All Tomorrow’s Parties :: End of an Era (pt. 1, Curated by ATP & Primavera), Camber Sands (UK), 22-24 november 2013

Het doek valt over All Tomorrow’s Parties, het festival dat, grof omschreven, Pukkelpop en Sun Parks wist te verzoenen. Komend weekend wordt, met onder meer Shellac en Slint, een allerlaatste ATP georganiseerd. Afgelopen weekend vond reeds het eerste van twee “End of an Era”-festivals plaats in Camber Sands.

Ergens tegen het einde van de tweede dag, wanneer de grote zaal volgelopen is voor de headlineset van Dinosaur Jr en “Freak Scene” uit talloze kelen weerklinkt, wordt de vraag wélk tijdperk nu exact wordt afgesloten steeds prangender. Louter dat van een festival of dat, om het zo te noemen, van een genre dan wel soort van beweging die, laten we wel wezen, hoewel er nog steeds knappe dingen voortgebracht worden, zijn beste tijd een kwarteeuw geleden beleefde.
Even voordien hadden er als vier boekhouders op prepensioen uitziende heren nog Marquee Moon ten beste gegeven en wie het handig aanpakte, had op twee dagen tijd drie kwart Sonic Youth aan het werk kunnen zien. Van het vitaal en vooruitstrevend festival uit de begindagen is ATP verworden tot een nostalgieweekend voor al dan niet hippe dertigers en veertigers die, dat valt niet te ontkennen, gelukkig nog best weten hoe er een amusant weekend van te maken. Welaan dan, een laatste samenkomst van de freak scene.

Dat wordt ditmaal door ATP zelf gecureerd, in samenwerking met Primavera. Of dat een verklaring is voor het feit dat alle kleppers op vrijdag en zaterdag geprogrammeerd staan en de zondag een beetje tot lummeldag verwordt, is niet zeker, maar het mag niet uitgesloten worden. Al begint het festival net zoals het eindigt: gezapig.
His Clancyness heeft de eer de feestelijkheden af te trappen. De Britten, die goed een half jaar geleden door Fat Cat binnen gehaald werden, hebben de juiste looks, maar nog niet de songs om overtuigend te zijn. Het zal duren tot Lee Ranaldo & The Dust aantreedt, voor het festival uit zijn sloffende modus knalt en enkele versnellingen hoger schakelt.

Ranaldo presenteert het vorige maand verschenen Last Night on Earth, waarvan vooral het openingsnummer, het aan Lou Reed opgedragen “Lecce, Leaving” een blijvende indruk nalaat. Met zijn naar de Velvet Underground knipogende gitaren in de intro, flard “Sweet Jane” in de outro en daartussen een stortvloed aan wahwah-gitaren, ontpopt Ranaldo zich meer en meer als een imponerende frontman. Voortgedreven door de stuwende ritmes van een immer grijnzende Steve Shelley achter zich, laat ook het zinderende “Key/Hole”, dat een typisch noise-intermezzo in zich draagt, zich opmerken als een livetopper.

Met Low heeft het festival een broeierige dagafsluiter op het programma staan die we echter, schaam is op ons, vroegtijdig verlaten om in de cinema The Great Escape bij te wonen. De kans om deze Steve McQueen-klassieker in een veredelde Britse parochiezaal bij te wonen, kan immers niet gemist worden.

Ook dag twee begint met film: nog voor het middaguur aangebroken is, kan nostalgie onbeschroomd de bovenhand nemen tijdens The Breakfast Club, een degelijke start voor een dag die in het teken staat van oude gloriën die er niet vies van waren (en zijn) om zelf te bepalen of er al dan niet binnen de lijntjes gekleurd dient te worden. Zo zorgt Tortoise er op sfeervolle manier voor dat een zonnige middag op het strand met plezier ingeruild wordt voor een donkere concertzaal.

Met een aan anarchisten opgedragen “Empires of Time” zet Thurston Moore zijn Chelsea Light Moving als een van de grote namen van het festival in de kijker, en dat terwijl het nog niet later is dan tea time. Het nummer, en bij uitbreiding de hele set, klinkt rudimentair en rommelig, maar ook explosief en extatisch. Tel daar de duivelse swing van “Burroughs” bij en de band maakt goede kans om zijn debuut in eindejaarslijstjes te zien eindigen. Een opvolger is bovendien al in de maak, bleek uit nieuwkomers “Sunday Stage” en “No Go”, dat laatste een wel heel primale brok punk.

Met Marquee Moon bracht Television in 1977 een van de meest tot de verbeelding sprekende debuutplaten uit. Die wordt, zij het lichtjes door elkaar geschud, vandaag opnieuw leven in geblazen en laat zich, zelfs een eeuw of drie na de release, gelden als meesterwerk. Zelden werd zo veel melodie in zo’n korte tijdspanne geperst als in de catchy songs die Tom Verlaine en zijn handlangers ten beste geven. Als classic rock en punk een raakvlak hebben, dan is het hier. Van het als een anthem onthaalde “See no Evil” tot de ruim tien minuten durende finale die de titeltrack vormde: hun jeugdigheid mogen de Television-leden dan wel kwijt zijn, met de ogen dicht viel er geen spat kritiek te bedenken op deze doortocht.

Die vlieger gaat daags nadien niet meer op. Op de slotdag is het vergeefs zoeken naar iets dat echt prikkelt. New War, dat naar eigen zeggen niks wil doen dat al eerder gedaan is, laat zich opmerken al een Suuns Light, wat doet besluiten dat het tijd is — nu of nooit! — voor een haastig bezoek aan het nabijgelegen Hastings. Een jaar of duizend geleden werd daar namelijk een of andere slag uitgevochten en sindsdien is er – helaas — niks opzienbarends meer voorgevallen, zo lijkt het. Maar wel het eerste degelijke biertje van het weekend gedronken.

Tegen de avond blijkt het festivalprogramma stevig door elkaar gehaspeld, waardoor elke volgende band voor een iets legere zaal komt te staan. Standstill, dat oorspronkelijk als opener gepland was, kan zijn woeste, Spaanse rock nog botvieren op een halfvolle zaal, wanneer na de vertoning van de zeer puike Jay Reatard-documentaire Better Than Something de concertzaal terug opgezocht wordt, blijkt die niet eens meer voor een kwart gevuld te zijn. Behoorlijk sneu voor Los Planetas, een band die links en rechts een fervente aanhang schijnt te hebben, iets dat zich helaas niet vertaalt in bevlogen concert, ondanks de headlinerstek. De doortocht van de Spaanse band vormt daarmee een enigszins mistroostig einde van een tijdperk, dat in schril contrast staat met wat Dinosaur Jr een etmaal eerder op hetzelfde podium presteerde.

Het triumviraat Mascis-Murph-Barlow — ondertussen al bijna negen jaar opnieuw in touw — slaat het publiek probleemloos plat. Begint de set van het trio nog schijnbaar voorzichtig, met een greep nieuwere nummers als teen in het water, dan volgt met “The Lung” plots een roekeloze duik in het diepe en staat de tent in luttele seconden in lichterlaaie. “Watch the Corners” — een van de toppers van het vorig jaar verschenen I Bet On Sky –, “Little Fury Things”, “Just Like Heaven”: het trio rijgt het ene prijsbeest aan het andere en zorgt met “Just Like Heaven”, “The Swan” en “Sludgefeast” voor een finale waarover dagen later, op de gammele trein huiswaarts, nog vol gloed gesproken wordt.

Waarna lichtjes gevloekt wordt omdat het beste lang voor het einde te zien was en All Tomorrow’s Parties, net zoals de bungalows uit 1946 waarin de bezoekers verblijven, zich neergelegd lijkt te hebben bij eerdere triomfen en nu niet veel meer deed dan een poging om vergane glorie intact te houden.
Een van de fijnste festivals heft zichzelf op en hoewel dat op zich zeer jammer is, is dat vermoedelijk de beste beslissing, voor ATP helemaal transformeert in het TW Classic van hipsters die blijven zweren bij triomfen uit een stilaan ver verleden. Tijd voor iets nieuw!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in