Jazz Brugge: Django Bates’ Beloved Bird Trio + Carlos Bica & Matéria Prima + Free Flamenco :: 7 oktober 2012, Concertgebouw Brugge

Nog meer stilistische schizofrenie op de slotdag van Jazz Brugge, met volk uit het Noorden en (vooral) het Zuiden. Met de indrukwekkend consistente slotdag van 2010 (topconcerten van Courvoisier/Eskelin, Rolf Kühns trio en Andy Elmers Octet!) nog redelijk vers in het geheugen, was het uitkijken naar een nieuwe dag vol veelkleurige luistersnoep. Uiteindelijk werd echter bevestigd dat dit een wat moeizame editie was, met concerten die zelden de aandacht konden vastgrijpen en –houden voor de volledige duur.

De Britse jazz wordt vaak over het hoofd gezien binnen Europese festivals, die doorgaans vooral op de Scandinavische en zuiderse variant inzoomen. Nochtans werd in Brugge ook al bewezen door o.m. Barry Guy en Keith Tippett, dat het eiland een aardige traditie heeft. Met pianist Django Bates werd een muzikant in huis gehaald die gezien mag worden als een scharnierfiguur tussen de generatie die in de jaren zestig de kop op stak en de jongere garde. Hij maakte wat los met o.m. Loose Tubes en is van de generatie die ook Iain Bellamy, Billy Jenkins en Mark Lockheart voortbracht. De speelse orkestgedaante werd nu echter ingeruild voor een programma dat opgehangen werd aan ’s mans levenslange obsessie: Charlie Parker.

Bates trad aan met de Deense drummer Peter Bruun en Zweedse bassist Petter Eldh en de drie lieten van meet af aan horen dat het concert geen traditionele bebophommage zou worden. Bates’ stijl valt immers even moeilijk vast te pinnen als de immens complexe solo’s van de saxlegende, met een voortdurende vermenging van stijlen, ritmes en tempo’s. Net zoals hij er zelf voortdurend bij zat te kronkelen op het zitje, zo werd z’n spel ook gekenmerkt door abrupte versnellingen en vertragingen, struikelritmes en een soms stuiptrekkende complexiteit. In Parkers “Confirmation” zat meteen de turbo erin, al kon je moeilijk spreken van klassieke schwung, daarvoor was de muziek te grillig.

“Donna Lee” was dan weer in nevelslierten gehulde meditatie die gaandeweg expressiever werd en eindigde met denderende basnoten. Een lijn viel er daarna amper te ontwaren in ’s mans spel en composities, waarbij je soms de indruk kreeg dat er meerdere denksporen tegelijk gepresenteerd werden, nu eens eindeloos variërend op een motiefje en dan weer met momenten van (relatieve) rust, waarbij de rechterhand het vaak alleen voor het zeggen had. Het ging er behoorlijk tegendraads en virtuoos aan toe, al werd dit voor een stuk wel in balans gehouden door het soms subtiele spel van de ritmesectie, die al net zo eigenzinnig als de leider speelde. Een merkwaardig concert dat met een razende vaart van start ging, maar gaandeweg wat van z’n spanning kwijtspeelde.

Het concert van de Portugese bassist Carlos Bica en Matéria Prima werd vooraf aangekondigd als een samensmelting van jazz met elementen uit de rock- en folkmuziek. Dat was niet gelogen, al leverde het zelden vuurwerk of bruisende muziek op. De composities teerden haast zonder uitzondering op lome baslijnen en de twang van gitarist Mário Delgado, die vooral het terrein tussen Ribot en Cooder opzocht en zo met en zonder loops een filmische woestijnsfeer creëerde (nog boeiend in opener “D.C.”), die soms postvatte tussen de audiocinema van Friends Of Dean Martinez, Earth, Yawning Man en Ribots Los Cubanos Postizos, al kwam de cover (“For Malena”) van zijn diens album met Ceramic Dog.

Het materiaal werd vooral geplukt uit het album dat dit vijftal in 2010 maakte, maar composities als “Believer” en “Schlager” waren eenvoudigweg te karig en monotoon om bij te blijven. Pianist João Paulo schakelde een paar keer over naar accordeon en elektronisch keyboard en zorgde voor wat afwisseling in de klankkleur, maar dat stond dan weer in schril contrast tot drummer João Lobo, die werkelijk niets kreeg om mee te werken en voor het grootste deel van de set niet veel anders kon doen dan hier en daar wat bijkleuren. Hopelijk werd hij niet betaald per verbrande calorie. Geen mens die het waarschijnlijk opmerkte, want met de Duitse trompettist Matthias Schriefl had Bica een muzikant aan boord gehesen die tussen z’n ingetogen collega’s nogal in de kijker liep.

Het was even twijfelen of de man niet op een discofuif moest zijn of gewoon te lang naar de hoes van Miles Davis’ On The Corner gestaard had, want het voelde een beetje vreemd om die opzichtige vogel (een ander noemt hem misschien excentriek) z’n trucje te zien uithalen. Liet hij met een gedempte trompet horen ook goed geluisterd te hebben naar Miles, dan was z’n spel op bugel toch al wat minder geïnspireerd, terwijl de uitgesmeerde prutteleffecten wat aanstellerig gebracht werden. Dit was geen concert voor effectbejag. Had het hier en daar nog z’n momenten – nu en dan waande je je echt ergens tussen Arizona en Noord-Mexico -, dan werd vooral duidelijk dat het deze redelijk flauwe kost ontbrak aan kruiden.

Naar goede gewoonte werd het festival afgesloten met feestelijke muziek. Dat was alleszins wat te verwachten viel van het Spaans-Frans-Bulgaarse kwartet Free Flamenco, dat een paar virtuozen in huis heeft die zonder al te veel moeite de grenzen tussen traditionele flamenco, jazz en andere wereldmuziek slopen. Flamenco roept meteen beelden op van klassieke gitaren, gezang, castagnetten en danseressen. Al die elementen ontbraken, al had je wel nog de ritmes, de melodieën en sfeer die intact bleven. De pianosolo van Dorantes die het concert opende beloofde veel goeds: een eclectische, bruisende performance die de ene stijl aan de andere knoopte. Daarna werd hij vergezeld door bassist Renaud García-Fons en drummer Javier Ruibal. Het zou de toon van het concert, met een voortdurende wisseling van instrumentatie, vastleggen.

Vroeg hoogtepunt was een bassolo van García-Fons, die bediend werd van een (iets té) potig volume en zijn fabuleuze techniek kon tonen, waarbij hij de strijkstok zo virtuoos als een klassiek cellist wist te gebruiken en door percussieve technieken een prachtig geluid aan z’n instrument wist te ontlokken. Een lyrisch en meeslepend moment, dat de aanloop naar een triomfconcert leek. Dat zou het echter niet worden: als kwartet speelde de band vaak geïnspireerd en met zwier, maar de kavalsolo van Theodosii Spassov die aanvankelijk nog grappig was groeide uit tot een wat vervelende performance die de rek compleet uit het concert haalde. Het kwartet zou daar helaas niet meer van herstellen.

De muziek barstte van de ideeën en subtiliteit, al slaagden de vier er niet meer in om de belofte van de start aan te houden tot het einde, waardoor ook dit concert een kwartiertje voor het einde verstek moest geven. Het was kortom niet de kleine artistieke triomf waar de editie van 2010 wel mee kon uitpakken. We misten de eerste festivaldag en de middagconcerten (waarvan er een paar volgens verschillende bronnen tot de hoogtepunten hoorden), maar op basis van wat we wel zagen was deze editie een hit-or-miss-geval, met een paar goede concerten (die zelden als geheel overrompelden) van o.m. Kris Defoort, Aka Moon en Aldo Romano, maar ook een handvol die de hooggespannen verwachtingen zeker niet inlosten, zoals de groepen van Michel Godard, Francesco Bearzatti en Carlos Bica.

Nochtans kan je de organisatie moeilijk gaan verwijten dat ze geen risico’s genomen heeft. Resoluut de kaart van de Europese jazz trekken blijft een weinig voor de hand liggende keuze die respect afdwingt. Op papier zag het er allemaal erg veelbelovend uit en leken die ‘jazzvreemde’ elementen enkel maar aan te moedigen. Als dat dan toch eens wat tegenvalt, is dat natuurlijk jammer, maar nog geen reden om rond de tafel te zitten en het eens over dat jazzprofiel te hebben. Of toch?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in