Absolutely Free Festival :: 3 augustus 2013, C-Mine Genk

Ah, het AFF in Gènk. Had het festival in de jaren negentig nog een sjofele ‘we-doen-maar-wat’-aanpak (die wel wérkte), dan is het evenement anno 2013 uitgegroeid tot een professioneel georganiseerd evenement. Van dat unieke karakter en die charme is echter nog niks verloren gegaan: AFF blijft een buitenbeentje in het festivallandschap en had een programma in elkaar gebokst dat herhaaldelijk imponeerde.

De openingsavond met techno-icoon Derrick May, die naar verluidt 4000 (!) bezoekers trok, lieten we aan ons voorbij gaan (stramme spieren en zo), maar op Dag 2 passeren nog eens 24 bands, niet slecht voor een gratis festival. We hebben het even nagekeken, de shows op het hoofdpodium en die in de twee kleinere tenten lossen elkaar perfect af, wie dus wil én kan, ziet vandaag 16 sets. Zo’n vaart loopt het bij enola niet: sinds epo opspoorbaar is moeten we onze momenten kiezen. Toch zal het een verslag worden waarmee je, als je het afdrukt, een klein dier kan doodslaan: dat heeft te maken met de sterke line-up en de massa te ontdekken bandjes. Laten we beginnen met die laatste. Lege batterijen in de ton mikken en aanschouwen maar!

Terwijl we achtervolgd worden door een vrijwilliger van Natuurpunt die ons lid wil maken, horen we nog net het laatste nummer van Longlost, een Limburgse rockband met hardcore-invloeden. Te laat om een waterdichte conclusie te vormen, maar meer dan degelijk om een tent op de drukbezette affiche te openen. Voor The Spectors zijn we wel op tijd. Blijkbaar al een aantal concours gewonnen, maar vandaag laat zowat alles en iedereen het afweten: het geluid, (even) het materiaal, een gitarist (doch verdienstelijk vervangen door iemand met maar één repetitie achter de kiezen) én de stemmen van beide zangeressen. Het zal helaas voor een andere keer zijn, deze vertoning is hopelijk geen referentie voor hun échte kunnen.

Van de Green House is het slechts een boogscheut naar het XPRMNT-podium, waar tegelijkertijd Fitzrow speelt. In dit gezellig wassalon — een oude wasmachine, iemand? — staat een trio van zang, drum en synth dat op dit vroege uur voor een zeldzaam moment van herkenning zorgt, al zij het met een cover van dat Tom Odell-nummer. Ja dàt. Gelukkig blijkt Elke Smeets een betere zangeres dan haar twee collega’s van daarnet, zelfs de zomerse danspasjes brengen haar niet uit de toon. Zweverige elektronica waar gerust verder aan gewerkt mag worden. Even later staat hier Le Colisée, een Brusselaar die zichzelf op alle mogelijke manieren samplet en loopt. Boeiend, al zijn de vergelijkingen met David Byrne, Yeasayer en Stromae uit de aankondiging uiteraard overdreven.

Japan4, al even een bekende naam uit de PXL-schoot met een opgemerkte Limbomaniapassage op het cv, beseft maar al te goed dat je die dertig beschikbare minuten best zo efficiënt mogelijk gebruikt. Aanstekelijke energie, snedige gitaarpartijen en een hyperkinetische zanger zorgen ervoor dat het concert vlammend van start gaat. Het flatst heen en weer tussen pop en punk, de gitaarklank is zo droog dat hij rechtstreeks naar Dr. Feeldgoods Wilko Johnson lijkt te verwijzen en de tweestemmige zangpartijen worden wat gretigheid betreft enkel nog gepakt door de groepsambiance. Zelden ook een toetseniste gezien die met zo veel goesting en zo’n brede lach stond te spelen. Theatrale pop, zigeunerpunk-met-trekzak en aan het einde zelfs een scheut 80s elektro/wave: Japan4 breng het allemaal, en behoorlijk overtuigend.

Het is geen publiek geheim dat Waalse bandjes hier even moeilijk voet aan grond krijgen als pakweg drag queens in het Vaticaan. Dan maar de krachten bundelen en nog maar eens proberen, moeten Aurelio Mattern (Lucy Lucy!) en Ben Bailleux-Beynon (The Tellers) gedacht hebben. De nieuwbakken formatie PAON stond eerder dit jaar al op ABBota geprogrammeerd en heeft ondertussen een eerste EP uit. Wat zij uit hun schoofzak bovenhaalden? Aanstekelijke popnummers, goedgeluimd en schaamteloos melodieus. Dat orgeltje in “Red Stick Of Dynamite” bijvoorbeeld, gaat er vlotter in dan die Cristal Alken en ook het singeltje “Shine Over Me” blijft hangen. Kijk, de organisatie van AFF en wijzelf hebben onze plicht gedaan, nu is ’t aan u!

Gitaarbouwer Yuri Landman verwierf roem door instrumenten te maken voor o.m. dEUS, Liars en HEALTH. Op het AFF leidde hij een workshop en het resultaat viel te horen tijdens een concert met zijn kersverse Ensemble. Door de combinatie van drums, bas en voortdurend gemanipuleerde snaarinstrumenten die uitgesteld waren op een paar tafels, ging het meteen de dissonante en repetitieve richting uit. Het had nu en dan iets van likembegerinkel en flirtte herhaaldelijk met de chaos, maar bovenal deed het denken aan de gedirigeerde gitaarsymfonieën van Glenn Branca en Rhys Chatham, met de klankkleur van de vroege Sonic Youth, de no wave van James Chance en DNA, en hier en daar de aanhoudende grooves van The Ex. Door het dirigeren en voortdurende heen-en-weer-geloop van Landman miste het, om begrijpelijke redenen, de organische kracht van een concert van getrainde muzikanten, maar het was een knap experiment en voor sommigen een blootstelling aan een andere, avontuurlijke wereld.

Reünies. Vaak gestoeld op onduidelijke of foute motieven, maar in het geval van Belgische indietrots Reiziger enkel toe te juichen. Kodiak Station liet immers horen dat de band nog niet uitverteld was en ook live staat het kwartet er nog. De gortdroge ritmesectie (de fascinerende onbewogenheid van bassiste Kristien Hendrix doet zelfs Bill Wyman op Louis de Funès lijken), de Spartaans rond elkaar verstrengelde gitaren, spreidstand van Pascal Hens en de gedeclameerde zang van Geert Plessers. Er valt een link te leggen met de gitaarrock- en whatevercoreinvloeden van de jaren negentig, maar de uitgebeende songs bewandelen nog steeds de grens tussen koorddansende poëzie en viscerale uithalen. Hoewel de set regelmatig de teugels liet vieren, zat er tussen “Grizzly People” en het staccato gitaarfestijn in de finale een uitstekend concert verborgen. Gelukkig viel dat niet in dovemansoren.

En dan is het kiezen tussen Ian Clement en Syndrome: van een luxeprobleem gesproken. Opsplitsen, team enola, zo zegt het Handboek Professionaliteit dan. Clement is frontman van Wallace Vanborn, het Gente rockequivalent van die trein in Santiago de Compostela, maar gooit tegenwoordig hoge ogen met zijn soloplaat Drawing Daggers. We zeggen wel solo, maar vandaag staat hier een vijfkoppige band. Hoewel dit project rustiger en mysterieuzer klinkt dan Wallace Vanborn, bijvoorbeeld wanneer de akoestische gitaar voor “Little Knives” wordt bovengehaald, is het toch de aard van het beestje om geregeld eens stevig uit te halen, zoals bij “Hidin’” of “The Explorer”. Een van de betere concerten vandaag.

Mathieu Vandekerckhove zorgde als Syndrome voor een van de mooiste Belgische albums van 2012 (Now And Forever). Die kwam hij nu ook live brengen. Terwijl de bezoekers stilletjes binnendruppelden, was de gitarist, die het hele concert onverstoorbaar over z’n gitaar gebogen bleef, al in de weer met het creëren en stapelen van loops. Een vreemd zicht, zo bij daglicht en voor een muur van wasmachines (het is eens wat anders, zo’n ecodecor), maar Vandekerckhove nam de aandachtige luisteraars op sleeptouw door zijn bijwijlen hartverscheurend mooie trip, drijvend op iele gitaarlijnen, zingende EBowgalm, monnikengeprevel en dreigende, bijna versmachtende drones. Het leek allemaal wat onwezenlijk, die grijstinten vragen om schaduw en duisternis, maar terwijl verderop kinderen buitelden en ouders stevig in de pinten vlogen, zorgde één man met een gitaar opnieuw voor een van de knapste hoogtepunten van deze editie.

Het contrast met Concrete Knives kon onmogelijk groter zijn. Hoeveel vrolijkheid kan een mens trouwens verdragen? Het Franse sextet heeft vermoedelijk een schaduwcarrière als producent van fitnessvideo’s, want er moest en er zou gedanst en gefeest en gehuppeld worden. Met de gretigheid van Up With People-missionarissen. Er werd voortdurend gesprongen en heen en weer gerend en sexy zangeres Morgane Coals-Delahaye liep rond in een afdankertje van Liliane St. Pierre uit de gouden jaren tachtig, maar liet het niet aan haar hart komen: ze zong, zwaaide met de armen, deed schattige dingen met een op het podium geduwde peuter en wentelde met de heupen alsof het haar lust en leven was. De indiepop was sterk percussief, soms zelfs Afrikaans getint, en voortdurend meerstemmig, en zowel de eigen nummers als een cover van “Here Comes The Hotstepper” (ja, toch wel) bewandelden voortdurend de grens tussen grenzeloos optimisme en zwakzinnig geluk. Voor grijze muisjes als ons is zo’n uitbundige overdosis suiker wat veel van het goede, maar dat we heel even (weinigen zagen het, niemand legde het vast) heen en weer wiebelden zegt dan weer voldoende. De Ketnetband van 2014!

Condor Gruppe dan, het Antwerpse verbond dat ’t Stad tot een prairie herschept. Dat mysterieuze sfeertje, dat aanleunt tegen The Shadows en Ennio Morricone, lusten we wel, zoals u ook al begreep uit eerdere verslagen van We Are Open en Planet Caravan. Instrumentale muziek heeft het altijd wat moeilijker om overeind te blijven, zeker op een festival, maar hell, als ze met een single als “Ont Blodt” afkomen, is iedereen mee: van de grootste muzieksnob tot de verloren gelopen buurvrouw. Dit zou Radio 2 zelfs oppikken. Een nummer als “Bismantova” toont dan weer dat het te kort door te bocht is om deze muziek onder één vlag te dekken. Klonk de vijftal het ene moment alsof de twang van Chris Isaak de woestijn in gestuurd werd, dan werd even later opnieuw geflirt met Morricone (maar niet noodzakelijk het westernoeuvre) en had het even iets van Dans Dans in Sun Ra-modus, maar dan compacter. Spy movie-thema’s, obscure psychpopsingles, Franse pornomuziek en exoticajingles in de blender, terend op een ritmesectie die zelfs met de meest eenvoudige ingrediënten aan de slag kan en gitaarwerk dat het enkel nog meeslepender maakte. Nog Condor Gruppe, nog!

Wanneer de dag voor de nacht geruild wordt en de theoretische mainstage (de échte) langzaam maar zeker concurrentie wordt voor de praktische mainstage (de toog), is TOY aan de beurt. Denk wave, psychedelica en krautrock, in ieder geval véél eighties en een Brits vaderland dat deze opkomende band haast doodknuffelt. Prijzen voor originaliteit worden hier niet uitgedeeld, maar kom, als ’t goed gepikt is zeggen we het ook. Er is enerzijds het dromerige TOY, zoals bij “My Heart Skips A Beat”, waarin de synths van Alejandra Diez nadrukkelijker aanwezig zijn maar ook de beperkte zangcapaciteiten van Tom Dougall naar voor komen. De band maakt meer indruk wanneer er strakker gespeeld wordt: alle kopjes naar beneden en vlammen maar. “Fall Out Of Love” illustreert dat, maar vooral het afsluitende en tien minuten durende “Kopter”, dat geboren is om door de geluidsmuur te breken. Live stelt TOY dus niet teleur, het zal alleen een manier moeten verzinnen om langer dan een plaat relevant te blijven en het pad breed genoeg te houden. Dat de bandleden minder dan een half uur na hun eigen set al opduiken om Manngold aan het werk te zien, pleit alvast in hun voordeel.

Het kwintet MannGold (dat met blazers erbij speelt onder de naam MannGold de Cobre) breidde een vervolg aan de instrumentale rock van Condor Gruppe door nog een paar tandjes bij te steken. Rodrigo Fuentealba en Philipp Weies, wat een gitaartandem! Maar ook: wat een ritmesectie met twee simultaan rollende en roffelende drummers. Een label erop plakken is onbegonnen werk, want je hoorde uitwaaierende Eno-achtige klanken, soms had het iets van Motorpsycho opgesloten in krautmotorik, er zat psychedelica in, en stonerrock, en hier en daar zelfs een flard die zo van de tandem Gorham/Robertson (Thin Lizzy) leek te komen. En surf natuurlijk, plus de chroom- en vlammenrock van Atomic Bitchwax. Mooist van al is echter hoe inventief de band aan de slag gaat met die vaak eenvoudige, repetitieve ideeën en ze vervolgens uitbouwt tot kolossale jams die denderen, razen en knetteren met een virtuoze controle, ijzeren discipline en meesterlijke bevlogenheid. Die van TOY stonden er naast het podium naar te kijken als een stel Trekkies die net het handje van William Shatner mochten schudden. BOM!

MannGold speelde zo’n overrompelend concert dat zelfs een uitmuntende band als Girls Against Boys daar niet tegenop kon. De band speelde eerder dit jaar al een gesmaakt concert in de Brusselse Botanique en was er nu weer met een zoveelste comeback en één van drie exclusieve concerten. Midden jaren negentig behoorde GVSB even tot het coolste dat er te horen viel en ondanks een nieuwe EP, waar slechts een song uit geplukt werd, teerde het kwartet onder leiding van sexprofeet Scott McCloud vooral op zijn klassieke periode. Maar liefst twaalf songs uit zijn veertiendelige set haalde de band uit het drieluik Venus Luxure No. 1 Baby, Cruise Yourself en House Of GVSB. Nochtans zag het er even naar het dat uit zou uitlopen op een klein fiasco, want de potige sound van de band werd vertaald in een doffe brij waar de zangpartijen en keyboards hopeloos in verdronken. Dat de voormalige helden van hun podium zouden buitelen, zoals we Magnapop dat eens zagen doen, was echter geen sprake. Zodra de sound een beetje goed zat, ongeveer vanaf “Tucked In”, kwam de stuwing eindelijk op gang en ging de grootstadsrock openbloeien.

De baslijnen kronkelden sensueel als vanouds in “Disco Six Six Six”, waarin de electro voor een laagje vunzigheid onder McClouds parlando zorgde. Dat het kwartet z’n sof Freak*on*ica negeerde, valt te begrijpen, maar het is wat jammer dat enkel “Basstation” gehaald werd uit het onderschatte You Can’t Fight What You Can’t See uit 2002. Nieuwkomer “It’s A Diamond Life” bleef moeiteloos overeind tussen al die kleppers, al werd vooral gepiekt met “(I) Don’t Got A Place”, met z’n jengelende toetsen, en de lompe beukrock van afsluiter “Rockets Are Red”, waarmee de band even in het vaarwater van bands als Unsane en Helmet zat. In een dik uur bewees Girls Against Boys een van de betere rockbands van de jaren negentig te zijn, maar dat was het dan ook. Het kwartet speelde goed, had z’n zaken op orde en volgde een zo goed als feilloos parcours, maar het heilige vuur, de gretigheid, dat beetje extra honger, bleef achterwege. Allemaal de schuld van MannGold. Het was een mooi festival. Tot volgend jaar, AFF.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in