Kapringen

De Deense cinema zit in de lift. De tijden dat Carl Theodore Dreyer de enige bekende naam was in cinefiele kringen zijn ondertussen al lang vervlogen. De traditie van Deense auteurscinema werd in de jaren ’90 al overgenomen door provocatieve cineasten als Lars von Trier, Nicolas Winding Refn en Thomas Vinterberg. Maar ook op vlak van mainstream vermaak doet Denemarken het prima en kon het op wereldwijde faam rekenen voor zeer degelijk televisiewerk als The Killing en Borgen. Tobias Lindholm, scenarist van laatstgenoemde, komt nu aanzetten met Kapringen, het sober relaas van een cargoship dat door Somalische piraten gekaapt wordt.

Kapringen valt al op door zijn structuur. Hoewel de film in de eerste plaats de bemanning – met name de kok – van het gekaapte schip volgt, komt de nadruk toch eerder te liggen op de CEO van het scheepsbedrijf, die telefonisch onderhandelt met de gewiekste manipulator Omar (die blijft volhouden slechts de tolk van de piraten te zijn), in de hoop zijn werknemers te kunnen repatriëren. Het is een gedurfde structurele keuze om de intrige te laten berusten op de onderhandelingen zelf en enkel suspense te proberen creëren door aan te tonen hoe zenuwslopend zulke gesprekken wel niet zijn. In een tijdsspanne van maar liefst een maand of vier zien we hoe de onderhandelingen stukje bij beetje evolueren.

Laat het dus duidelijk zijn dat realisme het voornaamste uitgangspunt is van Kapringen. Dat komt de film voor het grootste deel ten goede. Door het lot van de bemanning relatief weinig aan bod te laten komen en enkel ongestructureerde flitsen te laten zien van de gijzeling, wordt de kijker erg in het ongewisse gelaten. Dat zal wellicht enigszins overeenstemmen met hoe men als slachtoffer zo’n situatie moet ervaren: niemand weet immers wat er gaande is, hoe lang de gijzeling nog zal duren en de Somaliërs spreken op de koop toe nauwelijks Engels. Lindholm deinst er ook niet voor terug om de aftakeling van de bemanning echt voelbaar te maken: zweterig, ongeschoren, uitgemergeld en doodziek liggen ze half te creperen in hun benauwde kajuiten, wat een enorm beklemmend effect heeft. Nog erger dan de fysieke beproeving is misschien wel de bedrieglijke gemoedelijkheid die er tussen de slachtoffers en hun gijzelnemers heerst. Omdat ze zo dicht op elkaar leven, is het onvermijdelijk dat er zo nu en dan gebabbeld, gedronken en zelfs gefeest wordt. Maar het is een zeer onvoorspelbare verstandhouding die snel dreigt om te slaan.

De scènes aan hun thuisfront zijn misschien zelfs nog interessanter. Een onderhandeling is zo’n onderdeel van een thriller dat meestal afgehaspeld wordt en nooit echt uitgebreid, laat staan realistisch, aan bod komt. Wanneer een film er zich dan wel eens aan waagt ontaardt dat vaak in verbale krachtpatserij tussen twee kemphaantjes (zie onder andere The Negotiator). In Kapringen krijgen we echter iets totaal anders te zien. De onderhandelingen worden voorgesteld als een gevoelig proces, waarin de CEO bijgestaan wordt door een professionele onderhandelaar die een lange termijnplan heeft uitgedokterd. Elke stap wordt beredeneerd en de minste lapsus kan fataal zijn. Het akeligste is echter veruit de formele, haast vriendelijke stijl waarmee beide partners elkaar aanspreken: elk gesprek wordt volgens de gekende beleefdheidsformules begonnen alsof het over een alledaagse zakelijke transactie gaat. Lindholm trekt de paralel met een eerdere onderhandeling tussen het Deens bedrijf en Japanese investeerders, wat op exact dezelfde manier verloopt. Money talks, en de taal van het geld is universeel.

Lindholm heeft zich naar verluidt erg in de materie verdiept om het geheel zo realistisch mogelijk te kunnen maken: hij sprak met betrokkenen van reële gijzelingen, castte een echte onderhandelaar die hij volledig liet improviseren en ging zelfs op onderzoek in Somalië. Langs de ene kant pleit het voor Lindholm dat hij zo toegewijd is aan zijn vak, maar langs de andere kant worden dit soort praktijken maar al te vaak aangehaald door zowel critici als filmmakers zelf als argument om de kwaliteit van een film te verantwoorden. Alsof realisme het summum van goede cinema zou zijn.

Dat is ten eerste fout omdat bepaalde van Lindholm’s keuzes weinig meer met het medium zelf te maken hebben: het feit dat hij op een boot heeft kunnen filmen die ooit echt gekaapt werd, authentieke geweren gebruikt en de telefoongesprekken daadwerkelijk van Denemarken naar Somalië liet verlopen zijn natuurlijk louter gimmicks en voegen helemaal niets toe. In de tweede plaats is realisme in film natuurlijk bij voorbaat een illusie en het is dan ook pijnlijk vast te stellen dat de noodzakelijke kunstgrepen die Lindholm gebruikt om het geheel de allure van een speelfilm te geven ongeïnspireerd aanvoelen. Met als toppunt daarvan een ‘twist’ op het eind die wel heel erg uit de lucht komt vallen. Ook op puur filmisch vlak heeft Kapringen weinig om het lijf: Lindholm brengt alles op een nogal clichématige manier in beeld en lijkt vooral begaan te zijn met alles zo onderkoeld mogelijk te laten overkomen. Soms is de mise-en-scène zelfs opzichtig. Het eindshot bijvoorbeeld tracht heel erg betekenisvol en krachtig in zijn eenvoud te zijn, maar is in plaats daarvan artificieel en flets. De gedachtegang van de regisseur is te duidelijk af te lezen in die scène en dat is nooit een goed teken.

Kapringen is boeiende cinema, die voluit de kaart van documentair realisme trekt. Zolang de film zich daartoe beperkt, werkt de prent prima, maar zodra hij echte cinema probeert te worden, valt hij door de mand.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in