Amsterdam Ave. – enola doet het New York Film Festival

5/10: De blauwe ogen van een Scandinavische legende

Op een opmerkelijk warme avond – de luchtvochtigheid hier blijft zomerse vormen houden tot eind oktober op zijn vroegst – loop ik van de metrohalte op Morgan Avenue naar mijn flatje in Brooklyn. Ik heb mijn stropdas wat losjes om en mijn colbert in de hand, en met het ritmische klikken van mijn schoenen op het vochtige asfalt dwalen mijn gedachten af naar die bijzondere ontmoeting van vanavond. Vanuit het niets staat er plots een groot fel licht op mij gericht en hoor ik mensen wat technische filmtermen roepen. Ik loop langs een groepje hipsters dat van een lange tafel biologische bagels en mueslirepen aan het snoepen is. Eén van hen draait zich naar me om en roept, “Hey man! You got some smalls? Smalls? No?!” Hij lacht en gaat weer verder met waar hij mij bezig was. Terwijl ik licht verbaasd doorloop, realiseer ik me dat de gekke hipster James Franco is.

Maar het interesseert me weinig. Hij is per slot van rekening niet de eerste neurotische vertegenwoordiger van de New Yorkse hipster movie scene die ik vandaag tegen het (zo nadrukkelijk retro-geklede) lijf loop. Eerder vandaag was ik hard onderweg van één van de filmtheaters van het filmfestival naar het andere, waarbij ik een schone blonde deerne zag worstelen met de ingang van het theater. (U moet weten, bij het Elinor Bunin Munroe Film Center op West 65th Street zijn alle vier de ingangsdeuren volledig van glas, zonder verdere tekst of uitleg. Erg ingewikkeld voor veel gehaaste Amerikanen.) De damsel in distress bleek de hoofdrolspeelster van Whit Stillmans Damsel in Distress, en van zo’n beetje elke recente “hippe” film uit de New Yorkse indiefilmindustrie: Greta Gerwig. Ze lachte verontschuldigend en mompelde iets in de trant van “I’m so clumsy”, en ik lachte beleefd terug. Ze had mooie hertachtige ogen en een fraai golvend kapsel.

Verder ging het me daar ook niet om. Ik was namelijk onderweg naar het Walter Reade Theater waar ik zou werken voor een receptie naar aanleiding van de premiere van de documentaire Liv and Ingmar, over wijlen filmlegende Ingmar Bergman en zijn eeuwige muze Liv Ullmann. Het mooiste van al: Liv Ullmann zelf zou ook komen. En hoewel ik niet snel starstruck ben, kon ik de kans niet laten glippen om zo’n fabuleuze filmlegende in persoon te ontmoeten.

Ik zag haar al staan toen ik aankwam, zichtbaar nerveus wachtend om de film in te gaan waar zij na het slotapplaus in gesprek zou gaan met de regisseur van de film, festivaldirecteur Richard Pena, en het publiek. In haar mooie paarse mantelpak en met haar magisch golvende haar leek ze in geen enkel opzicht op een 74-jarige actrice die al een tijd over haar immense hoogtepunt heen is. Zo blakend gezond en stralend zoals alleen de Scandinaviërs met hun zuivere lucht en glanzende fjorden dat kunnen! (Ik zeg fjorden omdat mevrouw Ullmann van oorsprong een Noorse is, en niet een Zweedse. En ze is geboren in Tokio. Dat u het even weet.)

Ik deed mijn werk en zette in de tussentijd met mijn collega’s de hapjes en drankjes voor de receptie klaar, en na afloop kwam de zoals gewoonlijk chique geklede Upper West Side crowd joviaal de bioscoopzaal uitgelopen in dire need of a drink, zoals ze hier zo fijn zeggen. En toen ook mevrouw Ullmann, of “Liv” zoals ze genoemd wilde noemen maar wat bijna niemand durfde te zeggen. Een New Yorkse journalist was een heel verhaal naar mij aan het ophangen over hoe de documentaire veel te sentimenteel en stroperig is voor zijn Scandinavische subject, maar ik hoorde hem nauwelijks meer.

Ik was namelijk verliefd geworden op de ogen van Liv Ullmann. Ik realiseerde me plots dat ik haar alleen maar in zwart-wit had gekend, en dat ik nooit had durven bedenken dat haar ogen zo blauw en onbewolkt als een eindeloze zomermiddag zouden zijn.

En precies dat was wat ik tegen haar zei. Ik straalde van oor tot oor toen ze vertederd mijn hand vastpakte en, haast als een meisje van 24, antwoordde: “And that from a young man. It means so much to me. It really does.” Ze lachte, pakte mijn arm vast, en we poseerden samen voor de step-and-repeat van het filmfestival. Tijdens één van de foto’s rustte ze plots ’s zachtjes haar hoofd op mijn schouder. Ik was plots zo dicht bij een legende, zo dicht bij Liv, zo dicht bij Ingmar Bergman en de tijd van mijn favoriete filmregisseurs in Europa en over de hele wereld, dat ik even dacht dat ik één van hen geworden was.
Tot ik afscheid moest nemen van “Liv”, en zij met haar entourage naar restaurant Boulud’s op Broadway vertrok. Maar de herinneringen en dat magische moment dat mijn heden en het verleden waar ik zou van houd samenkwamen, dat neemt niemand mij meer af. Zelfs James Franco niet.

Oudere posts

3/10: De mooiste filmervaring van het jaar


Het is zondagochtend vroeg, en voor de deur van Alice Tully Hall, een gigantisch theater op het terrein van Lincoln Center dat plaats heeft voor zo’n twaalfhonderd man, staat een lange rij goedgeklede mensen van alle leeftijden. Om de een of andere reden is het New York Film Festival elk jaar weer een uitgelezen gelegenheid voor filmliefhebbers om hun beste jasjes en dasjes uit de mottenballen te halen. Er zit een chique randje aan het festival en dat geeft het zijn unieke charme. Zeker op deze speciale zondagochtend, die al snel een portaal naar days long gone blijkt te zijn. Vandaag loop ik nietsvermoedend 1962 in.

Hoe enthousiast ik ook ben over de main slate van het festival, over alle nieuwe films van bekende en onbekende filmmakers die hier hun Amerikaanse of wereldwijde première beleven, mijn hart gaat het snelst kloppen van een zijprogramma “Masterworks”. Diverse recent gerestaureerde (cult)klassiekers en ondergewaardeerde oude films worden hier opnieuw op het witte doek vertoond, voor de nostalgie van de oude garde, en voor een herintroductie aan de jonge generaties. Het publiek wordt getrakteerd op een brede interpretatie van de term “masterwork”, variërend van Fellini’s Satyricon via Michael Cimino’s Heaven’s Gate tot aan Rob Reiners The Princess Bride (met een reünie van de hele cast, gezellig!).

Maar deze zondagochtend draait alles om het meesterwerk dat ik al acht jaar lang wil zien, maar nooit op een scherm kleiner dan overweldigend. Ik wist van tevoren al dat dit een film zou zijn die ik zou kunnen waarderen, een film die je alleen op het grote scherm moet zien, een film die me van mijn sokken zou blazen en misschien zelfs hoog, héél hoog op mijn toplijstjes zou kunnen belanden. Met een fantastische cast, een onvergetelijke soundtrack, shots die je omarmen en volledig laten verdrinken in de filmwereld.
Ik wist dit alles al voor ik de film had gezien. Ik had nooit durven denken dat het nog veel beter zou uitpakken.

Daarbovenop kwam namelijk nog eens dat de film, vanwege zijn vijftigjarig jubileum dit jaar, door bijzonder getalenteerde filmreparateurs (hoe noem je dat eigenlijk en néerlandais?) onder handen was genomen. Het originele negatief, dat bijna volledig aan het verteren en vegeteren was, werd frame voor frame onder de loep genomen, opnieuw in elkaar gezet, opgepoetst en gedigitaliseerd. Ik was bang dat het eindresultaat veel te “HD” zou zijn – u kent het allemaal van de pijnlijke scherpte waarmee filmsterren op uw beeldbuis thuis nu ineens door de mand vallen als echte mensen met poriën – maar natuurlijk hoefde ik nergens voor te vrezen. Na hun introductiepraatje namen de coördinatoren van het reparatieproces, Bob Harris (jep, zoals Bill Murrays personage in Lost in Translation) en Grover Crisp, plaats naast mij halverwege rij M, en knikten ze me geruststellend toe.

Al snel bleken ze gelijk te hebben. Door deze nieuwe 8k-opknapbeurt (waarbij de “8k” voor “wat-allejezus-mooi” staat) voelde het alsof ik één van de gelukkigen was die de originele première in New York op 16 december 1962 mocht bijwonen. Terwijl de zaallichten nog half-gedimd aan zijn, begint de weergaloze orkestmuziek van Maurice Jarre al door de enorme zaal te galmen voor de ouverture. En dan dooft het licht, en houdt het volledige publiek haar adem in, in afwachting van het allereerste shot.

Zonder krassen, zonder scheuren, zonder stofjes of hairs in the gate wordt op het witte doek een kristalhelder overhead shot geprojecteerd van een man die naar zijn motor loopt. Het orkest zwelt aan, en de titel verschijnt op het doek. De komende vier uur – muzikale entr’acte en exit music inbegrepen – worden regelrecht genieten, door de briljante acteurs, de knetterende dialogen, de scherpzinnige montage, de geweldig intrigerende verhaallijn en personages, en een staaltje regie dat tot op de dag van vandaag zijn weerga niet kent. En dan die eindeloze panorama’s van de Arabische woestijn…

U heeft het inmiddels al begrepen.

Lawrence of Arabia.

1/10: Waar zijn alle films gebleven?

Met de helse, eindeloze metrorit van de vorige nacht nog in mijn benen trek ik vroeg in de ochtend weer naar Lincoln Center. Vandaag sta ik op de vloer als theatermedewerker voor een van de belangrijke sidebar programs van het festival: Convergence, een weekend vol conferenties en screenings omtrent “transmedia”, “crossmedia”, “hypermedia”, en nog zo’n hele rits hippe woorden die met elkaar gemeen hebben dat het grote publiek ze niet kent.

Het is een ietwat merkwaardig begin van een gigantisch festival dat zich toch echt vooral richt op dat “oude” medium. Het NYFF is nooit zo experimenteel geweest als, zeg maar, Rotterdam, Berlijn of Toronto, maar binnen de Noord-Amerikaanse markt strijkt het festival wel gemakkelijk de prijs voor meest eigenzinnige selectie op. Zo wordt het festival al sinds jaar en dag bij liefhebbers geroemd vanwege zijn Views from the Avant-Garde-programma, een overweldigend weekend van louter experimentele, gekmakende en psychedelische filmspielerei.

Met het Convergence-programma blijkt programmeur Matt Bolish, de opgewekte jonge hond die zijn geekiness nooit onder stoelen of banken heeft gestoken, een klein gat in de markt te hebben gevonden. Samen met Eugene Hernandez, de oprichter van de invloedrijke Amerikaanse mediablog Indiewire, is er een kleine waterval aan mini-conferenties in gang gezet die de hele dag door volle zalen weet te trekken. Voorlopig hoogtepunt is de conferentie over het onder tieners extreem populaire computerspel Minecraft. Het verzamelde legioen pubers stak mij haast de ogen uit met hun zelfgemaakte fantasiewapens toen ik per ongeluk het verkeerde computerspel aankondigde.

Terwijl een menigte jonge en oude “transmedianten” de theaters en conferentie in en uit banjert en alles luidruchtig becommentarieert, begint er toch iets aan mij te knagen. Waarom heb ik de hele dag het woord film nou niet gehoord? Alles gaat over “platformen”, “prod-users”, “een hipsterremake van Jurassic Park op iPhones”, “writing transmedia” – wat dat ook maar in godesnaam allemaal mag betekenen. Als ik dan om half zes eindelijk weer mag uitklokken, na een lange maar opmerkelijk gezellige dag, besluit ik om mezelf toch nog even een kleine filminjectie te geven.

Met een charmante glimlach en een “Hey, how are you doing?!” weet ik mijzelf naar binnen te smokkelen bij Cesare Deve Morire, of Caesar Must Die, het nieuwe kleinood van twee Italiaanse filmdinosaurussen, de gebroeders Taviani (bekend geworden met <i, en het magnifieke Kaos). Met een film die slechts zesenzeventig minuten duurt, wisten de vitale broers (beiden diep in de tachtig) dit jaar de Gouden Beer op het Filmfestival van Berlijn in de wacht te slepen.

En het is een bijzonder stukje cinema: voor <i trokken de Taviani’s naar de zwaarbewaakte gevangenis van Rebibbia, een buitenwijk van Rome, en brachten zij Shakespeare’s Julius Caesar op de planken – met een cast van gevangenen, waarvan sommigen de gevangenismuren hun leven lang niet meer zullen verlaten. De film volgt op bijzonder simpele wijze, in prachtig zwart-wit, de repetities en het speelproces, en ensceneert diverse scènes van het luisterrijke stuk binnen de gevangenismuren, waarin de realiteit en de wereld van het stuk steeds meer in elkaar overlopen. Er komt een ongewoon krachtige energie vrij door leden van de Romeinse maffia, de Napolitaanse Gomorrah en andere criminele bendes hun hart en ziel in de klassiek-Romeinse rollen te zien storten. Wie zijn deze mannen, waar komen zij vandaan, waar is het ooit fout gegaan en waar kunnen zij nu nog heen?

Wellicht haal je uit een uur en een kwartier van Cesare Deve Morire net zo veel als uit de trailer van de film, zoals een klasgenoot van mij cynisch verwoordde. Maar toch – er gaat een bijzonder sympathieke warmte uit van de aandacht en passie die de oude Italiaanse fratelli in hun kleine relaas hebben gelegd. Tijdens het vraaggesprek met journalist Todd McCarthy raakte Vittorio Taviani, de (letterlijk en figuurlijk) goedgemutste broer met de raspende stem en de getinte brillenglazen, verwikkeld in een emotioneel betoog over de gedetineerden in de film. “Zij zijn niet in een wereld op zichzelf. Zij zijn uiteindelijk mensen zoals jij en ik. Ik keur niet goed wat zij gedaan hebben, maar hoe zij leven is hels. Na het maken van deze film beseften wij ons ineens dat, omdat we allemaal mensen zijn, we ergens ook allemaal medeverantwoordelijk zijn.”

Ambigue, doordachte en provocerende woorden die in de zaal op een beleefd maar verdwaasd applaus konden rekenen. Mij raakten ze op een bijzonder positieve manier. Na het enge reli-geneuzel van Ang Lee’s film gisteravond is dit complex gedachtegoed waar ik wel wat mee kan. Terwijl mensen een dikke rumoerige rij vormen om Brian DePalma’s Passion te gaan zien – een remake van Alain Corneau’s geslaagde Crime d’Amour van een paar jaar geleden, die ik nu eventjes oversla – en presidentiële limousines de dames Rachel McAdams en Noomi Rapace via de achterdeur aflevert, wandel ik richting de supermarkt. Want naast film en transmediaal gedoe moeten er ook gewoon weer boodschappen gedaan worden.

30/09: Religieuze tijgers en dronken kolonisten: de openingsavond

Met een gebruikelijk levensbedreigende snelheid schiet mijn taxi langs Central Park. Zoals het een inmiddels ingeburgerde New Yorker betaamt, ben ik aan de late kant voor de première van Ang Lee’s Life of Pi, de openingsfilm van het filmfestival dit jaar. Ik onderschat de rijkunsten van mijn Oost-Europese taxichauffeur, onder het genot van wat Poolse rapmuziek, echter behoorlijk – en een minuut voor de film begint word ik keurig afgeleverd op de stoep van het filmtheater. Langs mijn collega’s haast ik mij naar binnen en plof ik neer in een door een vriend vrijgehouden stoel. Ik strijk mijn colbert glad en leun achterover (dat kan immers in de reclining chairs die de Amerikaanse standaard in bioscopen zijn), terwijl Richard Peña – de festivaldirecteur met het onsterfelijke vlinderdasje – de filmmaker introduceert.

Onder daverend applaus komt de schuchtere en bijzonder aimabele Ang Lee het podium opgelopen. Hij uit zijn dankbaarheid dat we hier allemaal zijn samengekomen om een film te zien die voor hem persoonlijk heel belangrijk is, een verhaal “dat iets spiritueel diepgravends bestudeert waar in onze huidige maatschappij enz…”. Zijn innemende persoonlijkheid weet mijn initiële scepsis – dit wordt toch geen prekerig reli-festijn? – tijdelijk even weg te nemen. Vooral als hij besluit: “Everybody in the business knows that you should never make a movie that includes children, animals, water, and 3D… I guess that’s exactly what I just did.” Grinnikend loopt Lee het podium af en zetten we allemaal slaafs onze 3D-brilletjes op. (Note to self: dit ding paste zowaar over mijn bril heen. Wat een genot.)

Na een bijzonder zweverige opening met zoetsappige muziek en een zooi flamingo’s glijdt de film wat ongemakkelijk in een veel amusantere vorm. Gebaseerd op het blijkbaar razend populaire boek van Yann Martel (ik heb klaarblijkelijk onder een grote steen geleefd) vertelt Life of Pi over het leven van een Indiase jongen die bij een schipbreuk zijn hele familie verliest en op een reddingsboot overblijft met een Bengaalse tijger. Hoewel dat niet helemaal juist is: in het begin zijn er ook een zebra, hyena en gorilla, maar je weet hoe dat gaat met een Bengaalse tijger aan boord. In een vloedgolf van overdadige maar niet eens zo verkeerde speciale effecten en computergegenereerde plaatjes probeert de jongen met alle macht vast te houden aan het leven, daarbij meer dan eens verwijzend naar een soort hogere Godheid. Entiteit. Idee. Of zoiets.

Hoezeer iedereen om mij heen ook benadrukt dat het vooral om het “idee” van het “geloven” in iets “hogers” ging, vind ik het toch erg moeilijk om de film niet te lezen als een wervingsspotje (van honderden miljoenen dollars, dat dan weer wel) voor de katholieken, moslims en hindoes tegelijkertijd. Zo veel momenten in de film gaan zó letterlijk over het aanhangen van een geloof dat ik er onrustig en ongemakkelijk van word. En dan de climactische scène! Als dat geen Jehova-achtige bekeerdrang is, then I don’t know what is.

Nadat ik mijn muffige 3D-brilletje na afloop in een grote recyclagebak heb geworpen, bevind ik mij niet veel later in het chique gezelschap van de New Yorkse Harvard Club op 44th Street. Omringd door mensen met weinig talenten, maar goede connecties, en door een intimiderende zooi opgezette dieren (de figuranten uit Life of Pi, nam ik voor de gelegenheid maar aan) werk ik samen met wat collega’s schaamteloos een reeks bijzonder lekkere hapjes weg. Halverwege het minivruchtentaartje dat ik als dessert gekozen heb, loop ik festivaldirecteur Richard Peña (nog altijd inclusief olijk vlinderdasje) tegen het lijf. “So what did you think of the movie?” zegt hij hartelijk. Naar goede gewoonte raken Richard en ik verwikkeld in een lang gesprek over het erg tweeslachtige karakter van Ang Lee’s film, over het overweldigende oceaanspektakel enerzijds en het moralistische religiegedoe anderzijds. Ik slaak een zucht van opluchting als ook Richard toegeeft die laatste scène regelrecht wanstaltig te vinden. “But then again, Ang didn’t ask for my opinion. Ah well. See you tomorrow!”

Terwijl de immer goedgeluimde festivaldirecteur weer terug naar het tafeltje met zijn vrouw en Ang Lee hobbelt, sla ik het laatste restje rode wijn weg en snel ik via een geheim trappenhuis naar Fifth Avenue. Door de ijle herfstlucht van deze koele septembernacht struin ik, paraplu in hand als een ware dandy, langs een verlaten Bryant Park naar Grand Central Station. Ik kijk op en zie de glimmende top van het Chrysler Building, gehuld in nevel, fier over Midtown uitkijken. Wat een stad. Wat een leven. Nu maar weer die eindeloze nachtmerrie-achtige metrorit terug naar mijn huisje in Brooklyn, en morgenochtend vroeg weer blij de hysterie van het filmfestival in. Good night!

28/09 Amsterdam Ave: introductie

Rond West 65th Street in New York komen twee grote avenues met veel herrie samen. Hier, op de kruising van Broadway en Amsterdam Avenue, bevindt zich de prestigieuze Film Society of Lincoln Center, het epicentrum van cinefielen aan de Amerikaanse oostkust.

Van 28 september tot en met 14 oktober zal deze uit kunstenaars en geldwolven opgetrokken buurt het podium vormen voor het jaarlijkse New York Film Festival. Het festival, dat back in the days verantwoordelijk is geweest voor de wereldwijde faam van filmmakers als Pedro Almodóvar, Lars von Trier, Hou Hsiao-hsien en Jim Jarmusch, viert dit jaar zijn vijftigste verjaardag en pakt uit met een stortvloed aan oude, nieuwe, onbekende en wereldberoemde meesterwerken. Van Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen tot de nieuwe Haneke, van experimentalist Ben Rivers tot Ang Lee’s nieuwe 3D-epos Life of Pi, en dan ook nog eens La Kidman (Nicole voor intimi) op de rode loper… Dat wordt allemaal wel wat.

Tweeëneenhalf jaar geleden ben ik in het diepe gesprongen en vanuit het Nederlandse Haarlem naar het Amerikaanse Harlem verhuisd om filmregie te studeren. In die tijd ben ik steeds beter wegwijs geraakt in de New Yorkse wereld van boozing and schmoozing en nu ben ik vaste gast op de filmfestivals hier. En de feestjes, natuurlijk. En intussen doe ik er alles aan om mezelf te blijven, niet zo’n smerige bloedzuiger te worden als het gros van de hijgerige wannabe’s dat hier rondbazuint, en gewoon lekker casual een cocktail te drinken op het dak van het Empire Hotel met Michael Fassbender. (True story. Maar eentje zonder vervolg, helaas. Zo gaan die dingen.) Tussendoor werk ik voor de Film Society of Lincoln Center en geef ik les in internationale cinema aan Columbia University. Deze winter ga ik mijn afstudeerfilm (Southwest wordt de titel) draaien in Turkije met een internationale cast en crew. (Het leven is fijn.)

De komende twee weken zal ik vanaf de rode lopers en de donkerblauwe bioscoopstoelen verslag doen van de vijftigste editie van het New York Film Festival. Naast recensies van het hele resem spannende en onverwachte films dat ik daar te zien zal krijgen, zal ik proberen filmmakers en andere high and mighty van de New Yorkse film scene te spreken te krijgen. En misschien maak ik ook nog wat kiekjes. Mocht dat allemaal niet lukken, dan wordt dit het zielige relaas van de kleine Nederlander die, omringd door alle internationale filmsterren, er uiteindelijk toch niet écht bijhoorde. Hoe het ook zal lopen, dramatisch wordt het in ieder geval wel.

En dat alles, vers van de pers, bij Enola, dat aangenaam cinefiele stukje van Vlaanderen waar de Hollanders nog wat van kunnen leren. (There, I said it.) De komende weken brengen we Broadway in al haar glorie naar België! Om op te warmen, krijg je vandaag alvast besprekingen van het Braziliaanse kleinood Neighbouring Sounds, Rian Johnsons scifi-thriller Looper en – jawel! – Paul Thomas Andersons nieuwste, The Master. Because that’s how we roll! Stay tuned…

Lees de recensie van Looper!
Lees de recensie van The Master!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in