Nick Cave & The Bad Seeds :: Push The Sky Away

We moeten daar eerlijk in zijn: op ’s mans unieke stemgeluid en de teksten die als vanouds tussen poëzie en horror schipperen na, is er op het eerste gehoor weinig aan Push The Sky Away echt herkenbaar als werk van Nick Cave. Mede daarom is het allicht zijn beste album sinds The Boatman’s Call en misschien zelfs zijn absolute meesterwerk.

Sinds debuutalbum From Her To Eternity zwalpt Cave als een dronken kruising van Elvis, Tom Waits en Scott Walker tussen brutale waanzin en zalvende schoonheid. Een spanning die het mooist geïllustreerd wordt in het ambigue tweeluik “Do You Love Me” dat het bijna 20 jaar oude Let Love In omarmt. Die typische spanning werd met het succes van “Into My Arms” en The Boatman’s Call onverwacht doorbroken en Cave werd als een nieuwe Leonard Cohen aan menig boezem gedrukt. Cave probeerde zich 10 jaar lang uit die (ook relatief comfortabele) positie te worstelen, maar de waanzin klonk minder overtuigend en hier en daar flirtte hij al eens met de zelfparodie.

Grinderman was met de tongue stevig in de cheek, het volume op 11 en de waanzin, satire, vuiligheid en vetzakkerij ver in het rood een hoognodig exorcisme, dat Push the Sky Away mogelijk maakte. Een prachtalbum dat volkomen onterecht met The Boatman’s Call vergeleken wordt. Jazeker, de sfeer is ingetogen, maar nu gaat het niet om in melancholie en romantiek gedrenkte ballades. Push the Sky Away is ambitieuzer en filmischer. Het album briest hijgend als een verleidelijke sater. Hij deed het al eerder, op “Loverman”, “Red Right Hand”, “Where the Wild Roses Grow” of “The Weeping Song”: ingehouden dreiging die een donker, unheimlich verhaal schetst, waar je tegen beter weten in niet van kunt wegkijken. Maar hier wordt die dreiging nooit voor de voeten gelopen door een onsubtiele uitbarsting of een te lieflijk romantisch moment aan de piano.

Het ietwat sinistere “We No Who U R” zet de toon voor drie kwartier bloedstollende intimiteit die stranger than kindness is. Je checkt voor alle veiligheid de sloten op de deur, maar bent pas echt gerust wanneer het achtergrondkoortje de song binnen schuifelt — ja, de geest (met witte jurk) van No More Shall We Part waart rond. In “Jubilee Street” struint Cave rond in een prostitutiebuurt op weg naar een bloedmooie, haast euforische strijkerspartij, zoals een slagader van de onderbuik naar het hart. Een Cave-classic in wording. In Wide Lovely Eyes surft een zalvende melodie op een onrustig hoekige gitaar die “Stagger Lee” in herinnering roept.

Geen wonder dat Warren Ellis de muzikale architect van deze plaat is. Na het vertrek van Bargeld en Harvey is hij meer dan ooit de vleesgeworden sound van de Bad Seeds, steeds manifester sinds hij tijdens de opnames van Murder Ballads schuchter de studio betrad. Ellis’ glansrol — met één viool laat hij de sfeer van naargeestig in pakkend omslaan (“Water’s Edge”) — zorgt voor een diepweemoedige flow met een rouwrand. Hoe innemend de arrangementen en melodieën ook, onderhuids ruist de rauwe onrust. In “We Real Cool” zorgt Casey’s baslijn voor een zompig onbehagen dat Ellis bedekt met sussende arrangementen. Huiveringwekkend mooi. Drie kwartier lang speelt de gitaar een stiefdochterlijke rol sinds het vertrek van Harvey: slechts in “Higgs Boson Blues” treedt ze op de voorgrond.

Orgelpunt is het verstillende titel- en slotnummer waarin keyboards om een Laura Palmer lijken te rouwen, terwijl Cave met de ogen dicht en geronnen bloed op de handen voor zich uit prevelt “And some people say that it’s just rock-’n-roll/Oh but it gets you right down to your soul”. Wat hij zegt. Het is de perfecte afsluiter van een plaat die vredig lijkt te slapen, maar als je dichterbij komt zie je een straaltje bloed uit de neus lopen. Push The Sky Away drukt een kus op de mond van Let England Shake.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − zes =