Waxahatchee :: Cerulean Salt

Goed negen jaar geleden, op The Libertines’ tweede en laatste album, zong Pete Doherty “Oh, what you gonna do, Katie / You’re a sweet sweet girl / But it’s a cruel cruel world.” Het zou zomaar het lijflied kunnen zijn van Katie Crutchfield, die je pijn doet op plaatsen waar je niet wist dat het pijn kon doen, en in een ruk een van de mooiste, ontroerendste platen van 2013 gemaakt heeft.

Het moet wat vreemd aandoen, de lof die Crutchfield als Waxahatchee – een van de vele projecten en bands waar ze al in heeft gediend, waarvan P.S. Eliot het bekendst is – oogst met Cerulean Salt: Waxahatchee’s eerste plaat American Weekend bleef vooral in besloten kring circuleren en werd door geen enkel groot medium echt opgepikt. Dat de opvolger van die langspeler wel de nodige en verdiende buzz meekrijgt, ligt vooral aan het feit dat Cerulean Salt (dat bij momenten doet denken aan Cat Power of Elliott Smith) veel voller, muzikaal volwassener en beter geproducet klinkt. De muziek is gelaagder, het tempo beter gebalanceerd.

Die balans komt vooral de emoties in Crutchfields songs ten goede. Cerulean Salt is in de eerste plaats een trieste ode aan het verlies van de onschuld, aan de tijd die onverbiddelijk aan een mens sleurt. Op ieder moment ademt de plaat een tristesse uit over wat geweest is en niet meer komen gaat, aan wat voorbij en kapot is, en aan liefde en mensen die je nog even niet wil laten gaan – hoe destructief die liefde of mensen ook mogen zijn. Haar personages hebben genoeg verkeerde keuzes gemaakt, maar ze zouden ze meteen opnieuw maken.

“Won’t you sleep with me / Every night for a week / And won’t you just let me / Pretend this is the love I need” zingt ze in het innig mooie hoogtepunt – zowel muzikaal als tekstueel – Swan Dive, en die tekst zegt veel over hoe de mensen in haar nummers in het leven staan: allemaal zijn ze op zoek naar een of andere geborgenheid; eens ze die gevonden hebben, laten ze die niet zomaar gaan, ook al zou dat verstandiger zijn. Dat wordt het duidelijkst verwoord in Blue Pt. II en Misery Over Dispute, maar het is een rode draad doorheen alle nummers.

Vergis u niet: Cerulean Salt is geen plaat zonder lichtpunten. Opgewekt worden de teksten nooit helemaal, maar muzikaal zijn de tempowisselingen legio, en op die manier houden de songs elkaar in evenwicht. Opener Hollow Bedroom – met zijn bluesy gitaren waarover een andere gitaar heen komt huilen, zoals Mark Kozelek het ook soms deed op zijn meesterwerk April – slaat meteen gensters: “I left like I got my way / but truly I left with nothing at all” begint Crutchfield dit nummer over het besef dat de realiteit nooit zo mooi is als je het gedroomd had. Dixie Cups and Jars gaat op hetzelfde zwaarmoedige elan verder, maar dan is er een vrolijker klinkend, uptempo nummer als Lips And Limbs dat de zon weer even laat schijnen – al is de opgewektheid vooral een manier om te berusten in de middelmaat, de sleur, het vergeten van alles wat je ooit verlangde, en het aanvaarden van het feit dat misère nu eenmaal vroeg of laat je pad zal kruisen.

Die muzikale afwisselingen doen de plaat ademen: hard en zacht wisselen elkaar af; nu eens zalft Crutchfield, dan weer rijt ze uiteen; er mag al eens gefluisterd worden, maar het mag evengoed luid, brutaal, en schreeuwerig. In Brother Bryan, de strafste song op het album, klinken de drums dreigend en depressief, in Coast to Coast mag het allemaal wat luchtiger – rechttoe-rechtaan rock, oorwurmrefrein, “oe-oe-oew-oew”-deuntje erdoor – en in Lively wordt er zacht getokkeld.

Het indrukwekkendste aan Cerulean Salt is misschien wel de observatie dat de stortvloed aan emoties nooit verzandt in overdreven sentimentaliteit of zwartgalligheid zonder inhoud (hi there, White Lies) of diepgang, die op Cerulean Salt vooral voortvloeit uit de ruimte die Crutchfields teksten laten voor de luisteraar. Om maar te zeggen: Waxahatchee heeft een prachtige langspeler gebaard, eentje waar u lang van zal genieten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in