Jobs

Toen Steve Jobs in oktober 2011 het tijdelijke voor het eeuwige inruilde, kreeg de man op Facebook nog een stuk meer RIP’s naar zijn hoofd geslingerd dan Michael Jackson twee jaar eerder. Dat een informaticus en zakenman tegenwoordig méér impact heeft op het sociaal-culturele leven dan de King of Pop himself, mag dan wel enigszins vreemd overkomen, er zit toch een zekere logica achter: wat de moonwalk en videoclips waren voor de hipsters van de jaren ’80, zijn de iPhone en de iPod voor de hipsters van het nieuwe millennium. Komt daar nog bij dat er weinig mensen zozeer met een bedrijf of fenomeen geïdentificeerd worden als wijlen Steve Jobs: een paar maanden na ’s mans overlijden overhoorde ik toevallig een conversatie van twee tieners over een nieuw modelletje van de iPad, toen een derde plots opmerkte dat er geen nieuw model meer kan zijn uitgekomen, want ‘Steve Jobs is dood, joenge!’. Tel bij zulke perceptie een stevige dosis mythevorming, en er moest wel een biopic of twee aankomen: wie niet wil wachten op Aaron Sorkins bewerking van Jobs’ biografie, kan nu al naar Jobs gaan kijken. Waarom u dat zou doen, is me echter een raadsel.

In Jobs – volgens IMDb mag ik ook jOBS schrijven, maar goede smaak belet mij dat – krijgen we te zien hoe Stevie de overstap maakt van LSD op de universiteit van Portland naar Apples in de garage van zijn adoptieouders, en de daaropvolgende rise and fall van het brein achter het Apple Computerbedrijf. Gehypet bij de release van de Apple II eind jaren ’70, afgedankt omwille van slechte verkoopcijfers en een moeilijk karakter in de jaren ’80, leren we Steve Jobs (Ashton Kutcher, of all actors) kennen als een ambitieuze en eigenzinnige maar vooral ongelooflijk gefrustreerde man, die meer interesse heeft voor de lettertypes op zijn nieuwe software dan voor de mensen rond hem. Wie op een snijdend scherpe satire als The Social Network had gehoopt, zal zich echter stevig bekocht voelen: Jobs verzuimt immers om dieper te gaan dan het publieke imago en blijft steken in een pijnlijk eendimensionaal portret.

Daar zijn in wezen drie schuldigen voor: scenarist Matt Whiteley, regisseur Joshua Michael Stern en hoofdrolspeler Ashton Kutcher. Over de prestatie van die laatste is al heel wat inkt gevloeid: aan de andere kant van de grote plas zijn er immers nogal veel critici van overtuigd dat de beste graadmeter voor een goede acteerprestatie niet het neerzetten van een sterk personage, maar wel het imiteren van een beroemdheid is. Over de maniertjes die Kutcher van Steve Jobs overneemt, wil ik niet te veel uitweiden – een andere recensent heeft reeds de vergelijking gemaakt tussen het karikaturale loopje en The Ministry of Silly Walks – maar ik heb in elk geval twee uur lang naar die hyperkineet uit That ‘70s Show zitten kijken, en niet naar de uitvinder van alles wat met ‘i’ begint. En die hyperkineet uit That ‘70s Show is nog altijd geen groot acteur: Kutchers’ incarnatie van Steve Jobs bestaat vooral uit heel veel geroep en getier, en weinig subtiel overgebrachte frustraties en ambities, maar alles wat daaronder zou kunnen zitten, krijg je niet te zien in deze biopic.

Voor een film over een productontwikkelaar die prat gaat op een mooi design, handig gebruik en veel subtiliteit is het opvallend hoezeer regisseur Joshua Michael Stern de emotionele knooppunten van de film in je strot ramt. Stern moet wel een geheim verleden als videoclipregisseur hebben, want het aantal montagesequenties dat hij voorziet van een hip jaren ’70-deuntje, is werkelijk niet te tellen, en ’s mans drang om elke emotionele scène van een geforceerd muzikaal accent te voorzien, is blijkbaar onbedwingbaar. Wel een slimme keuze: het gebruik van klassieke pellicule in plaats van digitale film, om het retro-seventies-gevoel van de film extra in de verf te zetten, en de inclusie van Bob Dylan op de soundtrack. Anderzijds staat ‘Boots of Spanish Leather’ ook gewoon op de iPod – dank u, Steve – van eenieder met goede smaak, dus daarvoor hoeft u ook al niet naar Jobs te gaan kijken.

Misschien wel het grootste mankement aan deze klungelige biopic is het scenario van debutant Matt Whiteley. De rechten van Walter Isaacsons biografie over de Apple-topman liggen op het bureau van Aaron Sorkin (scenarist van The Social Network en The West Wing) en dus moesten de makers van Jobs het stellen met wat er algemeen bekend is over Jobs’ carrière en levensloop, aangelengd met informatie uit interviews met betrokkenen. Dat heeft niet echt tot nieuwe of enigszins interessante inzichten geleid, en nog veel minder tot een samenhangende plot. Meer nog, het scenario van Jobs is een zootje. Van een vertelritme is op geen enkel moment sprake – ook niet op het vlak van montage trouwens – en er wordt lustig van de hak op de tak gesprongen. Een woede-uitbarsting aan het adres van Bill Gates, waarbij Jobs dreigt om via de rechtbank negentig cent van elke dollar die Gates verdient af te nemen, is niet alleen hilarisch karikaturaal geacteerd, maar blijft ook zonder enig spoor van vervolg, en hetzelfde geldt voor Jobs’ problematische privéleven – aan het begin van de film weigert-ie halsstarrig z’n dochter te erkennen, aan het einde van de film woont ze bij hem in, zonder dat we enige ontwikkeling in die ‘plotlijn’ hebben gekregen. De regelmatige aanvaringen die Jobs dan weer kende met de raad van bestuur zijn zo repetitief en eenzijdig dat ze al heel snel heel erg gaan vervelen.

Het is dan ook heel veelzeggend dat de meest interessante vraag die de hele film opwerpt luidt of Bob Dylan al dan niet creatiever is dan The Beatles – u mag uw persoonlijke mening altijd achterlaten in de commentaarsectie – en dat Jobs ons op geen enkel moment iets boeiends weet te vertellen over het leven van een man wiens verwezenlijkingen sowieso al genoeg worden gehypet door miljoenen volgelingen die bij elk spatje kritiek op Steve Jobs of zijn erfenis meteen een Facebookdiscussie beginnen waar geen einde aan lijkt te komen. Dat Jobs heel wat interessante en vernieuwende producten op de markt heeft gebracht, wist ik al langer (deze recensie is trouwens geschreven op een MacBook, mocht u zich dat afvragen), maar het leven of de persoon achter het ronde glazen brilletje kunnen mij minder dan ooit boeien. Sorry, beste makers van Jobs, maar iDon’tGiveAFuck.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in