Soundgarden :: King Animal

Stel u even in uw kinderlijke fantasie een flink uit de kluiten gewassen giraf voor die een knoert van een joint heeft opgepaft en nu met een onstilbare vreetkick dartel in de savanne rondhuppelt, tot in zijn oogveld een acaciaboom met weelderig gebladerte opduikt …. waar hij net niet bij kan. Toegegeven, wie zich van dergelijke beeldspraak bedient, moet wellicht zelf ook leren meer van de pretsigaret af te blijven maar zo reikhalzend keken we na de reünietour van 2010 dus uit naar nieuw materiaal van Soundgarden. Driewerf helaas: een beestige gitaarsnaar weten de grunge iconen bij momenten nog steeds te raken, de emotionele snaar daarentegen blijft onberoerd.

Soundgarden, een van Seattle’s Big Four, was aan het begin van zijn loopbaan wat onevenwichtig maar kreeg met Badmotorfinger, zij het nog in de schaduw van Nevermind en Ten, uiteindelijk de welverdiende lof toegezwaaid. En toen, in 1994, maakte de band met Superunknown simpelweg een van de beste gitaarplaten ever. Niet mee eens? Wij kennen een stel grimmige Georgiërs die met plezier uw knieschijven een behandeling geven dus geef gewoon toe: Superunknown was potent, nu eens stomend dan weer ijzingwekkend, nu eens log dan weer vinnig. Een smerige pot Led Zeppelin en Black Sabbath met poppy Beatlesachtige melodieën en een onbehaaglijk psychedelisch kantje. De laatste plaat voor de implosie van de band, Down On The Upside, had dan weer enkele te zwakke schakels om over de hele lijn bewierookt te kunnen worden.

Nadat de lieden van Soundgarden in april 1997 — in tijden waarin calamiteiten als Nickelback, Creed en Matchbox 20 schaamteloos met de grunge-erfenis aan de haal gingen — elk huns weegs gingen, maakte zanger Chris Cornell begin deze eeuw met het eerder zoutloze Audioslave drie platen, probeerde hij het ondertussen ook op zijn eentje met onder meer een goede ingetogen plaat (haal het onder de mat geveegde Morning Euphoria in huis) en regelrechte rommel (het door Timbaland geproducete R& B-album Scream) en zong het indrukwekkende “You Know My Name” voor de Bondprent Casino Royale in. Drummer Matt Cameron leefde zich uit bij Pearl Jam, de andere bandleden bleven in de luwte muziek maken: Kim Thayil stelde zijn meesterlijke gitaar in dienst bij onder meer Jello Biafra en Sunn O))) en Ben Shepherd baste bij fijn gezelschap als Mark Lanegan.

Na het overbodige compilatiealbum Telephantasm ligt nu King Animal op u te wachten. Het openingsdrieluik is verre van slecht: “Been Away Too Long” rockt zonder poespas en doet — samen met het vlakke “Attrition“ wat verder op de plaat — aan Pearl Jam denken, “Non-State Actor” bijt bits van zich af en “By Crooked Steps”, live geheid een pottenbreker, houdt er flink de vaart in maar de nummers zijn ook verkrampte pogingen om het niveau van weleer te halen. De majestueuze kracht van voorheen, dat is wat ontbreekt, en het wordt met de daaropvolgende songs alsmaar duidelijker: het in psychedelica gedrenkte “A Thousand Days Before” en “Blood On The Valley Floor” verzakken in lethargie zoals grootvader op een zondagnamiddag na een copieuze maaltijd van malse rosbief met rode wijnsaus en kroketten.

Over de tweede helft van de plaat valt zo mogelijk nog minder te zeggen. “Eyelid’s Mouth” is terminaal zeurderig en de sluipende bas in de aanhef van “Worse Dreams” mag dan veelbelovend klinken, de song zelf werkt na een minuut als een homeopathisch middel: er gebeurt niets. Sluitstuk “Rowing” redt nog met begeesterend gitaarspel en een intrigerende zang enigszins de al krakkemikkige meubelen en pure schoonheid steekt enkel in “Bones Of Birds”, dat van afgemeten weemoed in Soundgardeniaanse ontreddering overvloeit. Het is de enige song die over vijftien jaar een plaatsje op een best of-album verdient.

Net gebuisd want Cornell en zijn kornuiten bezondigen zich aan de eerste gebod van elke kunstvorm: “Gij zult niemand vervelen”. Het handvol ideeën zwerft eerder doelloos rond, het vuur is eruit, er zijn te weinig memorabele riffs en donderende gitaaruithalen. Chris Cornell haalt daarenboven — uw kristallen servies is dit keer niet in gevaar — niet genoeg uit die machtige klok van hem en klinkt soms alsof hij liever sjakosjen op de markt van Zelzate zou verkopen.

Erger nog, Soundgarden slaagt er niet meer in existentiële verwarring en kwetsbaarheid te toonzetten, blutsen in het gemoed te slaan of een gehavende ziel – hoe paradoxaal dit ook moge klinken – door hun gitzwarte sound net dat beetje licht weer te doen zien. Betreurenswaardig want die andere grungegrootheid Alice In Chains heeft nochtans bewezen dat het wel kan en sloeg drie jaar geleden terug met het beresterke Black Gives Way To Blue. Om te bekomen van dit tamme album zopas nog even het refrein van “Outshined” uit Badmotorfinger meegekeeld: “Show me the power child / I’d like to say / That I’m down on my knees today / It gives me the butterflies / Gives me away / Till I’m up on my feet again”. Zo, dat lucht op.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in