Gravity en de nood aan zwaarte

De Oscars naderen, en terwijl nieuwswebsites, Facebook en Twitter bijna exploderen van de praatjes over de toch niet te onderschatten kansen van The Broken Circle Breakdown (La Grande Bellezza gaat dat winnen, lééf ermee!), is de genomineerde film waar ik het vaakst aan moet terugdenken gek genoeg Alfonso Cuárons Gravity. (Of misschien is dat helemaal niet zo gek en komt het gewoon omdat ik de film onlangs op bluray opnieuw heb gezien, wie weet.)

En de reden waarom die film door m’n hoofd spookt, is voornamelijk omdat hij op het eerste zicht zo’n buitenbeentje lijkt in het lijstje genomineerden. Kijk even mee:

12 Years a Slave, 134 minuten: waargebeurd slavernijdrama.
American Hustle, 138 minuten: semi-waargebeurd misdaaddrama.
Captain Phillips, 134 minuten: waargebeurd thriller-drama.
Dallas Buyers Club, 123 minuten: waargebeurd aids-drama.
Her, 126 minuten: tragikomedie.
Nebraska, 118 minuten: tragikomedie.
Philomena, 98 minuten: waargebeurde tragikomedie.
The Wolf of Wall Street, 179 minuten: waargebeurde tragikomedie.

En dan Gravity: 91 minuten, survival-thriller.

Je merkt dat er een verschil is, niet? Samen met Philomena is hij de enige film die de twee uur niet haalt (of daar op een minuutje of twee afstand van is). En belangrijker: het is de enige film in de lijst die niét ostentatief over belangrijke, zware onderwerpen handelt, maar de gevoelservaring laat primeren.

Hoe goed de competitie dit jaar ook is in de categorie voor beste film – en met uitzondering van het mysterieus populaire American Hustle kan je dit jaar uitzonderlijk weinig op de keuzes aanmerken – je voelt wel dat de Academy traditioneel voor topic movies gaat en dat is Gravity dus niet.

Niet dat Gravity helemaal geen thematiek heeft. Uiteindelijk draait het om een vrouw die moet leren om los te laten, die de dood moet aanvaarden om dan opnieuw moed te vinden en als het ware herboren te kunnen worden. Ja, natuurlijk, dat is ook zo. Maar de plot waar die thematiek aan wordt opgehangen, is extreem rechtlijnig en Cuáron legt zijn prioriteiten zeer duidelijk in eerste instantie bij de thrill ride, en pas daarna bij de thematische inhoud. Bij 12 Years a Slave zeg je achteraf dat je een film over de slavernij hebt gezien. Bij Gravity zeg je achteraf niét dat je een film over dood en wedergeboorte hebt gezien.

Dat ogenschijnlijke gebrek aan zwaarte is al tegen de film gebruikt: “Ja, technisch was het wel knap gedaan, maar het ging over zo weinig.” Een uitspraak die glashelder aantoont hoe de meeste mensen denken: een spannende film kan wel leuk zijn, maar kwaliteit = inhoud. Hoe zwaarder de thema’s (en hoe nadrukkelijker die thema’s worden uitgespeeld), hoe beter de film.

Die denkwijze is niet nieuw, maar ze roept wel een paar fundamentele vragen op: kan iets grote cinema zijn als je er géén diepzinnige levenslessen aan overhoudt? Of nog beter: kan een regisseur een grote artistieke prestatie neerzetten als zijn film vooral mikt op een intense kijkervaring, en minder op heftig denkwerk tijdens of na de prent?

In principe zou elke filmliefhebber daarop ja moeten zeggen: als het alleen maar om het thema gaat, om het verhaaltje, dan ga je immers voorbij aan alles wat uniek is aan cinema: de kracht van beelden om een emotionele respons uit te lokken. Een verhaal vertellen, een thema ontwikkelen, kan ook in literatuur, maar dat koppelen aan een vernieuwend en indrukwekkend gebruik van beeld en geluid, dat kan alleen film. En het is daar dat de grote prestatie van Gravity ligt. Het is misschien een oppervlakkig meesterwerk, maar dat neemt niets weg van zijn status als meesterwerk.

Gravity roept trouwens ook de vraag op in welke mate het onderscheid tussen technologische en artistieke prestaties houdbaar is. Op de Oscars en andere filmprijzen wordt standaard een onderscheid gemaakt tussen de techinische categorieën (speciale effecten, geluid, montage) en de artistieke categorieën (scenario, regie, acteurs), waarbij de artistieke prijzen als belangrijker en meer prestigieus worden beschouwd. In Gravity daarentegen, maakt de technologie zo integraal deel uit van de filmervaring, dat dit onderscheid betekenisloos wordt.

Sandra Bullock en George Clooney deden hun werk in een speciale studio, vaak vastgesnoerd in harnassen en op mechanische armen om hun zwevende bewegingen te simuleren, zonder achtergrond en vrijwel zonder praktische sets. De hele wereld waarin de film zich afspeelt, werd achteraf digitaal gecreëerd. Het procédé waarmee dat gebeurde, kan je checken in de fascinerende making of op de dvd en bluray. In heel wat scènes is het alleen het gezicht van de acteurs dat reëel aanwezig is, terwijl al de rest is opgetrokken uit pixels. In The Hollywood Reporter zeurde een anoniem lid van de Academy dat “Cuáron niet zozeer de regisseur was, als wel het hoofd van het team techneuten dat die film heeft gemaakt”. Maar is een regisseur niet altijd gewoon het hoofd van een creatief team van schrijvers, acteurs, musici, cameramannen en – jazeker – techneuten? Maakt het dan werkelijk een verschil dat een belangrijk deel van zijn creatieve leiding pas achteraf wordt gegeven, aan een legertje computeranimatoren? (De opmerking van dat verzuurde Academylid zou overigens bij uitbreiding ook betekenen dat bijvoorbeeld Brad Bird geen echte regisseur is, omdat The Incredibles en Ratatouille helemààl uit een computer gerold kwamen, maar goed.)

Gravity is onder de genomineerden wellicht de meest pure cinema: een compacte, 90 minuten durende zintuiglijke ervaring, die alleen zou kunnen bestaan in filmische vorm. Kortom: ik ga slecht gezind zijn als Cuáron niet wint, komende zondagnacht. Reken maar.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in