Johnny Dowd :: 16 september 2013, Café Video

De tijden dat hij het snoepje van de dag was in rootsmilieus liggen al even achter ons, maar Johnny Dowd werkte sinds het verschijnen van z’n debuutplaat einde jaren negentig gestaag verder aan een oeuvre dat intussen indrukwekkende proporties aanneemt. Gisteren stond hij voor het derde jaar op rij in Café Video, en net als vorig jaar met een kersverse plaat onder de arm.

Do The Gargon, studioalbum #10, laat horen dat er nog altijd geen maat staat op Dowds geestdrift en productiviteit, want het combineert de consistentie van het redelijk geweldige A Drunkard’s Masterpiece (2008) met de toegankelijker songs van Wake Up The Snakes (2010) en portrettenverzameling annex vrouwenode No Regrets (2012). Het aan het ‘Gargon’-typetje opgehangen geheel bulkt van de zotheid en dementie, maar de muzikale inkleding, die sterker dan ooit tevoren heil zoekt bij funk, boogierock en disco, blijft verbluffend uniek. En dat niet alleen binnen de wereld van de rootsmuziek, die soms wel heel erg veraf is.

Dowd beschikt dan ook over twee jongere kompanen die zoveel meer zijn dan begeleiders. Drummer Brian ‘Willie B.’ WIlson (na z’n uren ook het ritmische anker in de band van Jamie Lidell) is al sinds Pictures From Life’s Other Side (1999) van de partij en toetsenist Michael Stark, intussen ook al een jaar of zeven guilty by association, is een ervaren muzikant die ooit nog in de leer liep bij jazzgigant Jackie Mclean. Als de twee in elkaar haken, wat ze als duo ook doen onder de naam Tzar, dan kan je er gif op innemen dat het gebeurt met een strakheid een klassieke funkband waardig. En doorgaans voorzien van een vunzig shot kliederjazz en verslavende grooves.

Maar er is natuurlijk ook dat sleazy aspect. Dowd is nu eenmaal ook het vettige nonkelke, de man van de zieke grijns die de grietjes uitnodigt om plaats te nemen op z’n knokige schoot, dus het mag niemand verbazen dat hij aan z’n concert begon met de lepe aanloop van “Girl In A Suitcase”, zowat de enige song op Do The Gargon die niet rechtstreeks op de heupen mikt. Sudderende orgelklanken en gedempte stokken brengen het boeltje op gang, maar ze worden al snel vergezeld van die krakende stem met dat zware accent en die steeds nijdiger klinkende bluesgitaar. Het is meteen ook de aanloop naar een indrukwekkend eerste half uur.

“Shaquille” volgt snel. Een lompe riff, extra aangezet door Wilsons zwaar brommende baspedalen, creëert een sfeertje dat meer Black Sabbath dan Hank Williams is, terwijl Dowd zich te buiten gaat aan een verhaal waar geen bal van te begrijpen valt, maar waarin die falsetto’s wel hilarisch werken. Hoogtepunt is vervolgens “Gargon Gets All Biblical”, verbasterde funk die meteen gebruikt kan worden om te testen of je beschikt over een seksgen. Niet bewegen wijst op een zombiegehalte. En Dowd maakt nog eens duidelijk dat er in zijn wereld ook plaats is voor een forse dosis Beefheart.

En zo kronkelt de set zich glibberig voort, frequent onderbroken voor allerhande ongein en vergeten tekstflarden. Zompige blues wordt opgeluisterd met orgelpartijen die naar het universum van Sun Ra lonken, Tzar gaat, terwijl Dowd zich te goed doet aan een driedubbele whiskey, volledig de jazzfunktoer op, en het trio belandt uiteindelijk bij het ‘autobiografische’ “Pretty Boy”, één van het handvol odes aan eeuwige favoriet ZZ Top.

Dowds concerten worden bijna altijd in twee gespleten door een moment dat de laatste zekerheden overboord gooit en aanleiding geeft tot een schijnbaar spontane afwisseling van woord en muziek, zin en onzin. Dowd is gelukkig ook een artiest van het kaliber dat daarmee weggeraakt, en ook nu blijft de gekte vooral erg hard amuseren. Er komt een gedicht aan te pas, Willie B. mag “Nancy” op gang trekken met een drumsolo (en jongens, wat is die kerel een metronoom) en een Bee Gees-imitatie, om vervolgens te zorgen voor zowat de vunzigste jam die dit jaar in Gent te horen viel.

Dan komt het signaal dat de tijd er bijna op zit voor de band, iets dat naar goede gewoonte aangegrepen wordt met een uitsmijter die nog eens de puntjes op de ‘i’ zet (“Do The Gargon”) en eentje die de dunne grens tussen ontspoorde nonchalance en eigenzinnigheid bewandelt. Het ontzettend vals gejammerde “Drunk” is een pastiche van country schmalz zoals je die vroeger wel vaker hoorde bij Dowd. Een dronkemanslied dat zelfs de meest bezopen zeeman op de vlucht doet slaan. Conclusie: Dowd speelt nog altijd concerten die soms met haken en ogen aan elkaar hangen, maar tegelijkertijd bewijs zijn van een onverminderde creativiteit en onvoorspelbaarheid. Niet iedereen kan daarmee om, maar het is een vrijheidsdrang die je de dag van vandaag veel te weinig te zien krijgt. Hij blijft een mafketel om aan het hart te drukken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in