Het Filmfestival van Gent: enola blogt!

Het Filmfestival van Gent is gedaan. Jammer maar helaas. Onze vliegende (en junkfood schransende) reporter Ewoud sluit af met een overzicht van zijn laatste week als ExploreZone-jurylid.

Filmbespreking: Amour
Filmbespreking: The Broken Circle Breakdown
Lees het interview met Felix van Groeningen
Lees het interview met Johan Heldenbergh
Lees het interview met Veerle Baetens

Filmfestival van Gent 2012: enola blogt!

Anemone, wo bist du blieben? (+ Eindelijk fatsoenlijk eten!) Ewoud

Ook al is hun karakter naar eigen zeggen niet goed genoeg om mij wat geografische kennis over Gent bij te brengen, ik mag niet klagen over de goedhartigheid van mijn (ex)enola-collega’s, want het zijn zij die mij te slapen leggen in Gent. Zo ook op zaterdagavond, wanneer ik de ExploreZone-film The Odds moet bekijken, een thriller over een tiener die zich in de nesten werkt door iets te ijverig te pokeren en vertolkt wordt door een acteur die volgens het festivalmagazine wat doet denken aan een jonge versie van Tom Cruise, en dat is niet overdreven. De Canadees Simon Davidson heeft een onderhoudende prent in elkaar gebokst, maar de avond eindigt toch ietwat op een anticlimax wanneer het projectiesysteem het een kleine tien minuten voor het slot laat afweten, waardoor ik tot op heden de film nog niet heb kunnen uitkijken. ‘Het is als masturberen zonder klaar te komen,’ zegt een jongeman op enkele stoeltjes van mij, en hij verwoordt perfect het gevoel dat zich bij mij en de andere juryleden opdringt.

Het maakt mijn nachtrust er niet langer op, want na mijn overnachting in Gent (nu ja, Sint-Amandsberg), moet ik ’s morgens weer naar Antwerpen pendelen om de overheid te laten weten wie ik graag op ’t Schoon Verdiep wil zien – de wereld draait immers niet enkel om het Filmfestival. ’t Is dat ik weet dat ik voor de goei stem, anders had ik het er niet voor over gehad.

Achteraf haast ik mij terug naar Gent om u verslag uit te brengen van wat er daar op filmisch en niet-filmisch gebeurt. Mijn jurypas slaagt er andermaal in om deuren te openen die doorgaans gesloten blijven, en er wordt mij een pintje getapt in Bar Noir, het festivalcafé dat eigenlijk pas een halfuur later zal openen. Het is er dan ook aangenaam schrijven; op mij en Chris Lomme na is het festivalcafé immers nog leeg, wat mij de gelegenheid geeft om rustig verder te bloggen, alvorens een plaatsje te gaan scoren voor Tim Burtons Frankenweenie.

Ik blijf mij vragen stellen bij het concept 3D en wat het komt doen in een film als deze, die zich toch wel een erg nostalgisch jasje aanmeet, maar dat is muggenzifterij; ik ben al lang blij dat Burton zijn oude niveau nog eens bereikt, na toch wel fameuze missers als Dark Shadows en (vooral) Alice In Wonderland. Het is verder nog druk op zondag; ik heb nog drie ExploreZone-films op het programma staan, waarvan er eentje (For Ellen) een nogal saai Amerikaans drama is, met een net iets te veel mompelende Paul Dano in de hoofdrol, en de andere een krachtig en vooral prachtig geënsceneerde kroniek is van een klein meisje dat nog jong genoeg is om de kracht en de moed te bezitten om heel veel tegenslagen te overwinnen. Wanneer ik buiten kom na het bekijken van deze Beasts of the Southern Wild, het debuut van de dertigjarige Amerikaan Benh Zeitlin, heeft hij zich al prompt op één geplaatst in mijn ExploreZone-lijstje, een plaats die hij tot het uiteindelijke jurydebat en de prijsuitreiking op donderdagavond zal vasthouden.

Zondag (vier films op negen uur tijd) en maandag (vijf films op negen uur en half) verlopen jammer genoeg weer zo ongelooflijk hectisch dat een rustige, gebalanceerde maaltijd er nog steeds niet inzit, en de opluchting die ik dinsdag ervaar wanneer ik een gat vind om met twee andere juryleden eindelijk eens echt deftig te gaan eten, is dan ook moeilijk in woorden te vatten. Één Duvel een één ambachtelijk bereide hamburger met een portie wilde rijst later moet ik mij wel reppen om op tijd te komen voor de avant-première van Offline: een film waar veel belangstelling voor is, en het kost me behoorlijk wat moeite om ietwat elegant door de menigte te laveren, die zich heeft samengepakt rond regisseur Peter Monsaert, acteurs Anemone Valcke en Wim Willaert en de drie mannen van Triggerfinger, die de soundtrack voor hun rekening hebben genomen.

Mijn belofte van vorige week indachtig ben ik vastbesloten om op de receptie die na de vertoning volgt – de film was overigens niet kwaad, maar voelde wel nogal flauwtjes aan – Anemone Valcke, in levende lijve even charmant als op het grote doek, aan te klampen voor een gesprek. Dat zal echter snel moeten gebeuren, want ik heb mij voorgenomen om nog eens in mijn thuisstad te overnachten en moet dus, alweer, de laatste trein halen. Uiteindelijk zal het mij niet lukken om ook maar iets tegen haar te zeggen, maar ik krijg een even interessant alternatief: presentator Ben Van Alboom stelt mij immers voor aan Benh Zeitlin, de regisseur van mijn ExploreZone-favoriet. De er bijzonder jong uitziende Amerikaan is een vlotte en aangename gesprekspartner – ‘Benh’, zegt hij, wanneer ik hem de hand schud en ‘Nice to meet you, mister Zeitlin’ zeg – die glundert wanneer ik hem vertel hoezeer ik onder de indruk was van Beasts.

Het is twee dagen later, op donderdag, dat de winnaar van de jongerenjury bekend wordt gemaakt. Aan het kiezen van de uiteindelijke winnaar is een behoorlijk lange discussie vooraf gegaan die plaatsvond in een wel heel erg fancy visrestaurant in Gent. Heel leuk, na alle snelle ongezonde kost die ik de afgelopen week naar binnen heb gespeeld, ware het niet dat vis niet echt mijn ding is en ik nogal beschroomd aan de bijzonder formele serveerster moet vragen of er een alternatief is en ik uiteindelijk een vegetarisch menu krijg waarmee ik wel kan leven. (Hoewel: spaghetti met zeewier is toch ook niet alles.) Enfin, de jury splitst zich al snel op in twee kampen, met fervente Sons of Norway-fanatici enerzijds en net iets ferventere Beasts of the Southern Wild-liefhebbers anderzijds, waardoor uiteindelijk besloten wordt om Sons een eervolle vermelding te geven en Beasts de hoofdprijs.

Nadat een collega-jurylid een dag later die eervolle vermelding toekent, krijg ik de eer en het genoegen om Beasts uit te roepen tot winnaar van het ExploreZone-parcours. Benh Zeitlin zelf is dinsdagavond nog halsoverkop naar Abu Dhabi vertrokken en kan de prijs niet zelf in ontvangst komen nemen, maar drukt in een videoboodschap toch zijn trots en dank uit. De prijsuitreiking wordt gevolgd door de slotfilm van het ExploreZone-parcours, die wij een dag eerder te zien hebben gekregen. De premisse van The Perks of Being a Wallflower doet een mens even met de ogen rollen en zich afvragen of er nog wel behoefte is aan zo’n tienerfilm, maar de verfilming van het gelijknamige cultboek is verrassend charmant en drijft bovendien op een fantastische soundtrack, en enkele rake acteerprestaties van jonge beloften als Emma Watson en Ezra Miller.

Die laatste kent u als Kevin uit We Need To Talk About Kevin, en aangezien hij ter promotie van zijn nieuwste film op het Filmfestival aanwezig is (na de nacht voordien de Charlatan onveilig te hebben gemaakt, zo beweert hij zelf) krijgt de jongerenjury de kans om hem even te ontmoeten. Tegelijk nonchalant en flamboyant, is het moeilijk te geloven dat hij een jaar jonger is dan ikzelf, en het contrast tussen zijn rol in Perks en die in Kevin en de vanzelfsprekendheid waarmee hij die lijkt aan te kunnen, doen hoopvol uitkijken naar de toekomst.

Met zijn lange haren, zwarte kostuumbroek en witte gilet ziet hij er overigens een beetje uit als een kruising tussen een jaren ’60-hippie en een jaren ’30-gangster, iets wat me er weer even aan herinnert dat misdaad het centrale thema is van het Filmfestival. Om tussen alle nieuwe releases nog eens even te kunnen genieten van een goeie ouwe film noir, heeft een jurylid dat mondiger is dan ikzelf ons woensdagavond binnen gebluft bij de volledig uitverkochte voorstelling van Out of the Past, de klassieker met Robert Mitchum die tevens de prachtige festivalposter van dit jaar siert. Het is de enige film die ik dit jaar weet te bekijken uit de ietwat vreemde, beperkte en rommelige klassiekersselectie van dit jaar. (Er zitten slechts twee films in met Romy Schneider – het onderwerp van de expo dit jaar –, één echte misdaadfilm en twee die met wat fantasie als dusdanig bestempeld kunnen worden, en dan komt E.T. ook nog even piepen. Seriously?)

Out of the Past toont echter hoe sterk zo’n ouderwetse crime film kan zijn; ook al gaat het dan om een typische formuleprent, de vakkundige mise-en-scène, de scherpe dialogen en de hard-boiled acteerprestaties zijn nooit minder dan memorabel. Vakwerk is het, een beetje zoals Brian De Palma ze veertig jaar later zou maken – herinner u Scarface en vooral The Untouchables – en ’s mans nieuwste lijkt dan ook de geknipte film om deze misdaadeditie van het Gentse filmfestival af te sluiten. Passion, een remake van het Franse Crime d’Amour omschrijft zichzelf als ‘the combination of eroticism, suspense, mystery and murder into one spellbinding cinematic experience.’ Niets is echter minder waar: ik betrap mezelf erop dat ik bij het bekijken van de slotfilm voortdurend op mijn klok zit te kijken, iets wat voor één keer niet aan de NMBS te wijten is, maar aan het weinig geïnspireerde en nog minder subtiele vrouwenthrillertje dat De Palma in elkaar heeft geflanst.

Het is dan ook jammer dat een nochtans sterk Filmfestival toch een beetje op een sisser eindigt. Dat het behoorlijk indrukwekkende Tabu de grote prijs wegkaapt in een gevarieerde competitie waar twee absolute pareltjes – naast Spanien blijkt ook La Cinquième Saison een modern meesterwerk, deels van eigen bodem dan nog – zegt al heel veel over de kwaliteit van de films die Patrick Duynslaegher en co. naar Gent hebben kunnen halen. Van al die films heb ik, na tien dagen heen-en-weer-geloop tussen Kinepolis, Studio Skoop en Sphinx, zesendertig titels gezien, en hoewel niet alles even sterk was (Student, For Ellen en Jack and Diane waren behoorlijke stinkers) kan ik alleen maar voldaan terugkijken op mijn tijd als jurylid. Alleen jammer dat die babbel met Anemone Valcke er nooit is gekomen, mijmer ik wanneer ik voor de 22ste keer op tien dagen op de trein stap.

In vogelvlucht over de competitiefilms (Kevin)

Op woensdag 17 oktober beslist de vakjury welke film de Grote Prijs voor Beste Film en de Georges Delerue Award voor Beste Muziek mee naar huis mag nemen. En het zal geen gemakkelijke noot worden om te kraken. Zo liet artistiek directeur Patrick Duynslaegher bij de start van zijn eerste festivaleditie weten dat hij de officiële competitie wou opwaarderen en daar is het festival zeker in geslaagd. Door geen films te schuwen van gevestigde cineasten of filmmakers die al op andere festivals in de prijzen vielen, wint de competitie aan internationale allure. We zetten de films even op een rijtje

Zo is er Australische Oscarinzending ‘Lore’, die al hoge ogen gooide op het filmfestival van Locarno en Sidney. De film vertelt het verhaal van het titelpersonage dat in de steek wordt gelaten door haar ouders, nazi’s op de vlucht voor de afrekening aan het einde van WO II. Samen met haar jongere broers en zus probeert ze zich een weg te banen door het gevallen Duitse rijk, met als enige hoop het huis te bereiken van haar 900 kilometer verder wonende grootmoeder. Het levert een brutale film op, met een poëtische esthetiek die doet denken aan het eerder dit jaar verschenen ‘Wuthering Heights’ van Andrea Arnold. Gedrenkt in bloed, zweet en tranen zien we hoe de wereld van de jonge protagoniste (sterk vertolkt door debutante Saskia Rosendahl) aan diggelen wordt geslagen wanneer ze geconfronteerd wordt met de gruweldaden van haar geliefde führer. Met dit verscheurend portret, dat een gezicht wil geven aan de Duitse schuldvraag, bevestigt Cate Shortland de belofte die ze al in 2004 toonde in ‘Somersault’.

Al even urgent, maar dan meer omwille van de actualiteit is ‘La Cinquième Saison’ van het Belgisch-Amerikaanse regisseurskoppel Peter Brosens en Jessica Woodworth. Ze maakten eerder al indruk met hun beeldenbombast in ‘Khadak’ en ‘Altiplano’, ook films waar de relatie tussen mens en natuur wordt onderzocht. In ‘La Cinquième Saison’ volgen we de inwoners van een Belgisch dorpje in de Condroz waar de lente weigert te komen, met hongersnood en paniek tot gevolg. ‘La Cinquième Saison’ is het best te lezen als een ecologische allegorie, die wil tonen hoe machteloos de mens staat tegenover de natuur en hoe hij zonder zijn rituelen zelf niet meer is dan een beest. De picturale schoonheid van ‘La Cinquième Saison’ valt niet te ontkennen, maar wanneer de beeldenpracht niet langer prikkelt, wordt het beperkte bereik van de prent ook duidelijk.

Aan gezinstrauma’s is er naar oude gewoonte geen gebrek. In ‘For Ellen’ tracht Paul Dano (de jonge predikant uit ‘There Will Be Blood’) de band met zijn dochtertje te versterken, waarover hij het hoederecht dreigt te verliezen. Een goed geacteerde en zachtaardige vertelling die echter niet veel meer te bieden heeft dan dat. In de Koerdisch-Oostenrijkse film ‘Kuma’ loopt een uithuwelijking niet zo vlot. Het huwelijk is immers zo opgezet dat het meisje in kwestie trouwt met de vader van het gezin in plaats van met zijn zoon, tot groot ongenoegen van de rest van de familie. Umut Dag maakt een knap opgebouwde film, waarin de menselijke relaties voor een natuurlijke dynamiek zorgen. ‘Kuma’ is in weze een klassiek familiedrama, maar dan wel heel bedachtzaam onder controle gehouden.

Na de traan, is er gelukkig ook even de lach. Sang-soo Hong schopte het met haar Zuid-Koreaanse dramedyIn Another Country’ tot in de competitie van Cannes, en wordt ook door Gent opgepikt, maar zal het festival niet verlaten als het Aziatische equivalent van Woody Allen, zoals Karina Longworth, de vaste filmrecensente van LA Weekly, haar omschrijft. Ze mag dan wel over hetzelfde observatietalent als Woody Allen beschikken, de constructie van haar film (een speelse raamvertelling over een Française, telkens vertolkt door Isabelle Hubert, die om verschillende redenen naar Mohang reist) leidt tot weinig inzichten of revelaties.

De vreemdste eend in de bijt is echter ‘Tabu’, een essayistisch aandoend liefdesgedicht van de Portugese regisseur Miguel Gomes, geïnspireerd op het laatste werk van expressionistische grootmeester F.W. Murnau. Een film die volgens velen te hermetisch is om indruk te maken – zo getuigt ook de man naast me die een paar keer in slaap sukkelde – maar de prachtige zwart-witfotografie geschoten op 35 en 16 mm is een ware lust voor het oog.

De competitie wordt ook bevolkt door enkele thrillers. Helaas overstijgen ze zelden hun conceptuele aard. In ‘Graceland’ wordt de dochter van een arme taxichauffeur ontvoerd nadat ze verkeerdelijk aanzien wordt voor het kind van een corrupte politicus. Een misdaadfilm over de verkeerde man op de verkeerde plek dat met zijn kinetische energie weet te boeien, maar finaal weinig weet bij te dragen nadat de premisse aan de kijker is meegegeven. De diepere inkijk in de Filipijnse maatschappij die de programmabrochure suggereert blijft uit. ‘Compliance’ baseert zich dan weer op waargebeurde feiten. In 2004 doken in de Verenigde Staten meer dan 70 gevallen op van een pervers telefoonspelletje. Zo belde een man naar diverse eetgelegenheden met de melding dat de kassierster geld gestolen had en dat het personeel haar ter plekke moest ondervragen, fouilleren en de kleren afnemen. Craig Zobel registreert de psychologisch terreur van dit gebeuren met een scherpe vastberadenheid, maar kan de trivialiteit niet vermijden.

Als ik een gok moet uitbrengen op de film die de prijs voor Beste Film mee naar huis neemt, dan zet ik hem op ‘Kid’ van Fien Troch. De Belgische cineaste toonde reeds in haar twee vorige films, ‘Een ander zijn geluk’ en ‘Unspoken’ dat ze over een visie beschikte, maar weet die eigenzinnigheid nu pas te controleren. Terwijl ‘Een ander zijn geluk’ zijn belofte op te veel fronten probeerde waar te maken en ‘Unspoken’ zich blind staarde, heeft Troch met deze film, over een jongen die ziet hoe zijn moeder ten onder gaat aan de schulden van zijn verdwenen vader, haar stijl geperfectioneerd. Met haar statische en bezwerende shots zoomt ze in op de Vlaamse identiteit om een universeel verhaal te vertellen over het verlies van kinderlijke onschuld.

Aan Abel Korzeniowski (componist), Bavo Dhooge (misdaadauteur), Joan Dupont (journaliste), Xiaolu Guo (schrijfster & filmmaakster) en Bavo Defurne (regisseur) om de knoop door te hakken. Bonne chance!

Noot van de redactie: Andere films die deel uitmaken van de officiële competitie, maar niet werden opgenomen in bovenstaande bespreking: Après Mais, Captive, Offline, Room 514, Spanien en Beyond the Hill.

Een indigestie aan films en fast food: heeft iemand een Motilium?

Wanneer een klasgenote mij tijdens de les van vrijdagochtend wakker maakt, besef ik dat ik qua nachtrust nog wel een weekje ga afzien. U moet weten dat ik doorgaans wel overnacht in Gent – meer zelfs, om in de juiste sfeer te blijven logeer ik bij een oud-collega-recensente én dat in de straat waar Lars von Trier onlangs enkele scènes van zijn nieuwe film The Nymphomaniac kwam opnemen – maar dat ik zo nu en dan in de voormiddag wel probeer om de occasionele les Spaanse Taalkunde mee te pikken. Aangezien dat impliceert dat ik zo rond halfzeven moet opstaan, terwijl ik zelden voor halfeen op mijn matras lig, heeft mijn nachtrust wel te lijden onder dit filmfestival, om van mijn spijsverteringsstelsel nog maar te zwijgen – het ontbijt wordt doorgaans overgeslagen, en ook al houd ik het ‘s middags met een broodje of een croissant nog wel vrij gezond, ’s avonds is het toch altijd frieten of ander fastfood.

Naast een bepaalde lichamelijke impact, vraag ik mij zo nu en dan af of wat ik doe psychologisch wel twee weken uit te houden zal zijn; na vier dagen staat mijn teller inmiddels op 14 films, waaronder Tomas Vinterbergs Jagten en Michael Hanekes Amour – niet bepaald films waar een mens even bij uitblaast, en dat zijn dan nog de films die ik op vrijwillige basis zie. Van mijn ExploreZone-lijst hebt ik inmiddels zeven van de zeventien films afgetikt. De ene is natuurlijk al wat beter dan de andere, maar het is hoe dan ook wel de moeite om te zien welke stijlen, pretenties en ambities al deze jongere, debuterende regisseurs zich zoal aanmeten.

Zo is er de totaal verschillende manier waarop de Zuid-Amerikaanse films Después de Lucía (Michel Franco) en La Hora Cero (Diego Velasco) omspringen met de snel gemonteerde cinema verité-stijl waarmee Fernando Meirelles (Cidade de Deus) en Alejandro González Iñárittu (Amores Perros) aan het begin van het millennium hoge ogen gooiden – de ene weert die stijl radicaal af, terwijl de andere hem juist omarmt.

Het is echter buiten het ExploreZone-parcours dat ik voor het eerst van mijn stoel word geblazen. Spanien is de eerste reguliere competitiefilm die ik weet mee te pikken, en is van een kwaliteit die sowieso al een grote prijs op eender welk filmfestival verdient. De Oostenrijks-Bulgaarse film is spaarzaam met dialoog, maar genereus met schoonheid, en naast het zeldzame talent om berekend en toch hartverwarmend én ongelooflijk mooi te filmen, toont regisseuse Anja Salomonowitz zich ook een begenadigd verhalenvertelster, in een bescheiden mozaïekfilm die zich niet als zodanig presenteert. Spanien heeft helaas nog geen verdeler gevonden in ons Belgenlandje; ’t is te hopen dat dat zo snel mogelijk gebeurt, want wat mij betreft is dit geheid eindejaarslijstjesmateriaal en misschien wel dé regisseuse om de komende jaren in de gaten te houden.

Salomonowitz is ook in Gent aanwezig, en houdt na de vertoning een korte vraag-en antwoordronde waarbij ze de zaal nog aan het lachen weet te krijgen ook, door een grappige anekdote te vertellen over de mieren in de film. (Als u wil begrijpen wat ik bedoel, zie de film dan. En als u niet hoeft te begrijpen wat ik bedoel, zie de film dan ook.) Ik kan echter niet blijven, want ik moet mij naar Studio Skoop haasten voor de vertoning van A Night Too Young, het afstudeerproject van de Tsjechische filmstudent Olmo Omerzu, dat het zomaar even tot op filmfestivals in Berlijn en Los Angeles schopte. Het is een bevreemdende, maar knap gemaakte prent over het uitgesteld nieuwjaarsfeestje van drie jonge volwassenen en de twee kinderen waar ze zichzelf mee opschepen, en in mijn hoedanigheid van jongerenjuror mag ik na de voorstelling even doorzakken met de regisseur en de producent van de film. Die eerste is nogal verlegen – een vreemde eigenschap voor een filmregisseur, lijkt me – maar met de tweede voer ik een lange conversatie over onder meer Lars von Trier, waar de man duidelijk grote fan van is, het nut van filmkritiek, en het Tsjechische voetbalelftal. En ik leer hem nog Duvels drinken ook, op kosten van het Filmfestival.

Het is dus een behoorlijk gevarieerde job, lid van de jongerenjury: naast het bekijken van een rits films, word ik zo nu en dan ook op een receptie verwacht – afgelopen woensdag heb ik zeer goede wijn gedronken op de nabespreking van Welcome Home, de debuutfilm van de Brusselse Gentenaar Tom Heene – en ik word samen met mijn collega’s zelfs gevraagd een interview te komen doen op Urgent FM, die live vanop het filmfestival uitzenden. Wanneer ik aan hun caravan een datum sta te prikken voor dat interview (het is vrijdag 19 oktober, kwart over zes geworden, voor de geïnteresseerden), is er al een hoop volk, waarvan het merendeel uit vrouwen bestaat, samengetroept rond de rode loper van Kinepolis, en uit de filmfestivalwagen die even later onder hun belangstelling arriveert, stapt Benedict Cumberbatch, de acteur uit series als Sherlock en films als Tinker Tailor Soldier Spy, die hier de tv-reeks Parade’s End komt voorstellen.

Ik heb echter geen tijd om schoon filmvolk te blijven spotten, want ik word niet zoveel later in bioscoop Sphinx verwacht, en ik moet daarvoor nog gegeten zien te hebben. Ik zou wat graag in een brasserietje een vidé met frietjes gaan verorberen, maar helaas: het tijdsgebrek dwingt mij om een Amerikaanse fastfoodketen te steunen. Kwestie van afwisseling, nadat ik de vorige dagen respectievelijk de Belgische frietindustrie weer een beetje vooruit heb geholpen en ook de Turkse kebabhuizen weer goede economische cijfers heb bezorgd.

Film is dood, lang leve de cinema! (Kevin)

Het einde van film is in zicht. Met de opkomst van digitale apparatuur die het opnemen en vertonen van films goedkoper en efficiënter doet verlopen is het spel van pellicule definitief uit. Een filmtraditie van 100 jaar wordt opgeborgen en afgesloten, maar is het werkelijk zo dat digitale cinema een superieure ervaring biedt, of is het simpelweg het resultaat van een economische wetmatigheid?

Het brengt regisseur Christopher Kenneally ertoe om met acteur Keanu Reeves als welwillende reporter naar de bron van Hollywood te trekken, namelijk de regisseurs die elke dag moeten kiezen tot welke technologie ze zich wenden om hun verhaal te vertellen. Martin Scorsese, George Lucas, David Fincher, … ze passeren allemaal de reveu in zijn documentaire Side by Side. Hardcore believers zoals Steven Soderbergh en James Cameron worden geflankeerd door twijfelaars en non-believers, zoals Christopher Nolan. Het levert een helder tijdsdocument met interessante discussies op, dat het vooral moet hebben van de grote namen die hun zegje doen over de impact van de digitale technologie op cinema.

Eén ding staat echter vast: er is geen weg terug. Het digitale web heeft de wereld zo ingepalmd dat ook de filmsector er niet aan ontsnapt. Met een simpele handycam kan elke man op de straat een film draaien en nadien via YouTube aan de wereld tonen. Het stelt ieders rol bij een filmproductie in vraag. Ook die van de DOP (director of photography). Bij digitale captatie kan er in postproductie immers zoveel aangepast en gecorrigeerd worden dat hij op de set misschien minder cruciaal wordt. En welke invloed heeft dit op de esthetiek van cinema? Het houdt ook het filmfestival van Gent wakker. Voor een debat nodigt het filmfestival Dick Pope (vaste DOP van Mike Leigh), Renaat Lambeets (DOP Vier-serie ‘Met Man & Macht’), Hans Bruch Jr. (DOP ‘La Cinquième Saison’) en Nico Leunen (monteur ‘The Broken Circle Breakdown’) uit.

Artistiek directeur van het filmfestival en moderator van dienst, Patrick Duynslaegher, opent met een recente quote van Thelma Schoonmaker, Scorsese’s vaste monteur sinds Raging Bull in 1980. “It would appear that we have lost the battle”, zei ze teneergeslagen nadat ze te horen kregen dat ze hun nieuwe film digitaal moesten draaien. Een stelling die niet zoveel weerklank vindt bij de verzamelde DOP’s. Nico Leunen erkent het technisch verlies, maar beklemtoont dat we winnen als we met digitale apparatuur beter de emoties kunnen weergeven. Het doel rechtvaardigt de middelen. Hij trekt een parallel met een scène uit Crocodile Dundee, waar een vrouw vraagt hoe laat het is, Dundee even opkijkt vanonder zijn hoed en haar perfect het uur weet te vertellen nadat hij schijnbaar naar de zon heeft gekeken. Niet wetende dat hij de tijd heeft afgelezen van een horloge in zijn hoed. Het maakt niet uit welk trucje je gebruikt – met of zonder moderne technologie – zo lang je uiteindelijk je doel maar bereikt. De jonge Hans Bruch Jr., net geen digital native, voegt daar aan toe dat hij film nooit heeft willen achterlaten, maar dat het gewoon gemakkelijker is om met digitale middelen tot een film te komen.

Een argument dat vaak de kop opsteekt en als de doorbraak van digitale cinema wordt gezien, is dat het kostenplaatje veel lager ligt. Dat klopt niet helemaal, vindt Dick Pope. Hij wijst op een tegenbeweging die op gang is in Londen en terugkeert naar film als drager, omdat de kosten bij de digitale postproductie aardig kunnen oplopen. Hij beklemtoont dat film nooit dood zal zijn en haalt twee grote producties aan die binnenkort in de zalen verschijnen, ‘Anna Karenina’ van Joe Wright (‘Atonement’) en ‘Les Misérables’ van Tom Hooper (‘The King’s Speech’) om zijn stelling kracht bij te zetten. Nico Leunen treedt hem bij. Voor ‘Kid’ (de nieuwe film van Fien Troch, eveneens zijn vrouw) liep het budget daardoor al gemakkelijk 20.000 euro hoger op, omdat je ook de archivering en de nodige schijfruimte mee in rekening moet brengen.

Iedereen is het erover eens dat de implementatie van digitale technologie de sfeer op de set grondig heeft veranderd. Renaat Lambeets vertelt dat er zich gemakkelijk 25 mensen en meningen verzamelen rond de monitor. Ook de relatie met de regisseur is anders, gaat Dick Pope verder. Weg is de tijd toen de DOP de magiër op de set was die de regisseur moest geruststellen dat alles er prachtig uitzag. Nu oordeelt de DOP meteen samen met de regisseur. Hij beklemtoont dat dit echter niet noodzakelijk negatief is, want het stelt ons in staat om meer doorgedreven creatieve beslissingen te nemen.

Als digitaal opnemen al de esthetiek van een beeld verandert, dan is het dus eerder door de democratisering die het teweeg brengt. Expertise wordt in vraag gesteld door de directe feedback van de groep. Patrick Duynslaegher maakt meteen een brug naar de montagekamer. In de Amerikaanse cinema is immers gebleken dat cuts de laatste jaren steeds korter zijn geworden – een effect van de digitale montage? Nico Leunen ziet dat eerder als een gevolg van onze visuele cultuur die om actie vraagt. Het effect is echter niet te negeren. Zo ziet Dick Pope het maar al te vaak gebeuren dat scènes worden opgeknipt vanuit verschillende invalshoeken, terwijl ze beter tot hun recht zouden komen als je ze gewoon laat spelen.

Tijdens het debat is er opvallend weinig nostalgie te bespeuren, een gevoel dat sterk overheerst in andere discussies over het onderwerp. Er is een algemene consensus dat de digitale technologie het filmproces meer mogelijkheden biedt en zelfs vooruitgang heeft opgeleverd in vergelijking met de fragiele pellicule. Zo vertelt Dick Pope met veel enthousiasme dat dankzij de digitale projectie je een film altijd kan tonen zoals je het hebt bedoeld en dat is een groot verschil met analoge vertoningen, waarbij je nooit wist wat je ging krijgen. Maar tegelijkertijd signaleert iedereen dat de eindeloze mogelijkheden van de digitale technologie beklemmend werken, omdat alles tot in de laatste fase zo moduleerbaar is dat je kan blijven prutsen, zonder dat het resultaat er noodzakelijk beter van wordt.

Wanneer een filmstudent opstaat in het publiek, wordt het einde van het debat ingeluid. “Misschien moeten we stoppen om analoog en digitaal zo te polariseren?” Side by Side, weet je wel. Zo is met één zin gezegd dat het aan een nieuwe generatie filmmakers zal zijn om zelf hun conclusies te trekken.

Deze digital natives zullen met nieuwe ogen kijken, zich onbewust van de radicale technologische ommekeer die nu plaatsgrijpt. Het lijkt dan ook fair om te concluderen dat film binnenkort ongetwijfeld maar één van de vele opties wordt. Het zal dan aan de filmmaker en de producent zijn om te beslissen wat het best in de hand en het laatje past.

Tranen in de verte en de onverklaarbaarheid van Showbizz Bart: de openingsavond (Ewoud)

Men zegt vaak dat Antwerpenaars ongelooflijk chauvinistisch zijn: een waarheid als een koe, zo blijkt wanneer ik elke keer weer in Gent-Dampoort van de trein stap en mezelf op de gedachte ‘Dit is toch maar een miezerig stationnetje’ betrap. Dat neemt niet weg dat ik de komende twee weken de Arteveldestad aan mijn hart zal drukken, aangezien ik hier dag in dag uit van de ene bioscoop naar de andere zal hossen als lid van de ExploreZone-jongerenjury van het 39ste Internationaal Filmfestival van Vlaanderen: Gent, in het spoor van illustere voorgangers als Vincent Van Peer, Kevin De Ridder en Barbara Van Ransbeeck. Een positie die mij én u, naar ik hoop, niet alleen een inkijk biedt in de zeventien films die dat parcours uitmaken, maar ook in wat er zoal achter de schermen van zo’n evenement gebeurt, en het schoon volk dat daarbij hoort.

Het is anders nog angstwekkend rustig wanneer ik ’s morgens rond een uur of 10 aankom in de Press & Industry Office. Het eerder genoemde schoon volk zal hier immers pas vanavond zijn opwachting maken; om 10 uur ’s ochtends is hier nauwelijks een levende ziel te bekennen, de festivalmedewerkers die me mijn accreditatie bezorgen en enkele vroege vogels van het journalistengild niet te na gesproken. Persvisies vinden immers al sinds maandag plaats, en aangezien mijn accreditatie de deuren van alle, of toch zeer vele, zalen opent, besluit ik meteen maar de voorvertoning van Cesare Deve Morire mee te pikken. Jordi, onze collega in New York, deed daar immers behoorlijk enthousiast over, en niet onterecht zo blijkt; de nieuwe van de gebroeders Taviani is immers een klein, maar daarom niet minder indrukwekkend kunstwerkje geworden.

Na een kort over-en-weertje terug richting Antwerpen (het was de bedoeling om nog een les Spaans mee te pikken, maar dat lukte dan weer niet – lang verhaal), maak ik mij klaar voor de openingsavond – met aansluitende receptie, fancy – waarvoor ik persoonlijk ben uitgenodigd. Een blik op de klok leert mij dat ik mij inmiddels alweer moet haasten om mijn trein naar Gent te halen, die voor de verandering op tijd rijdt.

Dat geeft me de mogelijkheid om rustig van Dampoort naar Kinepolis te kuieren, en tijdens die wandeling word ik gepasseerd door drie door de politie geëscorteerde wagens van het Filmfestival. In een flits zie ik enkele witte smokings in die auto’s zitten, en een donkerbruin vermoeden dat zich ontwikkelt in mijn hersenpan wordt bevestigd wanneer ik vijf minuten later de hoek omsla en bij Kinepolis aankom: de gehele cast van The Broken Circle Breakdown staat dan al op de rode loper, geflankeerd door een eveneens in witte smoking gehulde – het staat hem weliswaar wat vreemd – Felix van Groeningen. Tussen alle medewerkers, genodigden en toeschouwers vind ik mijn vier medejuryleden, en aangezien wij Jan Verheyen, die als gelegenheidsinterviewer net voor de rode loper heeft postgevat, allemaal willen mijden als de pest, besluiten we in een wijde boog om die rode loper heen te lopen en langs de zijingang binnen te gaan. Ook al hebben we een plaats gekregen in een zaal vol met exclusieve festivalgenodigden, ik betrap mezelf er meteen op dat mijn beeld over zo’n festivalopening licht naïef was en meteen moet bijgesteld worden: voor elke Michaël Roskam, Hans Herbots of andere enigszins filmgerelateerde mens (Jan Verheyen rekenen we daar niet bij), lopen hier drie behoorlijk nutteloze, maar voor minder kritische mensen dan wij wel behoorlijk glamoureuze bv’s rond. Joke Schauvliege, dat kunnen we nog begrijpen, maar wat Jan Schepens en Katja Retsin hier ter zake doen, is al minder duidelijk, om van Showbizz Bart nog maar te zwijgen.

Enfin, nadat Lisbeth Imbo de film met die uiterst aangename radiostem van haar inleidt maar daarbij weinig subtiel aan promotie doet – ‘Ik hoop dat de dames waterproof mascara hebben, want er zal stevig wat afgehuild worden’ – krijg ik voor een tweede keer The Broken Circle Breakdown te zien, en het doet me plezier dat de film bij zo’n tweede visie niets aan kracht inboet, integendeel: bij de begrafenis van Maybelle voelde ik, heel in de verte, een traan achter mijn oogbol opdoemen. ‘Gelukkig heb ik geen mascara – waterproof of niet – op’, schiet me even door het hoofd.

Twee uur en drie tranen later volgt er een korte, maar vree plezante bedankingsspeech van Johan Heldenbergh, waarin hij vraagt dat iedereen op de receptie ‘Gelukkige verjaardag’ zingt ter ere van Joke Devyncks veertigste verjaardag. Het is een moment dat ik niet meer zal meemaken: hoewel de cava van een bijzonder te appreciëren kwaliteit is, lijkt het mij niet de moeite daar lang te blijven rondhangen. Een beslissing die mij, ondanks het vriendelijke aanbod van een medejurylid om op haar kot te blijven crashen, deels door de NMBS is ingegeven (de laatste trein, het is en blijft altijd een bron van stress), maar deels ook door de weinig aangename atmosfeer die ter plekke hangt. Er is veel te volk om gezellig te zijn, laat staan om iemand als Anemone Valcke te kunnen aanspreken, en er zijn cameramensen die je vriendelijk maar toch vooral aandringend vragen om een stapje achteruit te zetten, zodat ik hun interview met Lien van de Kelder niet stoor.

Blij dat ik het daar snel voor bekeken heb gehouden, kom ik terug in Antwerpen aan: ik adem even de lucht van mijn thuisstad in, want ik zal vanaf morgen drie dagen ononderbroken in Gent doorbrengen. Mijn VIP-bandje knip ik af, en ik bedenk dat zo’n openingsavond in Gent niet zo veel meer is dan een geforceerd glamoureus circus waar ik niet thuishoor, tot ik op enola lees hoe Jordi in een paparazzofestijn in New York als begeleider voor Nicole Kidman fungeert.. Toch eens werk maken van die babbel met Anemone Valcke, dan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in