The Thing :: Boot!

En net als je denkt dat ze het nu wel gehad hebben met dat geharrewar met duizend-en-één bands en projecten, en dat voortdurende heen-en-weer-gereis, komen ze op de proppen met een plaat die nog eens de puntjes op de ‘i’ zet en aantoont waarom hun naam met respect uitgesproken wordt. The Thing, niet voor niets het meest geliefde power trio van de freejazz.

Elk genre heeft zo z’n helden, maar toch is het respect voor dit trio in de internationale freejazzgemeenschap, waarin men soms wel z’n neus durft ophalen voor bescheiden commercieel succes of gesmodder met popmuziek, op z’n minst opmerkelijk te noemen. Voor een stuk heeft dat natuurlijk te maken met een onwrikbare staat van dienst. Mats Gustafsson, Ingebrigt Håker-Flaten en Paal Nilssen-Love hebben niks meer te bewijzen, kunnen een discografie voorleggen van honderden items en bewezen hun kunnen al met een veelvoud aan concerten. Dat ze bijna anderhalf decennium na hun eerste plaat, en intussen een goed dozijn releases verder, met ontzag behandeld worden, heeft ermee te maken dat de autoriteit enkel toegenomen is. Dat zou een comfortabele zetel kunnen worden, maar laksheid wordt vermeden.

Dit is niet bepaald de meest verfijnde uitlaatklep van de drie zwaargewichten (die best wel wat meer in huis hebben dan het zogenaamde machogebeuk dat hen wel vaker aangewreven wordt door vooringenomen en half geïnformeerd volk), maar dat inzetten op viscerale kracht en de links met de werelden van rock-‘n-roll en noise geeft natuurlijk wat extra cool waarmee je ook volk van de andere kant van het muurtje kan aantrekken. Gingen ze op Bag It! (2009), opgenomen met Steve Albini, resoluut voor een modern geluid, compleet met overstuurd elektrogegier, dan was Mono (2011) een back to basics-beweging. The Cherry Thing (2012) was dan weer een opmerkelijk crossover succes. Met Boot! gaat het trio opnieuw naar zijn essentie, maar dan wel met een verbluffende overgave.

Boot! heeft dan wel niet die bosjesmannenlompheid van Bag It (nooit klonk Nilssen-Love zo dodelijk), maar het is misschien wel de meest heavy release van het trio, een ongemeen harde en intense kraker die voortdurend mikt op de onderbuik. Dat Gustafsson er opnieuw nog eens de bassax bij haalt (net als de eerder zeldzame sopraan) draagt daar zeker toe bij, al heeft het ook te maken met Håker-Flatens elektrische bas en een groepssound die soms sterk naar die van wijlen Zu neigt. Opener “India” — log, versmachtend, haast doomjazz — heeft weinig gemeen met Coltranes origineel, dat in zijn meest bekende versie, met de meester op sopraansax en Eric Dolphy op basklarinet, een trip langs verschillende continenten was. Hier is het een uitvergroting van een melodische flard die haast een mantra wordt, een onheilspellende oorlogsverklaring vol uit elkaar gereten geroffel, mismaakte bas en natuurlijk die doodsreutels van Gustafsson.

“Reboot” laat een heel ander geluid horen; ritmisch strakker en met een meer open aanpak, maar ook daar word je onvermijdelijk naar het terrein van die trance geleid, waarin sopraangegier en basfeedback gaan harmoniëren, de rommelende toms even op het voorplan komen, de bas schurkt en wringt als een grommend beest dat te veel honger heeft om stil te blijven zitten. Een bewerking van Ellingtons “Heaven” en Håker-Flatens “Red River” cirkelen dan weer rond verslavende baslijnen die steeds weer een doorsteek zijn naar woeliger oorden en heroïsche finales die elk moment uit hun voegen kunnen barsten. Het is onbegonnen werk om bij de opzwepende ritmes van “Red River” niet als een onnozelaar te beginnen headbangen.

En dan moet het dubbelluik aan het einde nog komen. Zowel “Boot!” als “Epilog” laten de opgefokte vaart voor wat hij is en zetten in op slepende, stompende voortgang, die uiteindelijk weer op dat gewelddadige territorium belandt. Je wéét dat ze daar naartoe evolueren, maar telkens opnieuw gebeurt dat met zo’n onverwoestbare furie, zo’n vanzelfsprekende voortgang dat je enkel kan toekijken. Alsof je luistert naar David Attenboroughs beschrijving van dagdagelijkse gruwel in de natuur. Met de afsluiter lijken ze wel te solliciteren voor een plaatsje op het Roadburn Festival. Ook daar zouden er gewonden vallen. Een klein kwartier lang worden voortdurend de grenzen van de vrije improvisatie, chaos, punk en rock-‘n-roll afgetast met een schuimbekkende verbetenheid. Er zijn bands die luider, sneller en extremer zijn, maar dit soort geweld is dat van de witte knokkels en op elkaar geklemde kaken, van de amper onderdrukte waanzin. En van het gezag. Een band en een plaat om schrik van te krijgen.

De band startte onlangs z’n eigen label, in samenwerking met Trost. Dit is meteen het eerste album, en verschijnt zowel op cd als vinyl. Het is de bedoeling dat ook oudere releases, waarvan er een aantal al een hele tijd onvindbaar zijn, op beide formaten beschikbaar gemaakt worden. De release is verkrijgbaar via Instant Jazz. The Thing speelt op 29 november in Les Ateliers Claus (Brussel). Meer info + tickets hier.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in