Alice Doesn’t Live Here Anymore

In 1974 was actrice Ellen Burstyn een van de leading ladies van de Amerikaanse filmindustrie. Ze had net twee Oscarnominaties op zak gestoken, voor The Last Picture Show en The Exorcist, en ook The King of Marvin Gardens, met Jack Nicholson, had het erg goed gedaan. Hoewel ze geen traditioneel babe-uiterlijk had, profileerde ze zichzelf als een sterke, emotioneel intense actrice die veel verschillende rollen aankon. Als een gevolg van haar succes kreeg ze het scenario van Alice Doesn’t Live Here Anymore aangeboden als een soort egoproject: een eigentijds vrouwenportret waar ze vrijwel volledige artistieke controle over kon uitoefenen. Voorrecht nummer 1: Burstyn mocht de regisseur uitkiezen. Uiteindelijk liet ze haar oog vallen op Martin Scorsese, die een jaar eerder Mean Streets had afgeleverd. De stap van de übermannelijke wereld van Little Italy naar deze vrouwelijk gecentreerde slice of life leek enorm, maar de jonge filmmaker bracht het er uitstekend van af. Alice Doesn’t Live Here Anymore werd een commercieel en kritisch succes, en bezorgde Burstyn haar eerste en enige Oscarwinst.

De prent draait rond Alice Hyatt, een verveelde huisvrouw die ooit droomde van een carrière als zangeres, maar nu voornamelijk dienst doet als meid van haar chagrijnige echtgenoot. Wanneer die sterft in een ongeluk, pakt Alice haar koffers en trekt ze samen met haar elfjarige zoontje Tommy (Alfred Lutter) richting Californië. Bij gebrek aan geld moet ze onderweg stoppen in Phoenix en Tuscon om bij te klussen als cafézangeres en serveerster. En uiteraard valt ze opnieuw voor de charmes van het plaatselijk mannelijk schoon.

Scorsese heeft altijd beweerd dat de films van John Cassavettes een grote invloed op hem uitoefenden toen hij jonger was, en dat is nergens beter zichtbaar dan in Alice. Cassavettes was een van de eerste onafhankelijke filmmakers, die samen met zijn vrienden en wat goedkoop 16 mm-filmmateriaal tragikomedies of drama’s maakte over het dagelijkse leven. Geen grootse gebeurtenissen of gecompliceerde intriges, maar huiselijke situaties en echte mensen. En dat is ook wat Alice te bieden heeft: het is een tranche de vie, over een vrouw die opgegroeid is met het idee dat je een man nodig hebt om te kunnen overleven, en dat idee nu noodgedwongen volledig moet herzien.

Veel van de scènes hebben een improvisatorische kwaliteit (en Scorsese maakte klaarblijkelijk inderdaad veel gebruik van improvisatie om de scènes vorm te geven): denk maar aan een sequens waarin Alice en haar zoon plotseling een watergevecht beginnen in hun motelkamer, of één waarin Tommy eindeloos opnieuw en opnieuw een flauwe grap aan zijn moeder uitlegt. Dat is iets dat erg doet denken aan de cinema van Cassavettes, om nog maar te zwijgen van de handgehouden camera die Scorsese gebruikt voor het grootste deel van de film. Die filmstijl geeft de indruk dat de acteurs alle vrijheid hebben om te bewegen op de set, en dat de camera hen wel zal volgen. Hij staat overigens in fel contrast met de openingsscène, een extreem gestileerde hommage aan The Wizard of Oz, met felrode belichting en bewust kunstmatige sets, waarin we Alice zien als kind. Die beginscène toont ons hoe Alice haar verleden idealiseert. En na die droom word je wakker in de moderne, chaotische realiteit.

Alice Doesn’t Live Here Anymore blijft één van de meest milde, charmante en grappige films die Scorsese ooit heeft gemaakt. Waar hij meestal op zoek gaat naar het duistere en destructieve in de mens, of hooguit naar dat deel van zijn personages dat probeert om zich verheffen boven die duisternis en (zelf)vernietiging, merk je hier een veel lichtere toets. De wisselwerking tussen Ellen Burstyn en Alfred Lutter is regelmatig erg geestig en dammit, met veel goede moed slaagt Alice er toch maar in om zichzelf telkens opnieuw uit de problemen te redden. In dat opzicht is Alice Doesn’t Live Here Anymore wellicht de meest optimistische film uit het oeuvre van de regisseur, én een spirituele voorganger van Erin Brokovich. In een bepaalde scène stapt Alice een kroeg binnen om een job als zangeres te scoren. “Draai je eens om,” zegt de cafébaas, “zodat ik je goed kan bekijken.” Het antwoord van Alice: “Kijk dan naar m’n gezicht, ik ga toch niet met mijn kont zingen.” Van die scène is het maar een héél kleine stap naar Erin Brokovich.

Zoals alle films over vrouwen, is ook Alice al uitgebreid geanalyseerd in termen van genderpolitiek: geen film over een vrouw of hij moet en zal per definitie een standpunt innemen over het feminisme. En in dat opzicht laat de film zich niet zo makkelijk vastpinnen. Alice is een waanzinnig sterke, intelligente vrouw met een krachtig gevoel voor humor, ook wanneer het haar niet meezit. Maar ondertussen vindt ze het ook moeilijk om te leven zonder man, en het feit dat ze die vorm van bescherming opzoekt, heeft al voor kritiek gezorgd onder feministen. Hoe je ’t ook bekijkt, Alice Doesn’t Live Here Anymore biedt sowieso een genuanceerd beeld van de relaties tussen mannen en vrouwen, en lijkt te begrijpen dat je én een slachtoffer, én een feministische heldin én een beetje een bitch tegelijk kan zijn.

Buiten de ijzersterke centrale vertolking van Ellen Burstyn is er mannelijk weerwerk van een jonge Harvey Keitel en Kris Kristofferson, die hier het archetype van de zwijgzame, sterke man mag spelen. Hij straalt een enorme kalmte en tederheid uit in zijn rol, die dan sporadisch doorbroken wordt wanneer het ook hem te veel wordt. Kristofferson was in die tijd een onderschat acteur, wiens carrière daarna een stevige deuk kreeg door het fiasco van Heaven’s Gate.

Alice Doesn’t Live Here Anymore is geen film die je spontaan associeert met Scorsese, maar het is er wel een waarmee hij uit zijn comfort zone stapte en er toch in slaagde om een memorabele prent te maken. Tegenwoordig misschien een tikkel gedateerd, maar nog altijd meeslepend en moeiteloos charmant.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in