The Dickens Campaign :: Oh Lovely Appearance

In de werelden van de improvisatie en vrije jazz worden ongebreidelde vernieuwing en het onbeschreven blad vaak als het hoogste goed beschouwd. Het doet dan ook deugd om een paar knappe muzikanten uit die uithoek van de muziek eens te zien terugkeren naar de rootsmuziek van de eerste helft van de twintigste eeuw, zeker als ze er daarbij in slagen om oud en nieuw naadloos te combineren.

De in Brooklyn gebaseerde drummer Deric Dickens maakte goed twee jaar geleden al een mooie entree met Speed Date, een leutig verpakt album (elke cd zat in een cellofaan zakje), waarop hij een verzameling compacte duetten met bevriende muzikanten samenbundelde. Voor dit album van zijn trio The Dickens Campaign dook Dickens, zelf afkomstig uit het zuiden van de staat Georgia en sinds zijn studies goed vertrouwd met de nalatenschap van muziekarchivaris Alan Lomax, in de rijke volksmuziek om een hommage te brouwen voor de man die er bijna eigenhandig voor zorgde dat talloze stemmen en geluiden bewaard bleven voor het nageslacht.

De titel ontleende Dickens aan een song die ook present is, “Oh Lovely Appearance Of Death”, opgenomen in de tweede helft van de jaren dertig. Meteen een mooie introductie tot de wereld van Dickens (die hier heel erg back to basics gaat), kornettist Kirk Knuffke en gitarist Jesse Lewis, die op een overtuigende manier in de Americana duiken met een lichtvoetige flair die het werk van Bill Frisell en Erik Friedlander lijkt te verenigen met dat van de antieke voorgangers. Iets daarvoor zorgde “As I Went Out For A Ramble”, een vergeten stukje muziek van Hazel Hudson uit 1927, al voor een prachtige start, met een flukse shuffle van Dickens, een charmante melodie en zachte toon van Knuffke en het zachtaardige snarenwerk van Lewis.

“Roustabout Holler” van ene Henry Truvillion uit de jaren dertig is dan weer iets jazzier. Iets stekeliger ook, met wat meer karakter in het bluesspel van Lewis. Die mag op het album een paar keer wat krachtiger uithalen: zo kan hij zowel tijdens Dickens’ “I Should Have Known” als Knuffkes kale “Twice My Heavy” de potige rocktoer opgaan, inclusief gescheur dat rechtstreeks uit de hardrock lijkt te komen. Toch blijft de sobere aanpak overheersen: Dickens & co. beperken zich doorgaans tot sober en complexloos spel, waardoor Oh Lovely Appearance nergens voor een ideeënindigestie zorgt. Integendeel: vaag bekend klinkende flarden doen ondanks een soms lichte zweverigheid hunkeren naar meer.

Opvallend is dat het trio zowel in de ingetogen als de meer extraverte nummers bijzonder geslaagd in elkaar schuift. In het trippelende “My Baby Likes To Sing” is het moeilijk om niet op te staan en een danspasje te plaatsen, terwijl Knuffkes lyrische “Poem” een ballade is die op gang geschuifeld wordt door een bedeesde gitaarintro en later uitpakt met een even eenvoudige als bedwelmende melodie van Knuffke. Het elegante “Paul Motian” zou ook niet misstaan hebben op Jeff Cosgrove’s Motian-tribuut For The Love Of Sarah. Lewis’ “Waiting” rondt het album in alle rust af met een ballade die net aan de goeie kant van de meligheid blijft. Al is dat abrupte einde een vreemde zet.

Voor de meeste freejazzfreaks zal dit iets te traditioneel aanvoelen en voor het gros van de Americanafans misschien iets te jazzy, maar wij vinden dit een geslaagde en toegankelijke update van folklore in een jazzjasje en een aanrader voor wie genregrenzen graag gesloopt ziet zonder daarvoor bruut geweld te moeten inzetten.

Het album is voor een luttele vijftien dollar (incl. verzending) te krijgen via Dickens’ website.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in