3 x ConSouling Sounds :: Labirinto & thisquietarmy, Sannhet + Adoran

Hoewel postrock en -metal al een tijdje over hun commerciële (en creatieve?) hoogtepunt lijken te zijn als genre, blijft het Belgische label ConSouling Sounds lustig in die poel rondhangen. Dat doen ze evenwel door over de muurtjes te kijken en aanpalende genres, gaande van loodzware sludge tot grijze ambient en massieve drones, erbij te nemen. Zwaarmoedigheid blijft centraal staan, maar verschijnt in uiteenlopende gedaantes.

Een eerste release is een titelloze split van de Braziliaanse postrockband Labirinto en het Canadese eenmansproject thisquietarmy (Eric Quach). Die viel eerder al op het label te horen in combinatie met het Franse Year Of No Light, maar ook dat was geen uitzondering, want Quachs steeds uitzettende discografie wemelt van de samenwerkingen. Ging het op de split met Year Of No Light nog over aparte stukken en een paar waarvoor de krachten gebundeld worden, dan blijft hier elk op zijn helft. Voor een stuk krijgt Quach wel wat hulp van twee Labirinto-leden.

Het kwintet uit São Paulo, zowat de muziekhoofdstad van Brazilië, speelt het spelletje vrij klassiek, met drie gitaristen, een ritmesectie, synthesizer en hier en daar het gebruik van strijkers en een vibrafoon. In het politiek geladen “Tahrir” blijft dat binnen de uitgetekende genregrenzen, inclusief cleane gitaarpartijen, iele toetsen en een onheilspellende sfeer. Het is potig, ergens tussen Red Sparowes en Mogwai, maar geen metal. Dat verandert wat in “Diluvium” dat na een lange, filmische aanloop even de jazzy richting dreigt uit te gaan, maar dan openbarst in een meer symfonische stijl, die een stuk massiever is dan de opener. “11 Palmos” volgt een vergelijkbaar parcours, maar ruilt de logge kracht een beetje in voor zwaarmoedigheid. Weinig vernieuwend, maar overtuigend gebracht.

Het is eigenlijk de meer ervaren Quach die wel een beetje teleurstelt. Hij verdeelt zijn vier bijdragen over twee kampen: “Eclipse” en “Paths To Illumination” houden zich op in ingetogen regionen waar hij het vooral moet hebben van een cumulatieve aanpak en kleine verschuivingen in de muisgrijze ambient drones. “World Protest” en “Abandonment” belanden op iets agressiever en zwaarder terrein, met gruizige gitaarvervormingen en een grotere onderhuidse dreiging. Het is minimalistische muziek, maar de stukken lijken toch wat onderontwikkeld, hangen af van ideeën die het geheel niet kunnen dragen, terwijl de geprogrammeerde beats van “World Protest” wat oubollig klinken.

Dan is het album van Sannhet uit Brooklyn een pak overtuigender. Known Flood verscheen eerder in 2013 al op vinyl bij het Sacramentum label, maar ConSouling Sounds zorgt voor de wereldwijde cd-release, en terecht, want het is een album dat zich moeiteloos weet te handhaven in een overbevolkte wereld. Het mooie is daarbij dat de drie muzikanten er verdomd goed in slagen om uiteenlopende subgenres binnen het genre te combineren tot een knap geheel. Ze zijn zeker niet de eerste om dat te doen, maar klaren de klus met overtuiging, energie en het belangrijkst van al: een ingebouwde eindredacteur die het niet laat afweten.

Als je de werelden van postmetal, shoegaze en black metal wil combineren, dan is het immers niet vanzelfsprekend om excessen te vermijden of op de proppen te komen met een excentriek product dat zo hard z’n best doet dat het vooral lachwekkend wordt. Dat gebeurt hier niet. Je krijgt de gitaartexturen van Mono, de ritmische drive van een Pelican (en hier en daar zelfs het woeste primitivisme van een High On Fire), de epiek van kanonnen als Neurosis en Isis, en tegelijkertijd een aantal keer de sfeer en blast beats van black metal. Known Flood zal door sommige conservatieve metalfans misschien niet voor vol aanzien worden, wat Liturgy en DeafHeaven ook al overkwam, maar niemand kan ontkennen dat deze drie kwartier bijzonder goed in elkaar steken.

Van het haast triomfantelijk klinkende “Absecon Isle”, dat een afmattende gejaagdheid combineert met hypnotiserende weemode, tot de primaire driften van “Safe Passage” en de heavy shoegaze van “Moral”: hier wordt gemusiceerd met een bijzonder functionele insteek. Er komt geen nodeloos complex gedoe aan te pas, er zijn geen ik-momenten of al te typische exploten. Het lijkt wel alsof de drie vooraf afgesproken hebben om vooral een vetvrije plaat te maken, wat ondanks het grote aantal samples goed gelukt is. De akelige sfeer van “Endless Walls” en afsluiter “Flatlands” worden mooi in evenwicht gebracht met het gebeuk van stukken als “Haunches” en “Slow Ruin”. Kortom: een band die z’n hand niet overspeelt en erin geslaagd is om een frisse en opwindende plaat te maken in de anders erg donkere en versmachtende wereld van ConSouling Sounds. Straf spul.

Dat geldt ook voor de titelloze plaat van het duo Adoran: Dorian Williamson (van ambient metalband Northumbria) op bas en Aidan Baker (van Nadja en talloze andere projecten) op drums. Deze keer dus geen atmosferische gitaartexturen van de uitgeweken Canadees, maar een ritmesectie die op zichzelf aangewezen is en het onderste uit de kan haalt. De twee werken niet met “songs”, maar met improvisatie, en bundelen op Adoran twee stukken van een half uur. Die twee pakken bij momenten uit met een vermorzelende kracht. Denk loodzware sludge en doom, maar dan in dronevorm. Of denk aan Om, maar dan zonder de zang, zonder de oosterse vibe en met nog langere stukken.

Hoe beperkt de middelen ook zijn, het is best straf hoe ze de platgetreden paden weten te vermijden. Je zou immers verwachten dat ze volop inzetten op sinistere klankeffecten en een uit z’n voegen barstende sound, maar dat is niet het geval. Adoran maakt een back to basics– beweging en haalt alles uit de pure sound, iets waar de mastering van James Plotkin zeker toe heeft bijgedragen. Die naam heeft trouwens wel een sterker belang, want deze release heeft meer gemeen met het werk van pakweg Khanate of Swans dan dat van de bekende sludgebands. Er zit een experimenteel en kaal randje aan dat vanaf opener “Careful With That Death Machine” al voelbaar is. Aanvankelijk zit het op de koers van pakweg Bohren & Der Club Of Gore of de doomjazz van Swami Lateplate, maar zodra Bakers droge drums zich op gang trekken, beland je in een hardnekkige stampende dodenmars.

Het is een bijzonder minimalistische aanpak, met een primitieve improvisatie die wel een zekere eb-vloedbeweging volgt, met nu en dan meer stotende secties, afgewisseld met een paar kalmere momenten, die nooit die hypnotiserende drive verlaat. Het tweede stuk, “The Aviator”, neemt meer z’n tijd om op gang te komen, blijft langer hangen in een meditatieve, aftastende sfeer. Maar ook daar krijg je na een tijdje een meer nadrukkelijke puls, worden de hoofden lichtjes in beweging gebracht, ga je mee in dat verhaal om na een kwartier ineens te beseffen dat je opnieuw beland bent bij een bulldozer die de hele omgeving platwalst. Bakers drumspel is bij momenten erg rudimentair, maar het is net de eenvoud die het in combinatie met Williamsons loeiende basspel zo opwindend maakt. En als dat gestage ritme eens wegvalt en die bas zich lijkt te weren als een gewond dier, dan wordt de intensiteit nog eens aangescherpt. Je moet er niet aan denken wat dat live zou geven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in