The Scene :: 21 juni 2014, AB Brussel

“Tijd is kort / Ik heb het gezien / Tijd is kort / En aan het eind vergetelheid” zingt Thé Lau in “Tijd Is Kort” uit Blauw. De tijd is voor Lau inderdaad te kort. De dood mag dan een veldslag zijn die we allemaal verliezen, de strijd tegen de vergetelheid heeft Lau definitief met vlag en wimpel gewonnen.

Het doek over The Scene is dus gevallen, tijdens een avond in de AB waarin Lau met opgeheven hoofd en de rug recht de dood resoluut de wachtkamer in duwt. Eerst is het nog zijn beurt – zoals hij in de intro van Marlène zingt: het lichaam wil gaan liggen, maar de geest staat nog rechtop. Lau gaat met zijn levenseinde om zoals hij met zijn voornaamste werkinstrument, onze taal, omgaat: geen ruimte voor sentiment, holle woorden of grote gebaren. Schrijven is schrappen, bij Lau is voelen dat ook. Hier is het geen dank- of afscheidswoord dat brandende ogen veroorzaakt, maar de band zich ongelooflijk zien smijten voor die ene laatste keer. Deze avond gaat de geschiedenis in door een spelplezier als stond The Scene deze avond voor de allereerste keer in de AB, als was het hun éérste mijlpaal, niet hun laatste. Zoals de spaarzame woorden in Lau’s teksten vooral ruimte laten voor eigen emoties, zijn het de vele kleine momenten tussen de woorden door die deze avond kleuren.

Zoals de verbetenheid waarmee Thé Lau de openingsnummers “Slapen/De Dood” uit Platina Blues stampvoet. Het applaus dat losbarst na de zin “Mijn dromen zijn verboden voor de dood” uit dat muzikale testament Platina Blues. Het hoofdschuddend glimlachen van Lau wanneer hij de hoge noten van “Ik geef mezelf aan jou” in “Blauw” toch niet meer haalt. De stevig dichtgeknepen ogen waarmee hij dat nummer voor de allerlaatste keer speelt. De aai van Stef Kamil Carlens over Lau’s bol na “Mooi”, die hij al snel gewoon beantwoordt door Carlens erop te wijzen dat zijn plectrum op de grond is gevallen. De secondenlange blik tussen Lau en bassiste “Emilie Blom van Assendelft” tijdens “Zuster” die dertig jaar samen in een band zitten beter vat dan eender welk woord. Lau die elke ovatie die minutenlang zou kunnen doorgaan afbreekt door het volgende nummer snel in te zetten, met een air die “jaja, het is al lang goed jongens” verraadt. Gewoon spelen maar. “Een zuiver hart kent geen sentiment”, toch.

Ook daarin is deze avond meer een fêtering van wat deze band altijd is geweest dan een bewust breed uitgesmeerde apotheose. Dat is goed zo. Ook voorbij de laatste bocht blijft deze band trouw aan zichzelf. Songs als “Samen” en “Geloof” klinken strak en onontkoombaar als vanouds, de uitbarsting in bisnummer “Rigoureus” doet het middenrif een koprol maken. Andere oudere nummers krijgen dan weer een frisse, laatste jurk aangemeten. “Liefde” wordt omhooggestuwd door de enorm pakkende fadozang van Maria de Fátima. “Rij Rij Rij” steekt Arno in de fik met een verschroeiende mondharmonica, “Kleine Stille Strijd” uit het schandelijk onderschatte Marlène krijgt een nieuw arrangement dat aanleunt bij dat van Lau’s solotour uit 1998. “Open” wordt dan weer opgeluisterd door de prachtige strijkers van het Pavadita tango strijkkwartet. Zo wordt deze avond ook een mooie symbiose van Lau’s werk solo en met de band. Wanneer de voltallige groep “de dood maakt jacht op mij” als achtergrondkoor zingt tijdens “De dood”, bereikt dit concert al na vijf minuten een intensiteit die het kippenvel en eender welke andere concertbeleving overstijgt.

En dat moet inderdaad niet opgepookt worden. Lau trekt de nuchterheid van werk en leven door in zijn eerste woorden die hij aan het publiek richt. “Vaak is me gevraagd hoe ik me zou voelen tijdens deze concerten. Dan zei ik: niks bijzonders, gewoon spelen.” Gejuich. Al ontkent Lau de beladen sfeer bij aanvang van dit concert niet: “Maar ik ben me zeer bewust dat dit inderdaad de laatste keer is dat ik met mijn familie van The Scene optreed.” Vervolgens neemt hij twee uur lang afscheid van zijn songs. Speelt die laatste solo’s vaak met de ogen dicht, savoureert als het ware elk woord voor een laatste keer, zoals in het bloed bevriezend mooie “Rivier”. De meeste songs zingt hij ook zelf: geen gasten deze keer die mee komen zingen op “Blauw”, “Open” of “Iedereen Is Van De Wereld”. Met een kracht in die stem die niemand twee maanden geleden had durven vermoeden. Die liveperformance van Platina Blues lijkt vanavond een heel realistische droom – en een must, te horen aan de verschroeiende versie aan het begin van dit concert.

Lau spreekt weinig tussen de songs door, op een paar grapjes over het WK en Game Of Thrones bij de aankondigingen van Arno en Callens na. Of wanneer hij zegt dat “dit concert ook wordt gescreend in Los Angeles, New York, Sydney, Bangkok. En in mijn geboorteplaats Bergen.” Hij neemt afscheid als artiest en als mens zoals hij zich altijd als schrijver in zijn teksten heeft geuit. Liever één woord of geen woord waar een ander drie woorden uit de tweede klasse gebruikt. Elk woord dat hij zegt, heeft de juiste kleur. Waardigheid straal je uit, omschrijf je niet. Het is het adagium van de beste schrijvers: “show, don’t tell”. En het is die waardigheid van Lau die de beladen emoties deze avond niet gezwollen, maar teder, sereen en authentiek maakt. Of zoals hij zingt in “Brand”: “Je hoeft niet eens te spreken / Ik heb je al verstaan/ Vecht door totdat het doodgaat / Rust niet zolang het leeft.”

Zichtbaar geëmotioneerd kijkt hij uit over het publiek dat minutenlang “Iedereen is van de wereld” scandeert. Je hebt het raden naar wat er op dat moment in zijn hoofd afspeelt. Maar ergens zie je hem denken: wat het waard was, is nu gebleken. De laatste groet aan het publiek gebeurt zonder woorden. En dan stapt hij het podium af.
Thé Lau mag dan afscheid genomen hebben van zijn songs, zijn publiek doet dat nadrukkelijk niet. Niet alleen zijn dromen, maar ook zijn teksten en muziek zijn verboden voor de dood.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in