ICP Orchestra :: 1 september 2012, Bimhuis (Amsterdam)

Is een concert van dit vrijbuitersorkest meemaken al een belevenis op zich, dan kregen de twee bruisende avonden waarmee het concertseizoen van het Bimhuis voor geopend verklaard werd nog een paar extra betekenislagen toegediend, de ene reden tot feesten, de andere net niet. Uiteindelijk bewees dit instituut van de geïmproviseerde muziek echter dat er voorlopig nog geen slijt zit op de formule.

Onlangs werd niet alleen beslist om ter gelegenheid van het 45-jarige bestaan van ICP een monsterbox (52 cd’s en 2 dvd’s!) uit te brengen met de volledige catalogus (met naast de albums van het orkest ook nog een hele resem platen van kleinere bezettingen met de voornaamste hoofdrolspelers en gasten als Peter Brötzmann, Enrico Rava, George Lewis en Ernst Reijseger), maar drummer Han Bennink, die zelf ook een grote hap van het herkenbare grafische werk voor z’n rekening nam, kreeg ook de eer de muren van het concerthuis te mogen vullen met tekeningen, collages, sculpturen en ander excentriek, naar surrealisme en dadaïsme neigend werk (zie afb.).

In de namiddag van 1 september werd echter ook bekendgemaakt dat de Zuid-Afrikaanse rietblazer en fluitspeler Sean Bergin, die sinds de jaren zeventig in Nederland woonde en muzikale partner was van zowat de hele ICP-bende, overleden was. Het zou de pret echter niet drukken: de soms uitbundige muziek van het orkest werd gewoonweg aan hem opgedragen. Het was het meest gepaste eerbetoon denkbaar. Een tweede iets dat ook wel woog op het concert was de fragiele verschijning en gezondheid van oprichter/pianist Misha Mengelberg (°1935).

Diens rol is de voorbije jaren al drastisch gekrompen. Hoewel zijn pioniersgeest, humor en composities nog altijd de identiteit van de tienkoppige band bepalen, is zijn actieve bijdrage haast verwaarloosbaar geworden. De pianosolo die hij aan het begin van de eerste set speelde deed even het beste vermoeden (het zat wat stroever dan vroeger, maar dat paste er natuurlijk weer bij), al beperkte hij zich snel tot vooral onopgemerkte aanvullingen, hier en daar een voorzichtig accent toevoegend, de vingers aarzelend glijdend over het ivoor. Maar hij leek zich vooral af te vragen wat hij daar in godsnaam zat te doen. Tijdens de tweede set werd hij vervangen door een sterker meespelende Guus Janssen, wat het concert rijker maakte.

Het orkest speelt nu toch al ruim een decennium in deze bezetting (en was voor de komst van laatste aanwinst Tobias Delius ook al even gespaard gebleven van personeelswissels) en beschikt intussen over een ruime catalogus om op terug te vallen. Die bestaat niet enkel uit werk van Mengelberg en andere leden, maar ook bewerkingen van favorieten Duke Ellington, Thelonious Monk en Herbie Nichols. Wat opviel is dat het luik vrije improvisatie voor dit concert iets meer naar de achtergrond geschoven werd in het voordeel van traditionele swing, die het orkest als geen ander weet uit te voeren.

Zo werd het traag op gang gestreken “No Idea” uitgebouwd tot een kleur- en nuancerijk hoorspel waarbij de strijkers (van violiste Mary Oliver, cellist Tristan Honsinger en bassist Ernst Glerum) samen met de blaasinstrumenten (van rietblazers Ab Baars, Tobias Delius en Michael Moore, trombonist Wolter Wierbos en kornettist Thomas Heberer) samen een eerste swingende stuk op poten zetten. Naar goede ICP-gewoonte werd het gebracht met een hoek af, deze keer in de gedaante van een expressief blatende en jankende tenorsaxsolo van Baars, die het zootje gewoonweg aan flarden blies.

En zo ging het ook verder: Mengelbergs “Kneushoorn” was doordrongen van een aanstekelijke rebellie die verwees naar nachtclubs in Kansas, New Orleans en Chicago, terwijl er hier en daar ook flarden hoempapa in sijpelden en het geheel een tribale schwung kreeg. In “Zombie Zua” werden de drie strijkers uitgespeeld tegen drie klarinetten, terwijl Mengelberg zachte commentaar gaf vanop de zijlijn. Het samenspel bleef daarbij oneffenheden vertonen die niet gladgestreken waren. In handen van mindere muzikanten een teken van onbeholpenheid, hier een onderdeel van het leven van de composities, die het net moeten hebben van die vreemde wendingen, valse stops, excentrieke arrangementen en het aanmoedigende geroep van Bennink.

Die was zoals steeds z’n dominante zelve, hard meppend op die snare drum, zwierend met de stokken, het zootje voortdurend opjuttend. Maar de humor kwam niet enkel van Bennink. In “Rumboon” was er zo nog een geinige uitwisseling tussen de drummer en de pianist, die even leek wakker te schieten en met een kwieke stilte liet voelen nog altijd van de partij te zijn. ICP blijft na al die jaren nog steeds een baken van komieke anarchie.

De tweede set, met Guus Janssen achter de piano, werd door Bennink op gang gestampt met het bevel “Let’s boogie!” en het duurde dan ook niet lang voor de grijnzen terug op het gelaat getoverd werden, met een dronken marcherende versie van een stuk van Charles Ives, waarin een hoofdrol weggelegd was voor een blazerssoep. Opnieuw viel weer op wat een kleppers de band in huis heeft op die rechterflank, met de expressieve klanken van Baars, de al even sappig ronkende sax van Delius en de gestroomlijnde interventies van Michael Moore, de vloeiende solo’s van Heberer en de onwaarschijnlijke trombonegeluiden van Wierbos, die in Ellingtons “East St. Louis Toodle-Oo” en “The Mooche” prachtig stuntwerk uithaalde.

Janssens “Rondo” was nog zo’n hoogtepunt, vol met z’n tempoversnellingen, staccatopassages en zelfs reggaeachtige tinten, die werden afgewisseld met een statig thema dat ronduit majestueus klonk. Een groot contrast met de erop volgende slapstickact van Honsinger, die de band ging dirigeren als een combinatie van Stan Laurel en The Keystone Cops. Het was meteen ook de aanloop naar een finale die vol muzikale en vocale kolder zat, driftig swingend, voortdurend flirtend met de grenzen van de chaos en voorzien van een goedmoedige gekte die zo leek te verwijzen naar de hoogdagen van Slim Gaillard.

En het bleef zot tot in de bisronde, toen Bennink na een stuk waarin Moore een prachtige serenade op altsax liet horen, de hele bende terugriep voor een extra toegift, die hij zelf op gang trok met een typische drumsolo. Zelfs op z’n zeventigste staat er nog geen limiet op de absurde energie van de drummer. Maar ook het volledige tentet, op Mengelberg na dus, stond op scherp. Het was een aanstekelijke en zeer toegankelijke set, die het speelse karakter van de band knap in de kijker zette. Na zo veel jaren en concerten de luisteraars nog steeds zo mooi op het puntje van hun stoel houden, het is weinigen gegeven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in