The Selfish Giant

I never had any friends later on like the ones I had when I was twelve. Jesus, does anyone?” Een mooie, nostalgische quote uit een al even mooie en nostalgische film. Ja, u raadt het juist: Stand By Me. Jeugdige vriendschap is steeds iets prettigs om te koesteren. Ofwel laat het mooie herinneringen na die je van tijd tot tijd nog eens doen glimlachen, ofwel is de vriendschap van langere duur en ben je nog steeds beste maatjes met die kerels of grieten van toen. Wat allemaal nog niet wil zeggen dat het op het moment zelf rozengeur en maneschijn is. Dat bewijst ook Clio Bernards The Selfish Giant. Vriendschap fungeert in dit Britse kitchen sink drama als de drijfkracht tussen twee jonge kerels die opgroeien in de troosteloze omgeving van een arbeiderswijk in het industriële Groot-Brittannië. De film is losjes gebaseerd op een teder en jeugdig kortverhaal van Oscar Wilde, maar wordt in deze bewerking ontdaan van elk sprankeltje hoop en vrolijkheid. In de plaats krijg je een kopstoot van jewelste.

Arbor (Conner Chapman) en Swifty (Shaun Thomas) zijn wat men noemt kinderen van de rekening. Ze lopen beide wel school, maar hun situatie thuis zorgt allesbehalve voor een stabiele jeugd. Arbor kampt met woedeaanvallen en zit thuis met een drugsverslaafde broer, terwijl Swifty’s omvangrijke gezin zijn best moet doen om het hoofd financieel boven water te houden. Het West Yorkshire van deze film is een plek waar geluk en welvaart al lange tijd zoek zijn. Wie wat geld wil bijverdienen moet creatief zijn, en dus wagen Swifty en Arbor zich aan het stelen van koper en andere waardevolle industriële materialen. Dat groeit al snel uit tot een lucratief handeltje, zeker als ze onder hoede komen van de malafide schroothandelaar Kitten. Hoe levenloos hun omgeving ook mag zijn, Arbor en Swifty bewaren hun jeugdig enthousiasme. Maar in hun naïviteit en hebzucht werken ze enkel maar toe naar een tragisch noodlot.

De titel van de film verwijst dus naar een kortverhaal – eigenlijk een moralistisch sprookje – van Oscar Wilde, maar vergis je niet, dat verhaaltje dient enkel als steunpilaar voor de film en kent er weinig narratieve overeenkomsten mee. Dus geen reus die uiteindelijk zijn verdiende loon krijgt omwille van zijn doorgedreven egoïsme. Je kan natuurlijk op zoek gaan naar metaforische gelijkenissen, maar je krijgt dus geen opzichtige sprookjeselementen in deze adaptatie, die stevig met zijn twee voeten in de realiteit geplant blijft. Net zoals de Western een oer-Amerikaanse uitstraling heeft, is het kitchen sink drama verzonken in de Britse bodem van de arbeiderswijken. Moeilijk om niet te denken aan het werk van Ken Loach in die context. Naast naturalisme, kiest Clio Barnard ook voor een lichte esthetische aanpak. Dat houdt in dat het documentair realisme af en toe doorbroken wordt door het oog van de camera. Barnard zit dicht op de huid van de twee jongens en de andere personages, weet zich goed te oriënteren in de nauwe ruimtes van de kleine huisjes en mistroostige voor- en achtertuintjes, maar laat ook ruimte voor mooie composities die het oog even wat rust gunnen. Dat komt vooral tot uiting in knappe overzichtsshots die het met koelingstorens en elektriciteitspalen bezette landschap toch een schuchtere feeërieke uitstraling meegeven. Een donkergrijze schoonheid.

Vormelijk heeft de prent weinig gemeen met een sprookje, maar toch heeft de film sporadisch de feel van een jeugdavontuur, een deprimerende fabel met een sprankel hoop door de vriendschapsrelatie tussen Arbor en Swifty. Want dat is waarop de film uiteindelijk steunt. Het deprimerende klimaat van de prent weegt niet al te zwaar door, dankzij de energieke en enthousiaste acteerprestaties van de twee jeugdige hoofdrolspelers. Conner Chapman is de drijvende kracht van het verhaal. Met een volwassen spirit, grote bek en licht ontvlambaar temperament raast hij doorheen de arbeiderswijken om zich op te werken in de illegale schroothandel. Shaun Thomas zorgt dan weer voor het tegengewicht als de iets rationelere en meer behoedzame Swifty. Samen zorgen ze voor een heerlijk oprechte en jeugdige joie-de-vivre die hun grauwe bestaan als een felle zonnestraal doorbreekt. Vastberadenheid en doorzettingsvermogen troef.

Barnard concentreert zich vooral op de kameraadschap tussen de twee jongens, met een duidelijk doel voor ogen. Dat is waar de ‘conventies’ van het kitchen sink drama hun intrede doen. Hoe tof de avonturen van Arbor en Swifty ook mogen zijn, miserie en tragiek gluren steeds om de hoek. Dat zorgt ervoor dat je je steeds bewust bent dat het op een mum van tijd volledig kan misgaan. In welke vorm het noodlot haar opwachting maakt laten we in het midden, maar verwacht je aan een stomp in de maag zonder weerga. De emotionele tour-de-force die zich daarna ontvouwt, is een staaltje van het sterkste (Britse) drama van de afgelopen jaren. Het feit dat je het allemaal toch wel gedeeltelijk ziet aankomen, ondergraaft nooit de spanning van de film, maar geeft juist dramatische kracht aan alles wat er gebeurt totdat het effectieve moment zich voordoet.

Het is bewonderenswaardig hoe Barnard het aandurft om een lichtzinnig sprookje door de mangel te halen, waardoor ze overblijft met een verhaal dat allesbehalve geschikt is om voor het slapen gaan aan je kleine spruit te vertellen. De film staat met beide voeten in de Britse cinema-traditie, maar vindt zijn eigen stem in een lyrische regie, twee uitzonderlijk sterke hoofdfiguren en de gehele zwaarmoedige – maar ook lichtjes mythische – sfeerschepping. The Selfish Giant is één van die films die nog dagenlang aan je ribben blijft plakken. Een film die je zal doen glimlachen, maar hoofdzakelijk zal doen terugdeinzen. Een uitzonderlijk coming-of-age-verhaal waarin de overgang naar volwassenheid zich aandient vanaf het moment dat je in die betonnen wereld wordt geboren. The Selfish Giant kan alle conventies niet omzeilen, maar de eloquentie en eerlijkheid waarmee het geheel wordt gebracht, verheffen dit ijzersterke drama naar een hoger niveau. Straf, straffer, strafst!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in