The Hunger Games :: Catching Fire

En hop, daar zijn we weer, voor een van de vreemdste verschijnselen in de cineplex: de tienerfranchise. Dit is het fenomeen waarbij een succesvolle reeks tienerromans, doorgaans in het fantasygenre, wordt vertaald naar een nog succesvollere reeks (semi-)blockbusters, waarvan je de kwaliteit doorgaans aan de hand van een simpele statistiek kan vaststellen: hoeveel procent van de toeschouwers bestaat uit het doelpubliek? Als dat rond pakweg de 95 schommelt (zie: Twilight), heb je gewoonlijk met crap te maken; als het percentage beduidend lager ligt (zie: Harry Potter) zit je naar een film te kijken die ook voor de niet-fantasyfans wel eens de moeite zou kunnen zijn. Maar hoe zit dat nu eigenlijk bij The Hunger Games?

Op papier heeft die film één van de interessantste premissen die je voor dit soort genre maar kan bedenken: een ultieme dystopie waarin het decadente Capitool opstanden onderdrukt en zichzelf entertaint met op tv uitgezonden gladiatorengevechten waarbij stakkers uit de arme districten elkaar moeten uitmoorden. De eerste verfilming uit de boekenreeks van Suzanne Collins struikelde echter over een PG-13-rating en deed zichzelf de das om door z’n eigen uitgangspunt – van de 24 tributen mag er maar één overleven – gewoon onder tafel te vegen, om een potentiële love interest zo in leven te houden en de doelgroep nog niet na één film weg te jagen.

In The Hunger Games: Catching Fire lijkt die ingreep toch nog in zekere mate te gaan werken: het op entertainment beluste Capitool ziet de overwinning van Katniss Everdeen (een degelijke Jennifer Lawrence) én Peeta Mellark (een makke Josh Hutcherson) als een triomf van de liefde maar president Snow (Donald Sutherland) ziet in dat men datzelfde in de districten ziet als een daad van verzet tegen het Capitool. Als Katniss en Peeta de schijn niet kunnen ophouden en de sluimerende revolutie niet kunnen bedaren, zou dat voor hen wel eens bijzonder slecht kunnen uitpakken. Dat doet het ook: aangezien het dit jaar om een jubileum-editie van de Hongerspelen gaat, wordt er een nieuwe insteek gehanteerd, en worden de tributen gekozen uit eerdere overwinnaars. Katniss is al zeker van haar ticket naar de arena, en Peeta offert zich op voor eerdere victor Haymitch (een goeie Woody Harrelson). De vraag is ditmaal niet zozeer of Katniss de boel overleeft (er komen nog twee films aan, mensen), maar wel wie de boel mét haar overleeft.

Dat de oplossing van deel één – Katniss en Peeta overleven beiden de Hongerspelen – voor een nieuw dilemma zorgt – Katniss moet veinzen dat ze stapel is op de softe Peeta, terwijl ze haar hart eigenlijk heeft verpand aan de stoere Gale (Liam Hemsworth heeft nog steeds de meest ondankbare rol uit de film) – geeft meteen iets meer scherpte aan Catching Fire – en laat scherpte nu net zijn wat de eerste film ontbeerde. Regisseur Gary Ross, die van de beeldvoering van The Hunger Games een hoofdpijn veroorzakend zootje maakte, werd overigens ingeruild voor Francis Lawrence (I Am Legend, Water for Elephants), waardoor de schoudercamerashots stevig zijn teruggedrongen en Catching Fire gewoon op dat punt al een betere film is. Hell, één keer zit er zelfs een verdomd knap uitgelicht shot in de nieuwe episode van The Hunger Games: wie had dat zien aankomen?

Bovendien is Catching Fire consequenter in zijn ietwat grimmige ondertoon dan The Hunger Games: waar die prent zichzelf terugfloot in elke scène waar de film en zijn plot/thematiek scherp of gewaagd dreigde te worden, durft Catching Fire nu en dan een tikkeltje verder te gaan. Katniss Everdeen is al iets minder onberispelijk als nobele heldin, en laat hier en daar haar cynische kant meer voor zich spreken, vooral in de scène waarin ze aan de Spelmakers moet tonen wat haar sterkste kwaliteit is. En dan is er natuurlijk nog de prille revolutie die doorheen de districten waait; de fotografie in die scènes is nog steeds behoorlijk uitgebleekt, wat best goed werkt, zeker in combinatie met straatgraffiti die benadrukt dat ‘the odds are never in our favour’.

Het probleem is dat de mankementen van de film, en bij uitbreiding van de hele franchise, zo extra in de verf worden gezet. Die laten zich bijna allemaal beschrijven door de parapluterm ‘chronisch gebrek aan subtiliteit’. Bij de makers heerst duidelijk nog steeds de angst om de film niet toegankelijk genoeg te maken voor een jong publiek: dat uit zich niet enkel in de brave PG-13 (voor grafisch geweld of bloederige kills moet u ergens anders heen), maar ook in de neiging om elk thema en elke emotie in een doorgaans hemeltergend slecht geschreven dialoog te expliciteren. The Hunger Games: Catching Fire barst van de momenten waarop de film in je strot duwt wat er aan het gebeuren is – en het plotverloop is nu ook weer niet zo onvoorspelbaar, laat staan ingewikkeld, dat je een universitair diploma moet hebben om het te kunnen volgen.

Ook emotionele scènes worden er met een voorhamer in geslagen, en vaak zo van elke scherpte of emotionele lading ontdaan. Een scène waarin Katniss het opneemt voor Gale, wanneer die zweepslagen krijgt op het marktplein, duurt té lang, en de hele achterliggende idee (revolutie, hoop, het voor elkaar opnemen) ligt er tenenkrullend dik op. (Dat de ordehandhaver te veel naar Clint Eastwoodfilms heeft gekeken en zijn handlangers doorslagjes zijn van storm troopers, is overigens nog iets waar wij grijze haren van kregen). En dezelfde neiging om alles belachelijk expliciet te maken, zit nog steeds in de voorstelling van het Hunger Games-universum: het contrast tussen het Capitool en de Districten is te groot, de wereld van het Capitool té belachelijk (die gouden eyeliner bij Lenny Kravitz werkt nog steeds recht op onze lachspieren), de futuristische trainingscentra en arenadetails te vergezocht en te anders om te werken binnen de rest van de film. Dat is jammer, want het blijft één van de grootste pijnpunten, en het gaat niet beteren in de volgende twee films.

En toch kijken wij een beetje uit naar The Hunger Games: Mockingjay Part I en Part II. Omdat er enige progressie merkbaar is sinds deel één, maar vooral omdat Catching Fire een aanloop neemt naar een film zonder die saaie arenascènes, die van elke scherpte ontdaan zijn. Omdat Catching Fire in de gedaante van het cynische personage van Philip Seymour Hoffman een nieuwe dosis realisme in z’n premisse injecteert. En omdat de op til zijnde revolutie wel eens zou kunnen leiden tot een film die zich echt mag inschrijven in een dystopische verhaaltraditie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in