen garantie voor overtuiging. Waar die nummers vroeger teerden op een verslavende scheut hillbilly en een beetje ruw afgewerkt gitaarspel, is het venijn vandaag ver te zoeken. “King Of The Rodeo” is wel nog een powerhouse, maar “The Bucket” is hertimmerd tot een song die strak in het gelid staat tussen het nieuws werk: gelikte gitaren, veel reverb, weinig ongein.
“Family Tree”, vanop recentste plaat Mechanical Bull, is een welkome afwisseling: terug naar die zuiderse roots, naar de gospel die via vader Followil in het bloed kroop, terug naar puur plezier. Daarvoor en daarna zijn het vooral weidse gitaren die de lakens uitdeelden, al hebben we het viertal ook minder omzichtig met U2-rock zien gooien. “Pyro” klinkt ons nog steeds te drammerig, maar “Radioactive” trekt dat nog net recht.

Dat kan jammer genoeg niet verbergen dat Kings Of Leon een heel eind op automatische piloot lijkt te spelen. Als je een festival zo vaak mag aandoen en het bovendien het laatste concert van de tour is, kan je ook gewoon even doen alsof je er iets speciaals van wil maken. Neen hoor: dit is business as usual voor de broers en neven Followil. In de bissen imponeren “Crawl” en een “Black Thumnail” nog wel, vlak vóór verplicht nummertje “Sex On Fire”. En zo voelt deze set te vaak aan: een verplicht nummertje. Kings Of Leon heeft gas teruggenomen en speelt strakker dan een paar jaar terug, maar mist simpelweg de passie om van een concert een ervaring te maken.

Wat een schril contrast met de jonge Brusselaar Stromae, de eerste Franstalige headliner in de veertigjarige geschiedenis van het festival. Hoewel, Franstalig? Paul Van Haver – zijn geboortenaam – wisselt zowel tijdens de bindteksten als in zijn nummers vlot tussen Nederlands en Frans. Als de Rode Duivels ons weer even trotse Belgen maakten, is het Stromae die dat gevoel vanavond cultiveert als geen ander. Het publiek spreekt hij aan met landgenoten en compatriotes. Ja, er lopen ook andere nationaliteiten rond op Werchter, maar hey – iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen, toch?

Vanaf de op hol geslagen drumcomputer in opener “Ta Fête” staat er geen maat op deze rasartiest. Hij danst zich de pleuris in “Peace Or Violence” en declameert “Tous Les Mêmes” alsof zijn leven ervan afhangt terwijl zijn band de zang met wilde house, techno en zwoele ninetiesbeats stoffeert. Er is de exotische balsem van “Ave Cesaria”, waarin het stembereik van Stromae een eerste keer danig imponeert. Een ziedend “Bâtard” zet een intense rave in, en de kermisbeats van “Moules Frites” zorgen voor een streep frivoliteit. En voor wie het niet verwacht had: “Formidable” wordt heviger gescandeerd dan “Sex On Fire”. Opeens bestaan er geen anti-Franse azijnpissers meer, en verandert de modderige wei in een parochie waarin een mens gewoon een mens kan zijn.

Ook visueel zit deze show bijzonder strak in elkaar. Bij de kolkende, furieuze techno van “Humain à l’eau” – zó tem je dus een menigte – krijg je visuals geserveerd waarop een legertje Stromae-silhouetten naadloos zijn danspasjes volgt, als een generaal die zijn troepen aanvuurt. Tijdens “Tous Les Mêmes” danst zijn pikzwarte schaduw dan weer tegen een zee van fluorescerend licht. Ook al weet je op zo’n moment dat alles strak geregisseerd is, nergens voelt dit aan als een set die een draaiboek volgt – dat is een verdienste.

Vlak vóór het vuurwerk dat Rock Werchter 2014 voor gesloten verklaart, heeft Stromae nog twee knallers in petto. “Alors On Danse” loopt uit in een hitsige ninetiesmedley, en in een lang uitgesponnen “Papaoutai” verandert zijn typetje van statische mannequin in een hyperkinetische danser. Deze jongen had er godverdomme zin in – wat een afsluiter. Stromae is groot geworden, maar vanavond was hij vooral een volksheld.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in