Marc Ribot Trio :: 13 oktober, De Casino (Sint-Niklaas)

Sinds de ingrijpende renovatie die afgerond werd in 2011, is De Casino, gevestigd in hartje Sint-Niklaas, steeds nadrukkelijker aanwezig op de Vlaamse concertkalenders. Jazz van eigen bodem is er sterk vertegenwoordigd, maar gisteren was het de beurt aan een van de meest bejubelde gitaristen ter wereld. Marc Ribot, vriend aan huis bij een paar giganten van de laatste decennia, kwam langs met z’n befaamde trio en gaf in goed gezelschap een demonstratie van zijn monsterlijke kunnen.

Een album van Ribot met bassist Henry Grimes en drummer Chad Taylor is er nog niet van gekomen. Samen met Roy Campbell vormden ze wel het Spiritual Unity-kwartet dat in 2005 een album uitbracht dat een bewerking was van de muziek van Albert Ayler. Grimes is een icoon van de freejazz, een muzikant die al in de tweede helft van de jaren vijftig opdook aan de zijde van o.m. Thelonious Monk en Sonny Rollins en later in het oog van de freejazzstorm stond en musiceerde met o.m. Steve Lacy (probeer zeker een exemplaar van School Days op de kop te tikken!), Cecil Taylor, Archie Shepp én Albert Ayler. Vooral de opnames met die laatste spreken nog steeds tot de verbeelding. En dan hielden de sporen ineens op en verdween Grimes uit de muziek, om pas terug op te duiken in… 2003. Het verhaal doet de ronde dat hij er niet eens van op de hoogte was dat z’n voormalige compagnon Albert Ayler in 1970 verdronken was.

Anno 2013 is de intussen 77-jarige Grimes nog altijd een aparte figuur: zeer verlegen, een beetje excentriek met dat knalgroene hemd en die hoofdband, maar ook een mooi contrast in vergelijking met de veel agressiever spelende Ribot. Die zat als vanouds krom over z’n gitaar gebogen, z’n haar omhoog in Eraserhead-stijl, trekkend en sleurend aan die snaren, spelend met effecten- en volumepedalen. De man horen spelen voelt soms aan als het openslaan van een encyclopedie over het gebruik van de gitaar in de voorbije vijftig jaar. Blues-riffs en soul-licks gaan hand in hand met abstracte riedels, denderende powerakkoorden (compleet met half molenwiekende rechterarm) en die hyperintense freak-outs.

Met drummer Chad Taylor, een bekend gezicht binnen de Chicago-scène die bijna veertig jaar jonger is dan Grimes, leidt het steeds opnieuw tot een frisse wisselwerking. Taylor is dan ook een virtuoos van de lepe soort, die niet uitpakt met het grote geweld of het uitbundige geratel, maar zich een fijnzinnige stilist toont die haast onopgemerkt stuwt, bijkleurt en commentaar levert, op de gepaste momenten een versnelling hoger schakelt en nu en dan ook niet vies is van een 4/4-beat. Bij Grimes was het allemaal wat minder trefzeker. Z’n spel was ongedwongen en in de gedreven bluespassages ook lekker rollend, maar regelmatig ook wat slordig, terwijl z’n obligate vioolstukjes lieten horen dat hij op dat instrument de beheersing en focus van een Billy Bang of Leroy Jenkins mankeert.

Het samenspel was echter regelmatig om duimen en vingers bij af te likken, en besloeg een indrukwekkend gamma. Zo statig en majestueus de eerste set op gang kwam, zo werd de tweede ook afgesloten. Niet bepaald hevig of extreem, maar wel onwaarschijnlijk heavy, ontsproten aan de zware emoties van Coltrane en Ayler, zwartgeblakerd als de vuilste blues en met de overtuiging van de gospel. Daartussen bewandelden de drie een boeiend parcours dat hen voerde via ballades, momenten van verrassend traditionele jazz, waarbij Ribot meer als Wes Montgomery dan zichzelf ging klinken, maar natuurlijk ook vrij aftastend, verbeten rotzooiend met die fameuze vloeiende hoekigheid en soms flirtend met schuimbekkende chaos.

De drie gebruikten duidelijk songmateriaal, maar het was niet altijd herkenbaar, en er werd ook inventief mee gespeeld. Zo kon je Ribots eigen “Fat Man Blues” plots horen overgaan in een passage die een ode leek aan Aylers interpretatie van marcherende volksmuziek. De tweede set leek lange tijd een stuk lichtvoetiger dan de eerste, maar culmineerde dus in een finale — het leek haast een combinatie van Coltrane’s “Alabama” en “Dearly Beloved” — die Ribots meesterschap ten volle liet horen met een broeierige, haast koninklijke grandeur met spirituele allure. Zware en extatische kost, maar die wel op waarde geschat werd door een publiek dat meesterschap herkende wanneer het te horen viel.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in