Joachim Badenhorst :: 2 x Klein: Nachtigall & Sparrow Mountain

Het lijkt wel alsof de release van The Jungle He Told Me (Smeraldina-Rima, 2012), een soloalbum dat zowel aan deze als aan de andere kant van de oceaan kon rekenen op unaniem enthousiaste reacties bij de liefhebbers van het vrije werk, een en ander op gang gebracht heeft voor Badenhorst, want amper tien maanden later staat hij er met z’n eigen Klein-label en twee releases onder de arm.

Voor de eerste daarvan gaan we terug naar 23 maart van dit jaar, toen Joachim Badenhorst in concertzaal Rataplan (Borgerhout) een concert speelde met twee door hem uitgenodigde grootheden van de Britse vrije muziek: rietblazer John Butcher en percussionist Paul Lytton. De dag na het concert trokken de drie ook nog eens de studio in en Nachtigall verzamelt resultaten uit beide dagen. Wat meteen opvalt, is hoe samenhangend het album klinkt. De drie muzikanten klikten meteen in elkaar om zich vervolgens op te houden op het terrein van de door klankrelaties en -eigenschappen geobsedeerde vrije improvisatie.

Het maakt van het album wel een behoorlijk taaie brok om uit te zitten. Kreeg je live een afwisseling van solo-, duo- en triostukken, en door het visuele aspect een goed inzicht in de oorsprong van die geluiden, dan bevat deze release enkel opnames van de drie samen. En die muziek klinkt doorgaans redelijk abstract. Zowel Badenhorst, Butcher als Lytton zijn dan ook artiesten die de confrontatie met elkaar, het materiaal en de ruimte aangaan, en voortdurend het palet aan mogelijkheden proberen uit te breiden of bij te sturen. Dat leidt vaak tot een opeenstapeling van extended techniques en intense geluidsverstrengelingen waarbij de muzikanten elkaar aantrekken en afstoten als onvoorspelbaar rond elkaar cirkelende magneten.

Lytton, voortdurend in de weer met ratelende speeltjes en variaties op allerhande gerammel, zorgt voor een rommelende en kletterende potten- en pannenaanpak (en daardoor heeft het soms wel iets van de roterende resonanties op Apophenia van Butcher en Gino Robair), terwijl Butcher en Badenhorst om beurten het voortouw nemen in subtiel verschuivende improvisaties waarin soms knappe harmonieën opduiken, en hier en daar soms even ongegeneerd zingende momenten, maar net zo vaak gekwetter en geslurp. Zowel de driedelige “Nachtigall Suite” als de resterende vijf stukken vormen daarbij een knap geheel, waarbij vooral het samengaan van Butchers sopraansax met Badenhorsts basklarinet voor een ongehoorde combinatie zorgt.

Door het gebrek aan houvast en conventionele klanken is dit een release die de volle concentratie opeist. Dat is eigenlijk het geval voor alle releases waarop Butcher te horen is. Diens onaantastbare technische meesterschap spat ook nu van deze opnames, maar als er in België een muzikant is die beschikt over de bagage en de openheid om de uitdaging aan te gaan, dan is het Badenhorst. Daarvan biedt Nachtigall meer dan voldoende bewijs.

Sparrow Mountain van het internationale Carate Urio Orchestra laat dan weer een heel ander geluid horen. Zeven muzikale karakters, zes nationaliteiten. Wie Badenhorst al even volgt, komt echter vooral bekend volk tegen. Altviolist Frantz Loriot en bassist Pascal Niggenkemper spelen met de Antwerpenaar in Baloni, de Catalaanse gitarist Nico Roig kennen we van Os Meus Shorts en bassist Brice Soniano van Rawfishboys. De Ijslandse trompettist Eirikur Orri is soms het vijfde lid van Mogil, en dan is er ten slotte de Ierse drummer Sean Carpio, die ook al een paar keer met Badenhorst zetelde in allerhande internationale contexten.

Meer nog dan die veelkleurige line-up, is het de muziek die opvalt. Zo wordt er regelmatig gezongen en even nadrukkelijk naar de wereld van de rock gelonkt als naar die van de improvisatie en avant-garde. Hitlijstmateriaal is het opnieuw niet (je zal het ook niet snel op Radio 1 horen), maar er zijn invloeden merkbaar uit postrock, filmmuziek, minimalisme en lo-fi folk. Nochtans gaat het redelijk mysterieus en weerbarstig van start met “Larvae”, dat zich aanvankelijk lijkt op te houden op het terrein tussen vrije improvisatie en moderne klassiek, met wrijf- en reutelklanken, schrille pieken en haast drone-achtige elementen. Zoals daarna vaker zal gebeuren, komt er dan een wending aan, en begeeft de muziek zich in een meer gestroomlijnde richting, met een melancholische meeslependheid die uitmondt in een forse muur van geluid.

Die beweging van ingetogen, haast fragiele aanlopen, naar uit hun voegen barstende finales komt dus een paar keer terug, zoals ook in de titeltrack, die vanuit introverte kamermuziek, een sobere wirwar van snarengepluk, belandt bij een gestaag intensifiërende, bombastische climax die haast tegen het werk van Jaga Jazzist aanleunt. In “Sidereal” wordt een vaag vergelijkbare verschuiving gecreëerd van minimalistische klanken, met breekbare gitaar- en trompetpartijen die de baan vrijmaken naar een grandioze uitbarsting. In “Laglio”, dat van start gaat als een filmisch stukje van DeVotchKa, leidt het dan weer tot een harder, haast noisy verhaal.

Geen van de muzikanten toont zich hier een groot zanger, maar de vocale bijdragen passen wel prima binnen deze muziek. Vooral Roigs delicate zang in de folkachtige ballade “Germana”, die mooi wordt aangevuld door een meerstemmigheid van de band, trekt de kaart van de charmante weemoedigheid. Het stuk slaat halverwege om naar een marcherend ritme en bloeit helemaal open met een zingend thema waarin Badenhorsts basklarinet zorgt voor een klein brokje magie. Als die laatste zelf het voortouw neemt met een vocale partij, zoals in “Een Schoon Hemd”, dan heeft het vaag iets van de half gemurmelde praatzang van Christof Kurzmann in diens El Infierno Musical-project. Merkwaardig maar geslaagd, en van weerwoord voorzien door een innemende solo van Orri.

Het is perfect voor te stellen dat deze composities door het spelen met verschillende bezettingen een heel andere vorm en uitvoering krijgen (“Comacina Dreaming” is een brok minimalisme op maat van Loriot), maar in deze gedaantes zorgt het voor een mooie slingerbeweging tussen soberheid en weldadigheid. Het is even wennen, zeker voor degenen die vooral vertrouwd zijn met ’s mans meer jazzgerichte werk, maar de vaak filmische composities laten een gedaante horen van Badenhorst die nog maar eens zijn veelzijdigheid onderstreept.

Een beetje aandacht voor de uitgaven zelf, met prachtig design en zeefdrukken van Marijke Loozen (Smeraldina-Rima), is hier ook wel op z’n plaats. Beide releases zijn naast overtuigende albums ook mooie artefacten om in huis te halen. Ze kunnen besteld worden via de website van Badenhorst.

Het album van het Carate Urio Orchestra wordt voorgesteld op 27/9 (Scheld’apen, Antwerpen) en 28/9 (Vrijstaat O., Oostende). Die laatste avond kadert in 20 jaar JazzLab Series en gaf een carte blanche aan Badenhorst. Naast Carate Urio in kwartetvorm zijn er ook concerten van Rawfishboys en Nico Roig.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in