Ha’fest: B.O.A.T. + Roland, Mauro & Guests :: 8 mei 2014, Handelsbeurs

Een goed festival heeft altijd een paar verrassingen of op z’n kop gezette verhoudingen in petto. Dat was ook nu het geval: speelde het improvisatiesextet The Bureau Of Atomic Tourism een concert dat niet alleen een nieuwe, verrassend hechte koerswijziging liet horen, dan lieten Roland & co. de teugels regelmatig vieren met die kenmerkende nonchalance. Helaas leverde dat een concert op met, op z’n zachtst gezegd, zeer wisselvallige resultaten.

De evolutie van Teun Verbruggens B.O.A.T. begint een erg mooi verhaal te worden. Waren concertreeksen en albums hiervoor al geschikt om met elkaar te vergelijken, dan is deze derde versie van het sextet, met bassist Tim Dahl (van o.m. het geschifte Child Abuse) en de IJslandse gitarist Hilmar Jensson in de gelederen, opnieuw eentje die de koers van de vorige redelijk ingrijpend verlegt. Opvallend: maar liefst vijf leden dragen composities aan en zowel de sound als de stijl klinken compacter en harder dan ooit tevoren, met sterkere invloeden uit rock en experimenten die grossieren in decibels en muzikale extremen.

Dat werd vanaf Jenssons opener al duidelijk, toen de band van start ging met een strakke samenhang om via een solo van Verbruggen te belanden bij een denderende rockgroove met een bronstig brullende basklarinet van Andrew D’Angelo. En het was geen afleidingsmanoeuvre, want D’Angelo’s repetitieve compositie ging dan wel van start met een treuzelend duel met trompettist Nate Wooley; ook daar belandde de band op het terrein van de dansbare mantrarock om vervolgens, met Jenssons tweede bijdrage, de boel helemaal open te breken en op z’n kop te zetten. Dahl stond wijdbeens met z’n bas te sleuren, Dumoulins Rhodes knetterde de noiseregionen in en het gitaar- en baswerk werd ronduit dreigend. De wereld van loodzware sludge metal was binnen handbereik.

Dumoulins “Carolientje en haar bootje” werd aangekondigd met het nodige gegrap, maar was misschien wel het hoogtepunt, vertrekkend vanuit schijnbaar gesmodder om via circulaire blaaspatronen en een snedige altsaxsolo te belanden in een langgerekt dromerig stuk dat alweer een andere gedaante liet horen. Filmisch en breed uitwaaierend, maar zonder een seconde te gaan vervelen. Wooleys eerbetoon “Ron Miles” sloot meer aan bij het materiaal van de vorige concerten, terwijl D’Angelo daarna aan de slag ging met een paar via het publiek opgevraagde adjectieven. Het leidde vooral tot een start/stop-verkeer dat even herinnerde aan de grillige onvoorspelbaarheid van Zorns tactische improvisatiespelletjes, maar hier gebaseerd leek op bladmuziek.

Die formele wending was echter van korte duur en werd de nek omgewrongen door Dahls verkrampende “Citrus”, een woeste lap grootstedelijke noisejazz die uithaalde met een verzengende kracht en het concert afsloot met een linkse directe. Bisnummer van dienst was een even opgefokt “Meg Nem Sa” – eentje van de eerste B.O.A.T.-plaat, maar oorspronkelijk van Tyft, de band met o.m. D’Angelo en Jensson – dat nog eens onderstreepte dat de creativiteit en het samenspel van B.O.A.T. van enorm hoog niveau is, terwijl zijn energiemeter die van talloze rockbands-met-reputatie achter zich laat. Wat gaat dat volgende keer geven? Of beter: waar gaat dat eindigen? Indrukwekkend.

Na een lange podiumwissel was het aan centrale Ha’fest-gast Roland Van Campenhout. Na een concert met De Piepkes de dag voordien, stond de éminence grise van de Belgische blues & rock-‘n-roll op de planken met wat jong(er) geweld. Dat is niet nieuw, want dat Roland graag aansluiting zoekt bij de generaties na hem werd ook al bewezen door de samenwerkingen met o.m. Tom Van Laere (Admiral Freebee) en Steven De Bruyn. Vorig jaar leverde het nog New Found Sacred Ground op, een plaat die Roland opnam met drummer Jeroen Stevens, bassist Bart De Nolf en gitarist/publieksmenner Mauro Pawlowski. Het was dat kwartet, aangevuld met gitarist Elko Blijweert (en zo stond meteen ook een halve Gruppo di Pawlowksi op het podium) en backing vocaliste Reena Riot, dat aantrad voor een concert dat vooral in het teken van die laatste plaat stond.

Vanaf het begin werd dan ook die broeierige rootswereld-met-hoek-eraf opgezocht. Je voelde funk, hoorde folk en blues, en met drie gitaristen in de rangen viel er altijd wel iets te beleven. Er zijn bands die hen dat voorgedaan hebben natuurlijk (van undergroundhelden Majors Stars tot classic rock bands Lynyrd Skynyrd of Drive-By Truckers), maar het werkte niet altijd even goed. In het naar Crazy Horse neigende “Back To You” zorgde het voor een donkere, onderhuids dreigende sfeer, maar elders voelde Blijweerts voortdurende geëxperimenteer soms wat gezocht aan, als een stoorzender die eigenlijk overbodig was. En dat ging snel ook de teneur van de bandperformances worden. Zo werd “In & Out Of Love”, op plaat voorbij voor je tot 150 kan tellen, veel langer dan nodig gerekt. Het zou hét pijnpunt van het concert worden.

Roland heeft die nonchalance altijd wel in z’n concerten gehad. Die steeds terugkerende grapjes over een gebrek aan bindteksten, dat verdwijnen van het podium, gesukkel met kabels, een valse start door foute toonaarden (“Dream On, Little Girl”), eindeloos meanderende jams. Vaak werkt dat, geeft het de muziek een organische, onvoorspelbare en onaffe kwaliteit die de songs een menselijke imperfectie en spontaniteit geeft. Soms zorgt die rommelige aanpak en dat vertrouwen in eigen kunnen echter ook voor een onsamenhangend zootje of eigengereide experimenten die eigenlijk nergens naartoe leiden. Zo werd de traag stompende voodoorock van “Blind Man’s Eyes” compleet de verdoemenis in gespeeld met een bombastische finale, met eindeloos jammerende gitaren en op de voorgrond bonkende drumexcessen. Je waande je in een Amerikaans stadion.

Dan verschenen twee Italiaanse vrienden van Roland om gewapend met viool en akoestische gitaar een paar songs te spelen. Best wel mooi ook, tussen ouderwetse swing en Europese folk, met een melancholie die ondanks het Italiaans op de voorgrond drong en via intiem klinkende praatzang gedeeld werd. Een mooi intermezzo, al was de link met Roland compleet onduidelijk en bleven de gasten erna slechts voor één extra song. Iets later werd het podium ook even aan Reena Riot gegund. Die greep de kans aan met overgave. Van een gebrek daaraan kan je dit jonge talent moeilijk beschuldigen. Ze stond er als een combinatie van een country belle, blues mama en vrouwelijke Billy Bragg te raggen op die elektrische gitaar, waarbij vooral “Army Boots” imponeerde. Daarna was het vooral de attitude die de overhand kreeg, al was ook de soberheid een verademing.

Maar dan moest die finale er nog komen, eentje die “Raised Like A Dog” als uitvalsbasis nam, even rondhing op verwrongen ZZ Top-terrein en daarna alle hoeken van het Roland-spectrum opzocht, van onheilspellende mededelingen als “Born like a lion, raised like a dog” op een toon van faux gothic dronkemansgewauwel die Johnny Dowd eigenlijk veel beter beheerst, tot hysterisch gekeel en een uit z’n voegen barstende finale die maar niet wilde ophouden. En nog een stuk erachter, en nog eentje. Grootser, luider, volledig over the top, met een steroïdendrama dat de Handelsbeurs waarschijnlijk al lang niet meer gezien of gehoord had. Het was dan ook niet een beetje jammer om te zien hoe dit concert ondanks z’n sterke momenten en met zo’n weelde aan ervaring en talent bij momenten zo sterk ontspoorde. Of hoe eigenzinnigheid vooralsnog geen synoniem voor kwaliteit is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in