Looper

“Time travel doesn’t make sense. You don’t even have to try. You just got to pretend it makes sense for the duration of two hours.” Regisseur Rian Johnsons filosofie over het heerlijk smeuïge subgenre binnen de sciencefiction resoneert sterk in zijn nieuwste en grootste film, Looper. En hij komt er mee weg – want als je de koning van het tijdreizen, Bruce Willis himself, als kalend, grommend middelpunt van je film hebt, dan mag je toch verdorie zelf wel bepalen welke regels je aan je laars lapt, motherfucker. Na de bijzonder aangename en eigengereide wereldjes van Brick en The Brothers Bloom – voor de laatste had ondergetekende een zodanig zwak dat hij eigenhandig de Nederlandse box office heeft geprobeerd op te schroeven – keert Johnson nu terug in de voetsporen van Ray Bradbury, Terry Gilliams onvergetelijke 12 Monkeys, om een soort oncynische, oprechte scifi te produceren die het genre al een tijd niet meer heeft voortgebracht.

De eindeloos charismatische Joseph Gordon-Levitt neemt opnieuw een centrale rol in Johnsons universum in als Joe, een drugsverslaafde huurling die in het Kansas City van 2044 verantwoordelijk is voor het afhandelen van de dirty business van mysterieuze misdaadkoningen uit een zelfs verder gelegen toekomst. In 2044 is tijdreizen namelijk nog niet uitgevonden, maar zo’n dertig jaar later, wanneer de samenleving blijkbaar tot op de kleinste details onder beveiligingscamera’s staat, is het concept wel degelijk een realiteit geworden. Maffiosi hebben in de jaren 2070 dan ook een perfecte manier gevonden om van vijanden af te komen: ze sturen hun slachtoffers naar het verleden en daar laten ze hen de kop van de romp blazen door zogeheten loopers. Tot op een dag een nieuw soort godfather opstaat, die de toekomstige versies van de loopers naar 2044 terugstuurt om door zichzelf afgemaakt te worden. En dat blijkt het geval voor good ol’ Joe, wiens toekomstige zelf, niemand minder dan Bruce Willis, daar bepaald geen zin in heeft.

Op papier is die situatie een hopeloze chaos, maar Johnson hanteert een soort nonchalance waardoor dit alles opvallend snel vanzelfsprekend aanvoelt. Daarbij geeft hij zijn kijkers, geheel in lijn met zijn filosofie, nauwelijks de tijd om de wetten van dit universum in twijfel te trekken. Vanaf de bedrieglijk simpele openingsscène en een vroege montagesequentie worden we geacht simpelweg te accepteren dat dit er in 2044 zo aan toe zal gaan. (In Kansas City, dan, waar niemand minder dan Jeff Daniels de scepter zwaait – “in any other city, that would’ve been impressive”, merkt Joe schamper op.) Bovendien is de film opvallend hard en genadeloos, en lijkt de wetteloosheid van deze samenleving (midden op de dag krijgt een tasjesdief een schot hagel door zijn hart) niet eens zo heel ver verwijderd van een cultuur waarin je niet eens meer je kinderen naar een Batmanfilm mee kunt nemen zonder voor hun leven te hoeven vrezen.

Halverwege gaat Johnson nog een flinke stap verder in de richting van het Bradbury-type sciencefiction, en geeft hij de film plots een flinke emotionele oomph in de introductie van een alleenstaande jonge moeder (een verrassend sterke Emily Blunt) en haar mysterieuze zoontje (een onvergetelijke performance van debutant Pierce Gagnon). Johnson zelf gaf aan dat “every great science-fiction story eventually comes down to something very human, something very emotional”, en dat is precies waar hij zelf in slaagt. Waar de tweede akte van de film nog net iets te vaak verzandt in klungelige montagekeuzes en omslachtige verhaalgrepen, komt alles naadloos samen in een laatste half uur dat je uiteindelijk van je sokken blaast.

Het is die ijzersterke emotionele kapstok die van Looper zo’n geslaagde ervaring maakt. Daar voegt Johnson – samen met zijn componerende neef Nathan, die voor een uitstekende eclectische soundtrack heeft gezorgd, en de grauwe cameravoering van Steve Yedlin – ook hier weer een overvloed aan perfect gekozen details aan toe. De grove, luidruchtige wapens die worden gehanteerd, de auto’s die zich toch niet zo ver hebben ontwikkeld als gehoopt, de voorspellingen over de Chinese markt (in Jeff Daniels’ woorden, “I’m from the future! Go the fuck to China!”) – alles ligt subtiel in het verlengde van de huidige status van de wereld. Met name een dominerend gevoel van teleurstelling in de samenleving van 2044 doet bijzonder veel belletjes rinkelen in een tijd van economische crises, falend leiderschap en immer groeiende frustraties.

In het hart van al dit fascinerende gedachtegoed staat een opmerkelijke en atypische prestatie van Gordon-Levitt. De hardheid van het personage en het trage, moeizame hervinden van zijn hart en geweten verlenen een bijzonder gespannen en altijd onvoorspelbare boog aan het verhaal. Het blijft lastig, maar nooit minder dan fascinerend, om uit te zoeken wat er precies in deze van het rechte pad gewaaide ijzervreter omgaat – zeker wanneer hij geconfronteerd wordt met zijn toekomstige zelf. De scènes tussen Gordon-Levitt en Willis zijn om van te smullen, en benadrukken eens te meer wat voor een kameleon Gordon-Levitt kan zijn – hij heeft de mimiek en gedragingen van Willis perfect onder de knie zonder ooit te vervallen in een parodie. Willis, op zijn beurt, toont een intrigerend emotioneel bereik in een rol die hem zowel zachter als harder dan ooit maakt.

Aan het eind van een zomer waarin feitelijk iedere blockbuster stiekem best tegenviel (ja, Hollywood, ik heb het tegen jou en je stripboekenfanatisme!) is Looper een verademing – en eentje die, aldus regisseur Johnson, ook niet in het vagevuur van de eindeloze sequels zal belanden. Looper is een volledige film, een complete ervaring met een onverwachte beuk in de maag en stomp in het hart, in plaats van een sardonische knipoog en een “oh-kijk-ons-toch-eens-slim-zijn”-mentaliteit. Looper blijft hangen, op de juiste manier, op de juiste plek.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in