Yo La Tengo :: 16 maart 2013, AB

Wars van XL-ego’s, major label-druk, vluchtige hype, groepstherapie en pose je ding kunnen doen. Jaar na jaar. Het ideale scenario (ja toch?) en ook het verhaal van Yo La Tengo, een trio dat bijna dertig jaar geleden begon als het rockprojectje van een stel schuchtere melomanen en anno 2013 meer volk dan ooit naar Brussel trekt. “Leonard Cohen en Yo la Tengo, dat zijn zowat de enigen die hun fanbase zien aangroeien”, grapte zanger/gitarist Ira Kaplan. Terecht, want de band bracht opnieuw een ouderwets gulle set, die zijn status van een van de grootste cultbands alle eer aandeed.

“’t Is nog altijd dezelfde.” Dat hoor je wel eens zeggen van muzikanten die bewonderd worden omwille van hun nuchterheid en integriteit. Denk Helmut Lotti, denk Bruce Springsteen. Maar toch voeren ook die kerels een show op, weten ze wat er van hen wordt verwacht en vertolken ze de rol van entertainer die daaraan tegemoet komt. Bij Yo La Tengo blijf je echter het gevoel hebben dat het allemaal een beetje per ongeluk gebeurt, dat het trio onverhoeds weggeplukt werd uit zijn repetitiehok en dat je als luisteraar getuige bent van een intimiteit, een ongedwongen samenzijn dat de aanwezigheid van een publiek eigenlijk uitsluit. Het is de charme van een band die z’n gebreken bijna allemaal wist om te buigen in zijn voordeel.

Zowel Kaplan als drummende echtgenote Georgia Hubley zijn matige zangers (en dat is behoorlijk eufemistisch uitgedrukt), maar ze vangen dat niet enkel op door in het haalbare bereik te blijven, maar ook door zangpartijen innig rond elkaar te verstrengelen of deel te laten uitmaken van gitaar- of andere textuur. Meer dan eens zijn teksten op het randje van onverstaanbaar, stemgeluiden extra waas; vertroebeling om de betovering nog intenser te maken. Bassist James McNew is dan weer een kolos die er de helft van de tijd verveeld bij lijkt te staan, maar de zoutpilaar kan uithangen bij die band. Door de manische gitaaruitspattingen van Kaplan is er trouwens nooit een gebrek aan elektrische lading.

Het concert bestond uit een kortere akoestische set en een iets langere die het rockende gezicht van de band zou laten horen. Die schizofrenie, de zwaaibeweging tussen zachtaardig rinkelende folkpop en gitaar freak-outs zit er intussen al meer dan twee decennia in, maar ook tussen die polen beslaat de band een enorm terrein. Yo La Tengo is de missing link tussen The Velvet Underground, My Bloody Valentine, Sonic Youth, The Feelies en Galaxie 500. Werd er de eerste drie kwartier vooral gezalfd, eerst met een ingetogen versie van “Ohm” uit het recente Fade en vervolgens met een met lichte beats opgevulde “Two Trains”, dan werd het volumineuze werk bewaard voor de tweede set.

Er werd in die eerste set ook een paar keer gewisseld van rol: Hubley kwam vanachter het drumstel om gitaar te spelen, zowel zij als Kaplan speelden toetsen, McNew speelde bas, gitaar en nam tijdens het eerste hoogtepunt, een fragiel “Black Flowers”, de zangpartij voor z’n rekening. Tijdens “When It’s Dark” doken nog echo’s op van The Beach Boys’ “Sloop John B.”, maar toen de band een greep songs presenteerde uit Fade werd wel even geflirt met de eenvormigheid. Gelukkig rondden een knap “I’ll be Around”, met subtiel geloopte gitaarpartij, en een lentefrisse versie van “Big Day Coming” (een song die soms ook gepresenteerd wordt als eigenzinnig gitaarmonster) de set wel in schoonheid af.

De tweede set werd meteen op gang gebracht door de potig brommende krautgroove van “Stupid Things”, maar het liep daarna in de soep toen Kaplans toetsenbord dienst weigerde tijdens de aanloop van “Here To Fall”. Dan maar een alternatieve route langs luchtiger materiaal als “Well You Better”, “Let’s Save Tony Orlando’s House” (met McNew als tweede percussionist) en bandklassieker “Autumn Sweater” (schokkend hoe simpel die song eigenlijk is). Gaandeweg verschoof de band naar zijn andere gedaante: met de gruizige gitaarrocker “Deeper Into Movies” ging de wijzer genadeloos in het rood van de noise, ging het zinderen en knetteren, en zwaaide Kaplan in het rond in die kenmerkende houding: diep voorover buigend, trekkend en sleurend aan die whammy bar en gitaarhals.

Via de daverende ninetiespop van “Nothing To Hide” en “Tom Courtenay” belandde het trio bij zijn finale, die op gang geschopt werd door een tweede, heftiger versie van “Ohm”, deze keer als hypnotisch stompende dronerock. “Een kruising tussen The Byrds en The Velvet Underground”, schreef iemand onlangs nog. Klopt, maar dan wel The Byrds van “Eight Miles High” en vervolgens de ruimte in gekatapulteerd. Machtig. Het pieken werd echter bewaard voor het kwartier van “Pass The Hatchet, I Think I’m Goodkind”, dat voor 90% uit een extatische gitaarsolo bestond. Huilend en jankend, friemelend en gierend, amechtig schuddend en terend op een koppig ritme dat bonkte en bonkte en bonkte.

Yo La Tengo, dat is echter ook zelfrelativering en nu en dan een streepje onnozelheid, wat ook weer werd bewezen door de eerste bis, een met haken en ogen aan elkaar hangende versie van Michael Jacksons “Ben”, die met aangepaste (en valse) zangpartijen en gasten werd opgedragen aan de jarige tourmanager, die niet anders kon doen dan ondergaan met een onnozele grijns. Dan nog twee covers: de bruisende garagerock van “Come On Up” (door alter ego Condo Fucks geleend bij The Young Rascals) en een schattig/sjofele versie van “My Little Corner Of The World”, in 1960 al een hitje voor Anita Bryant. En dan was het onherroepelijk gedaan, want om 22u30 moest het boeltje al afgerond worden. Jammer, want zowel band als publiek hadden er duidelijk nog zin in. Als het concert iets bewees, dan is het dat Yo La Tengo na bijna 30 jaar carrière nog altijd een verhaal te vertellen heeft, uniek is en moeiteloos twee uur kan boeien met de onbevangenheid van een stel jonge honden dat nog alles te bewijzen heeft.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in