Lina Allemano Four :: Live At The Tranzac

Freejazz wordt vaak afgedaan als hypercomplexe, voortdurend van de hak op de tak springende idioterie voor ADHD’ers, muzikanten onder elkaar en een paar verdwaalde onnozelaars voor wie het allemaal niet maf genoeg kan zijn. In sommige gevallen is dat nog waar ook, maar zeker niet bij dit kwartet, dat een bijzonder geslaagde plaat uitbrengt die uitblinkt in homogeniteit.

Allemano wordt door de lokale kenners al langer beschouwd als een van de boeiendste trompettisten van Canada. Naast een trio en het collectief improviserende “N” focust ze vooral op haar eigen kwartet, waarvan dit intussen al het vijfde album is. Sinds Pinkeye (2006) bestaat de line-up uit Allemano, altsaxofonist Brodie West (ook geen onbekende van de Amsterdamse scene en vaste klant in de band van The Ex & Getatchew Mekuria), bassist Andrew Downing en Nick Fraser, en die ongedwongen intimiteit van oude bekenden straalt dan ook af van Live At The Tranzac, dat in 2011 en 2012 werd opgenomen in thuisstad Toronto.

De stukken op de meeste (free)jazzalbums kan je doorgaans opdelen in een paar vaste categorieën. Je hebt een paar trage slepers, wat hyperkinetische uitschieters, hier en daar brokken die expliciet aanleunen bij de traditie (met Monk als eeuwige favoriet) en dan heb je natuurlijk nog het obligate stukje van de drummer of bassist. Hier is zo’n simplistische verdeling een pak moeilijker te maken. Ten eerste omdat hier nergens de behoefte gevoeld wordt om boude statements te maken of de spierballen te laten rollen en ten tweede omdat dit kwartet heel goed zijn sterktes kent. Deze vier moeten het niet hebben van eclectische collages, virtuoze racewedstrijden of vervreemdende passages, maar stukken die soms ronddraaien op een vierkante meter, maar die dan wel volledig benutten.

Het knappe is dat er daarbij een heel subtiel evenwicht gevonden wordt tussen gecomponeerd en vrij geïmproviseerd materiaal, waarbij de vele referenties naar eerder aangehaalde thema’s en de talloze variaties daarop, aantonen hoe goed deze muzikanten vertrouwd zijn met het basismateriaal en vooral elkaars manier van inpikken. Stukken als “Flummox”, “Jack” en het toepasselijk getitelde “Hush” pakken uit met elegante melodieën, maar vermijden dat de houdbaarheid van die stukken wordt overschreden. In plaats daarvan wordt voortdurend de zone net buiten dat materiaal verkend, waardoor je geprikkeld wordt, maar zelden zonder houvast achterblijft.

Dat wordt ook sterk uitgewerkt in “Tiger Swallowtail”, waarin het lijkt alsof de muzikanten elk over een stukje van de puzzel beschikken en dat naar believen kunnen inzetten of niet. Zitten ze nu eens op één lijn, dan begint het daarna op de linker- of rechterflank te ontrafelen, is er eentje die even een zijspoor opzoekt, om vervolgens terug te keren naar de groep, om dan vast te stellen dat een ander die dwaalrol intussen opgenomen heeft. Dit creëert een komen en gaan van impulsen die de coherentie eigenlijk alleen maar versterken. Het zorgt er dan ook voor dat Live At The Tranzac, ondanks z’n individuele kwaliteiten (Allemano en Brodie schitteren bvb. met een expressief duel in “Atomic Number 22”), een echte groepsplaat is.

Zorgen de statige harmonieën van het slaaplied “Hush” voor een moment van extra ingetogenheid, dan gaat de energie weer de hoogte in voor het slotduo “Spin” en “Middle Finger”, waarvan het eerste aandacht afdwingt die inzoomt op de inventieve ritmesectie en het tweede het aanstekelijke sluitstuk is met een groove die voortdurend dreigt te imploderen, maar dat nét niet doet. Met meer van die stukken zou Live At The Tranzac nog toegankelijker worden, maar het strekt de band tot eer dat hij niet kiest voor gemakkelijkheidsoplossingen, maar inzet op een eigen karakter en diepgaande verkenning, wat leidt tot een plaat die pas na meerdere beluisteringen zijn creativiteit en karakter helemaal blootgeeft. Te ontdekken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − twaalf =