Crossing Border :: 18 november 2012, Arenbergschouwburg

Grenzen, daar lacht enola eens mee. Geen beter festival dus om een social gathering van te maken, dan Crossing Border. Met een handvol goeie concerten in de achterzak, kwam uw ruim bemeten team tevreden terug.

In een weelderig bemiste Red Eyed Fly maakt Rebekka Karijord in lang gewaad haar intrede met een korte Noorse introductiezang. Zoals het de nummers van We Become Ourselves betaamt, wordt vanaf de start gestreefd naar de tegelijkertijd aardse en sacrale sfeer die medeverantwoordelijk is voor de kracht van dat meest recente album. Live gaat de beleving dankzij glasheldere toonladderacrobatie en hevige percussie zelfs nog een stapje verder en voel je elk nummer nog dat beetje meer. Daarvoor kan Karijord ook op de vocale steun van haar vierkoppige begeleidingsband rekenen. Die groeit doorheen de set van een groep onzekere knapen met enkele wankele lijnen in “Prayer” tot volwaardige backings die in de coda van “Your Love” een harmonie creëren met schijnbaar simpele ademstoten. De volle klank van die laatste studiovrucht verrijkt ook oud materiaal als “Paperboy” en plooit op eigenzinnige wijze zelfs Justin Timberlake’s “Cry Me A River” naar zijn hand. Voor wie er nog aan twijfelde, bewees de broze solo-performance van “The Noble Art Of Letting Go” dat het ruwe talent echter ook zonder toeters en bellen overeind blijft. Met deze korte maar krachtige set bevestigde Karijord haar reputatie als één van dé namen om te ontdekken.

Waarna in La Zona Rossa alle hens aan dek wordt gefloten. Nog steeds doet Spiritualized niet aan minimalisme, zelfs al wordt met een dreinend “Hey Jane” en “Electricity” nog wat terughoudend geopend. Het is de ultieme stonermuziek: rocken in een dronerige slow motion. Maar dan barst alles open met een krachtig en hypnotiserend “Freedom”. “Freedom is yours if you want it” croont Jason Pierce onophoudelijk en twee backing vocalistes in stralend wit beamen. Het is bloedmooie gospel.

Van op doorbraakalbum Ladies And Gentlemen We Are Floating In Space diept Pierce de titeltrack op, wat hem op een open doekje van het publiek komt te staan. Niettemin kan de groep de warme, allesomvattende atmosfeer van de plaatversie niet helemaal recreëren. Wel mooi: hoe Pierce een stukje “I Can’t Help Falling In Love” in het nummer verwerkt, zoals het altijd de bedoeling was geweest als de erfgenamen van Elvis niet dwars hadden gelegen. “So Long You Pretty Things” mag het concert vervolgens naar zijn climax stuwen, die bestaat uit prachtige samenzang. Een lange instrumentale outro volgt: spaced-out, blissed-out. Jason Spaceman: we waren je lang kwijt, maar kom hier, terug in onze armen.

Crossing Border, Marques Toliver neemt het erg letterlijk. Voor deze klassiek geschoolde ex-straatmuzikant, onlosmakelijk verbonden met zijn viool, zijn muzikale grenzen iets om mee te lachen, getuige de unieke mengelmoes die hij aan een Club de Ville (stiekem ook maar gewoon een bar met een podium erin) vol nieuwsgierigen komt presenteren. Vanaf het begin is het keihard raak: Rihanna-cover “Diamonds” krijgt een extra dramatisch jasje aangemeten, met forse viool en cello, en vooral het volstrekt eigenzinnige stemgeluid dat Toliver uit zijn strot weet te persen. De man is immers bepaald geen fan van zachte mooizingerij: hij wisselt waanzinnige uithalen af met r&b-achtig toonladderdansen, zonder daarbij te ver af te dwalen richting het gladjakkergeluid dat zo kenmerkend is voor dat genre.

De veelzijdigheid van de korte set die Toliver hier neerzet (na goed een kwartier wil hij er al mee ophouden, maar dat blijkt gelukkig een schijnmanoeuvre), is verbazingwekkend: in songs als “White Sails” en “Something’s Wrong” gaat het van soul naar haast klassiek vioolspel weer terug naar r&b, alsof al die afzonderlijke puzzelstukken altijd al voor elkaar gemaakt waren. Toliver is bovendien niet te beroerd om zijn heldinnen te eren: hij deed het al eerder met een nummer van Beyoncé, vandaag krijgt Whitney Houstons “I Wanna Dance With Somebody” een plekje in het slot van “Deep In My Heart”, met een uiterst charmant stukje publieksparticipatie en een Toliver die zichtbaar onder de indruk is van zoveel enthousiasme tot gevolg.

Een organisatorische miskleun (de tweede na het eten dat al om half acht op is) is het om First Aid Kit in de veel te kleine Club De Ville te programmeren. Ook niet leuk voor de groep, die voor de tweede keer dit jaar een festivalset in ondankbare omstandigheden moet afwerken in plaats van een nette zaalshow. De zusjes Söderberg kwijten zich met toewijding van hun taak, maar er wringt van alles. Zo lijkt de set met een veel te trage eerste helft nogal onoordeelkundig opgebouwd. Enkel “Our Own Pretty Ways” breekt even het tempo. En dan komt de aap uit de mouw: First Aid Kit lijkt de songs van zijn platen alweer beu te zijn, en zoekt het dan maar in een nieuw nummer (het sterke “Wolf”) en covers. “America” van Simon & Garfunkel past Klara & Johanna echter niet helemaal: hun samenzang benadert de schoonheid van het origineel helaas niet.

Beter vergaat het “When I Grow Up” van Fever Ray dat zonder scrupules het eigen country-achtige universum wordt binnengesleurd, weg van de oorspronkelijke kilte. Het is de start van een finale die eindelijk duidelijk maakt waarom we First Aid Kit als songschrijvers hoog aanschrijven. “Emylou” is nog altijd de beste countrysong van het jaar, waarin de zusjes elk apart maar ook netjes samen schitteren. Voluit headbangt de groep zich vervolgens door het relatief stevige “The Lion’s Roar” om te eindigen met een feest. Zelfs zonder Conor Oberst blijft “King Of The World” immers een vrolijke afsluiter die veel, maar niet alles, goedmaakt van die valse start.

Wanneer er gesproken wordt van een “verstillend hoogtepunt”, wordt dat vaak opgediept uit een conservenblik clichés. Niet zo voor Paul Buchanan. Voor de eerste keer in zestien jaar nog eens in België, toen nog met het ondertussen als een kaars uitgedoofde The Blue Nile. Nu alleen, begeleid op piano, zoals op zijn recente ijssculptuur van een solodebuut Mid Air. Tellen de beste concerten op hun best enkele seconden, hooguit een paar minuten, waarop u een speld kunt horen vallen, dan was dit bij Buchanan het hele drie kwartier durende concert het geval. Noem het magisch, verkillend, bloedmooi, graai uit datzelfde conservenblik wat u maar wil. Maar dit was puurheid die alleen bereikt wordt wanneer stilte je belangrijkste instrument wordt.

Stilte is altijd het handelsmerk van Buchanan en The Blue Nile geweest: niet alleen zaten er jarenlange hiaten tussen hun albums (4 op 30 jaar tijd), maar ook in hun nummers zat er meer dan voldoende ruimte om uw eigen gevoelens door ramen en kieren naar binnen te laten vallen. Het verklaart mede de zeldzame tijdloosheid van die melancholische popnummers. Buchanan zette die toon tijdens zijn set verder: een handvol popnummers van The Blue Nile (“Easter Parade”, “A Walk Across The Rooftops”, “Happiness”, “High”) werden door de spaarzame piano (aanslagen als regendruppels) kleine mini-symfonieën, volledig in de lijn van Mid Air. Een samensmelting van pop en klassiek als het ware, een combinatie die het Sportpaleis elk jaar tot een Mordor van de goede smaak maakt. Tja.

Buchanan was naar eigen zeggen hypernerveus, en daar zal de afwezigheid van zijn vaste pianist, die vervangen werd door twee afwisselende spelers, niet vreemd aan zijn. “Should I chat or should I just carry on? I’d really like a chat though”, glimlachte hij als een vader die het allemaal wel gezien had. Spelen, luidde echter het devies van een publiek dat veertig minuten lang de adem inhield. Tot Buchanan plots grijnzend “I’m Dreaming Of A White Christmas” inzette. Het gelach verstomde al gauw wanneer Buchanan ook hier een van alle schmalz ontdane versie neerzette, met een stem die de Bond Zondernaam de Nobelprijs Literatuur zou kunnen doen opleveren als hij hun spreuken als liedteksten gebruikte. Maar bon, hierna volgde Andrew Bird nog, dus uw (pn) doet er het zwijgen toe. Zie deze paragraafjes als de stiltes tussen alle denkbare superlatieven. Dat Buchanan zich hier op heel korte termijn helemaal de legende in mag komen spelen.

Zeggen dat Andrew Bird iets goed te maken had na zijn laatste passage in het Koninklijk Circus, is misschien wat overdreven, maar echt memorabel was zijn bezoek toen niet. Dat was vooral de schuld van een miskleun van een setlist: een album dat nog maar een paar dagen in de winkel ligt even van begin tot einde komen naspelen, er zijn er al voor minder op hun bek gegaan. Gelukkig is Bird een snelle leerling: vrezen we bij “Hole In The Ocean Floor”, dezelfde opener als toen, nog voor een herhaling van vorige keer, dan bewijst een zwierig “A Nervous Tic Motion Of The Head To The Left” met verve dat bang zijn vanavond nergens voor nodig is.

Bird en zijn bandleden lijken immers alle spanning van zich afgegooid te hebben: ze staan losjes en met zichtbaar plezier te spelen en waar de albumvoorstelling nog voornamelijk klinisch aandeed, moet dat gevoel nu plaatsmaken voor een warm, organisch geluid. Bird is nog steeds de koning van het loopstation — in “Desperation Breeds” metselt hij als vanouds laagjes viool en gefluit op elkaar — maar hij hoeft dat niet meer zo nodig te bewijzen. Dat resulteert in wondermooie versies van het zachtjes huppelende “Danse Caribe” en oudje “Sovay”, met zijn parlandostrofes en slepend refrein nog steeds een van de hoogtepunten uit Birds oeuvre.

Wanneer Bird zich vervolgens met zijn gitarist en bassist om een ouderwetse radiomicrofoon schaart voor een rondje kampvuursamenzang in covers van The Handsome Family (“When That Helicopter Comes”) en Townes Van Zandt (“If I Needed You”), weet hij in een handomdraai alle verloren zieltjes weer voor zich te winnen. Een echte crowdpleaser zal Bird wel nooit worden, daarvoor is hij net dat tikje te eigengereid, maar als hij in zodanig goeie doen is, mag hij op zijn minst een waardige afsluiter van deze Crossing Border-editie genoemd worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in