Body/Head :: Coming Apart

Wie de voormalige Sonic Youth-leden ook volgde buiten de context van de moederband, die wist het natuurlijk al langer, maar toch betekende het einde van dat legendarische hoofdstuk dat duidelijker werd hoe complex de verhoudingen er binnen die band uit zagen. Of op z’n minst maakte het duidelijk dat we te maken hebben met persoonlijkheden die ook in afgezonderde context overeind blijven en resoluut een individueel ontwikkelingspad volgen.

Het is ook wel mooi dat de vier voormalige leden niet zomaar op hun lauweren gaan rusten of voorgekauwde pleziertjes uitbrengen. Lee Ranaldo volgt misschien de meest conventionele route met zijn laatste twee albums, al zou dat ook weer kunnen omslaan. Hij blijft immers ook de man die een resem platen opnam met William Hooker en vorig jaar nog een sterk album uitbracht met het trio Glacial. Thurston Moore stond recent vooral in de spotlights met de redelijk conventionele noisy rock-‘n-roll van Chelsea Light Moving, maar blijft er een schizofrene carrière op nahouden die hem ook in de nabijheid van figuren als John Zorn en Mats Gustafsson brengt. Het opvallendste parcours is misschien wel dat van Kim Gordon, die het meest aansluit bij de vroege dagen van Sonic Youth, maar toch een eigen koers volgt.

Een optreden in Hasselt in het begin van 2012 zorgde meteen voor de nodige controverse. Een compact en grensverleggend staaltje übernoise voor de ene, een fletse schertsvertoning van een gemakzuchtig kwartier voor de andere. Het zorgde er alleszins voor dat we de release van Coming Apart met enige voorzichtigheid én fascinatie afwachtten (vandaar ook onze late recensie). En kijk: eigenlijk was dat helemaal niet nodig, want Coming Apart blijkt voor het grootste deel een prima release, die een pak toegankelijker is dan de aanvankelijke geruchten over onbeluisterbare, geïmproviseerde chaos deden vermoeden.

De stukken zijn voor een groot stuk vermoedelijk geïmproviseerd, maar het album voelt wel aan als een geheel, een verzameling songs waarmee Gordon (gitaar, zang) en kompaan Bill Nace (gitaar) de werelden van noise, drones en performance verenigen. Even opmerkelijk als het muzikale luik, zijn ook de zangpartijen van Gordon. Bij Sonic Youth zorgde ze vaak al voor de meest theatrale en ongemakkelijke momenten, en dat is nu niet anders. Haar amechtige gekerm, gezeur en gedeclameer staan regelmatig prominent op de voorgrond, waarbij de neiging groot is om ze ofwel te ontleden als commentaar op haar spaak gelopen huwelijk met Moore, of als haar visie op creatieve processen en rollenpatronen, ook een rode draad binnen haar SY-bijdragen.

Vanaf “Abstract” worden stijl en sound meteen uit de doeken gedaan, met een drone-achtige gitarenverstrengeling die net zozeer ingepast kan worden in de psychedelische muziek van de jaren ’60 en ’70, of de herwaardering daarvan door figuren als Keiji Haino of Makoto Kawabata. Opwindend is vooral hoe de song na een tijdje op het punt staat helemaal uit elkaar te vallen, en dan terug een enorme boost krijgt door een bruut terugkerende gitaarshot. “Last Mistress” lijkt dan weer een combinatie van de vroege Sonic Youth en de The Velvet Underground van de banaan: pal in een ritualistische no wave-traditie.

Opmerkelijk is ook hoe de gitaarsessies soms een opmerkelijke grandeur krijgen. In “Actress” bijvoorbeeld, zorgt de combinatie van Gordons sloganeske zang en de knappe gitaarinteractie voor een hoogtepunt met schijnbaar transcendente ambities. Het laat het duo ook horen binnen een vrij rechtlijnige context – repetitief en een stuk ontoegankelijker dan de latere Sonic Youth-albums, maar zeker nog verteerbaar voor wie tegen een stootje kan. Dan is “Everything Left” wel andere koek. Hier is de ritmische puls afwezig en wordt geëxperimenteerd met wringende effecten op een manier die eerder aan Throbbing Gristle doet denken. De combinatie van een ondoordringbare sfeer en de met galm bedekte vocalen van “Can’t Help You” sluiten dan weer aan bij de pervers klinkende waanzin van Suicide.

De eindspurt, nu ja, valt waarschijnlijk het moeilijkst te verteren. Het in schimmige gitaarpartijen verpakte “Aint” is met z’n lange wel/niet-lijsten eigenlijk pure grootstadsblues en een aanloop naar het gerekte een-tweetje “Black” en “Frontal”, samen goed voor een half uur muzikale stretchoefeningen. Hoewel lawaaierige texturen en feedback hier minder prominent aanwezig zijn, blijft het balanceren op de slappe koord tussen creativiteit en zelfgenoegzaamheid. Verwerk die stukken in je album en de luisteraar wordt gedwongen om zich aan te passen. Door die afmattende stukken, waarin je dan nog eens met je snuit in Gordons ontzette monoloog over moord en verkrachting wordt gedrukt, helemaal achteraan de plaat te zetten, maak je het veel luisteraars te gemakkelijk om daar af te haken.

Dus: goed? Ja. Het past mooi in tradities van de New Yorkse gitaarexperimenten, met hier en daar het minimalisme van een Chatham en de drones die sinds de hoogdagen van de psychedelica nooit helemaal weg zijn geweest, met als kers op de taart nog het activisme van Gordon, die dit muzikale experiment daarmee richting performance stuwt. Een verwijzing naar de experimentele roots van Sonic Youth en een intrigerende, ‘nieuwe’ carrièrewending in één.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in