The Color of Money

Rond het midden van de jaren tachtig was Martin Scorsese verwikkeld in een eindeloze reeks pogingen om zijn passieproject The Last Temptation of Christ gemaakt te krijgen. In 1984 was hij al ver gevorderd met de preproductie, toen de betrokken studio zich alsnog plotseling terugtrok. Scorsese moest opnieuw op zoek naar geldschieters en naar een distributeur die moedig genoeg was om het bij voorbaat al omstreden project in de zalen te brengen. Het zou nog eens vier jaar duren voor hij daarin slaagde, en in de tussentijd draaide hij twee kleinere films: After Hours en The Color of Money. Waar After Hours wel nog een volbloed Scorseseprent was, doordrongen van zijn visuele en inhoudelijke dada’s, is het echter net iets te duidelijk dat The Color of Money een opdrachtfilm was. In de tussenliggende jaren is de prent, ondanks de kwaliteiten die hij ook wel heeft, dan ook duidelijk weggeborgen op het – gelukkig grotendeels lege – schap van de B-Scorsese’s (waar ook New York, New York en Kundun beland zijn).

De film is een sequel op de klassieker The Hustler, uit 1961, hoewel je die film niet per se gezien hoeft te hebben om de plot te volgen. Paul Newman herneemt zijn rol als “Fast” Eddie Felson, een professionele poolspeler die zich, na de gebeurtenissen uit The Hustler, heeft teruggetrokken uit de pool halls en tegenwoordig aan de kost komt als verkoper van drank. Daar komt verandering in wanneer hij kennis maakt met Vincent (een jonge, pre-Top Gun Tom Cruise), een waanzinnig getalenteerde, maar onvolwassen en overmoedige biljarter, die met moeite in het gareel wordt gehouden door zijn vriendin Carmen (Mary Elizabeth Mastrantonio). Eddie besluit Vincent onder zijn hoede te nemen en hem te leren hoe je echt grof geld kunt verdienen met pool.

Het probleem met dat scenario is dat het ongeveer even traditioneel en conventioneel is als het klinkt. We krijgen de vader-zoonrelatie tussen Newman en Cruise, het thema van de oude ritselaar die een kans ziet om zijn gloriedagen te herbeleven en de jonge hond die – misschien, misschien ook niet – op het punt staat om dezelfde fouten te maken als zijn mentor, zoveel jaren geleden. Vernieuwend kan je die thema’s niet bepaald noemen, en ze staan sowieso in sterk contrast met de complexe, veelgelaagde blikken op mannelijkheid, moraliteit en liefdesrelaties die te vinden zijn in Scorsese’s beste werk, zoals Raging Bull. The Color of Money is oppervlakkiger, meer voor de hand liggend. Los van de thematiek, worden overigens ook bepaalde plotelementen en personages verrassend slordig afgewerkt. John Turturro wordt aan het begin van de film geïntroduceerd als een arrogante poolspeler met de één of andere wrok tegen Newman, maar hoewel hij aan het einde nog eens een minuutje komt kijken, wordt met dat idee verder niets gedaan. Hetzelfde geldt voor de vrouw waarmee Newman tijdens de eerste akte een relatie heeft, en die daarna simpelweg aan de kant wordt geschoven.

Het meest interessante personage is, opmerkelijk genoeg, niet dat van Cruise of Newman, maar wel dat van Mary Elizabeth Mastrantonio. Mastrantonio is een actrice die eind jaren tachtig, begin jaren negentig sterk opkwam als leading lady, met rollen in Robin Hood: Prince of Thieves, The Abyss, Class Action en Consenting Adults (die laatste twee films hebben de tand des tijds niet echt overleefd, maar op dat moment waren ze wel erg succesvol en hadden ze in principe haar carrière op het gemakje verder moeten kunnen stuwen). Daarna verdween ze echter voor een groot deel uit het zicht, met enkel nog wat kleine bijrolletjes in films als The Perfect Storm en hier en daar een tv-serie. Jammer, want ze levert hier een ijzersterke acteerprestatie én ze heeft ook een boeiend personage te pakken. Terwijl Vincent de speelvogel is die zich laat leiden door zijn temperament, is Carmen de koele zakenvrouw die elke situatie onmiddellijk doorgrondt – ze is intelligenter en complexer dan haar vriend, een personage waarvan we constant de indruk hebben dat er méér aan de hand is dan wat we in de film zelf te zien krijgen. Er zijn zelfs momenten waarop je ’t jammer vindt dat de prent niet gewoon over haar gaat.

Zoals het is, kabbelt The Color of Money op een voorspelbare manier verder – niet oninteressant, maar wel te gewoontjes. Waar de hand van de regisseur wel duidelijk voelbaar is, is in de energieke cameravoering en montage. Ballen worden via dynamische tracking shots gevolgd over de pooltafel, een break wordt twee, drie keer herhaald in snelle jump cuts en de manier waarop Scorsese’s vaste monteur Thelma Schoonmaker speelt met reactieshots is fenomenaal.

De regisseur brengt al zijn professionalisme naar een scenario dat in feite zijn ding niet is. Het is niet moeilijk om te begrijpen waar de aantrekkingskracht van het project lag voor Scorsese: Paul Newman had hem zelf benaderd met het scenario nadat hij Raging Bull had gezien, en als fan van de klassieke Hollywoodcinema moet het voor Scorsese onweerstaanbaar zijn geweest om met een levende legende als Newman te werken aan een vervolg op een studioklassieker. Maar ondanks een knappe beeldvoering en acteerprestaties die variëren van zeer degelijk (Newman is een klassebak en ook Tom Cruise-met-waanzinnig-eighties-kapsel is best te pruimen) tot uitstekend (Mastrantonio), blijf je voelen dat dit ook voor de regisseur maar een tussendoortje was. Geen passieproject, maar iets leuks in-afwachting-vàn. Ik veronderstel dat hij daar recht op heeft, maar met een afstand van ruim 25 jaar blijft The Color of Money één van de magerste beestjes uit Scorsese’s stal.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in