The Last Stand

Vijfenzestig is hij er ondertussen. De leeftijd en (vermoeden we) een lichte ingreep hier en daar hebben zijn gezicht de uitstraling gegeven van een lederen portefeuille die al net iets te lang dienst moet doen. En nee, hij kan nog steeds niet acteren. Maar toch: Arnold Schwarzenegger staat er weer, met zijn eerste hoofdrol sinds Terminator 3 in 2003. In de tussentijd speelde hij acht jaar lang gouverneur van Californië, liep zijn huwelijk stuk, opende hij een museum ter ere van zichzelf in Oostenrijk en schreef hij zijn memoires (die overigens veel minder mensen wilden lezen dan hij dacht). Maar zijn enige echte talent blijft schuilen in een aantal simpele bekwaamheden: een bazooka op de schouder leggen en de camera in grijnzen. Een gigantische explosie veroorzaken en het geheel afwerken met een one liner. Het geluk zit soms in kleine dingen.

In The Last Stand speelt der Schwarz Ray Owens, de sheriff van een slaperig stadje aan de Mexicaanse grens. Zijn rust wordt bruut verstoord wanneer een drugkoning (Eduardo Noriega) ontsnapt uit de klauwen van de FBI. Gewapend met een opgefokte superwagen (duizend PK heeft dat ding, goed voor meer dan 300 kilometer per uur!) sjeest hij richting Mexico, waarbij hij – uiteraard – Ray’s dorpje moet passeren. Ray en zijn hoop en al drie man tellende politiemacht zijn de laatste line of defence. Bring out the guns!

Regisseur van dienst is Jee-woon Kim, de Koreaan die enkele jaren geleden de behoorlijk heftige serial killer film I Saw the Devil maakte (bekijken, die hap!). Op zich is dat geen onlogische keuze: wie eens kijkt naar Kims vrolijk anarchistische neo-spaghettiwestern The Good, The Bad and the Weird weet dat hij zwierige actiescènes in elkaar kan zetten en dat hij geen schrik heeft om tot op het bespottelijke af over de top te gaan. En dat is exact wat hij doet met The Last Stand, een film die zich laat bekijken als een zeer zelfbewuste catalogus aan clichés. Kim en Schwarzenegger zijn blijkbaar op zoek gegaan naar het meest archetypische Arnie-script dat ze konden vinden, en gaan daar dan zo ver mee als ze maar durven.

Alle stereotiepe personages en plotpunten zijn aanwezig: de gelouterde sheriff: check. De laffe deputy (Luis Guzman): check. De panikerende FBI-agent (Forest Whitaker): check. De bij de haren gesleurde romance (gelukkig niet met Ahnuld zelf, zoveel realiteitszin heeft hij nog wel): check. Het ongegeneerd wapenfetisjisme: double check. Vooral dat laatste ligt erg gevoelig momenteel: de jaren tachtig zijn voorbij, en montages waarin al onze helden één voor één in beeld worden gebracht terwijl ze met een haast erotisch genoegen hun wapens staan te strelen, zorgen al gauw voor lichte hysterie bij het meer politiek correcte doelpubliek. Blijft er wel het feit dat de filmmakers zo nadrukkelijk tongue in cheek te werk gaan, dat het moeilijk is om je er aan te storen. The Last Stand knipoogt constant naar zijn publiek: neem dit vooral niet serieus.

Misschien knipogen ze wel wat té nadrukkelijk. Het is een open vraag in welke mate het script sowieso al ironisch bedoeld was, en in welke mate Kim het heeft gelezen, eens goed heeft gelachen en heeft gezegd: “Oké, als ik deze shit moet regisseren, dan ga ik er ook voor gààn.” Hoe dan ook, de mix werkt wel, voor het grootste deel van de film. De regisseur houdt het tempo er stevig in, de zelfrelativerende humor zorgt ervoor dat de nonsens genietbaar blijft, en wanneer de actie losbarst, wordt die overzichtelijk in beeld gezet. Kim maakt dankbaar gebruik van de conventies van de western, inclusief een show down in Main Street, maar draait vervolgens het volume open tot nummer 11. In zekere zin is een onbeschaamd debiele actiefilm als deze nog eens een opluchting. De tendens tot diepe sérieux in Amerikaanse actiefilms, die op gang werd getrokken door Christopher Nolan met zijn Batman-films, durft ook wel eens verstikkend te werken. De aanvaarde wijsheid is tegenwoordig dat het gritty moet zijn, somber, deprimerend – en dat dan overgoten met een gewelddadige saus, zodat het publiek toch nog die kick kan krijgen. The Last Stand gaat daar allemaal aan voorbij en mikt gewoon volledig op het plezier van dingen te zien exploderen.

Schwarzenegger zelf is als acteur nog geen jota geëvolueerd met de jaren – fysiek kan hij, ook op zijn gezegende leeftijd, nog altijd zijn mannetje staan, maar er is geen emotie die zijn gezicht weet te bereiken en hij wringt nog altijd zijn teksten vakkundig de nek om. In feite is er ooit maar één regisseur geweest die ooit iets meer uit Herr Arnold heeft gehaald dan zijn indrukwekkende fysieke présence, en dat is James Cameron. In de eerste twee Terminator-films en jazeker, zelfs in True Lies weet hij zijn prestatie op zijn minst wat te moduleren naar het personage dat hij speelt. In The Last Stand doet hij hetzelfde als in àl zijn andere films: hij is Arnold Schwarzenegger, en daar is hij goed in. (Je zou jezelf kunnen afvragen in welke mate ook de Schwarzenegger die we in het openbaar zien, niet gewoon een rol is die hij dag in, dag uit speelt, maar laten we vooral niet te filosofisch worden.)

In de bijrollen heeft Kim zoveel mogelijk sterke karakteracteurs gestopt, die zich blijkbaar wel amuseren met hun clichérolletjes. Luis Guzman, Forest Whitaker en Peter Stormare hebben elk hun eigen clichétypetje: Guzman mag de kolderieke lafbek uithangen, Whitaker staat de hele tijd de plot uit te leggen en Stormare is gewoon het vlees geworden kwaad. En zo gaat dat dan. Om er toch iets mee te doen, gaan ze vrolijk over de top, op een manier die nog wel klopt met de toon van de film.

Met dat alles kan The Last Stand gerust in het rijtje gaan staan van “goeie slechte films”: slechte films die hun eigen crappiness omhelzen en zelfs dragen als een badge of honour. In ieder geval: Schwarzenegger is terug, en stiekem zijn we daar best wel blij om. Misschien heeft de man toch nog een jaar of vijf om op zijn eigen onnavolgbare manier meppen uit te delen voordat het écht niet meer gaat. Zou James Cameron soms geen rolletje voor hem hebben?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in