Jazz Middelheim: Eric Vloeimans & Holland Baroque Society: High Speed Oldtimer + Stefano Bollani & Hamilton de Holanda + Toots Thielemans Quartet 90 Years :: 17 augustus 2012, Park Den Brandt

Op dag 2 dezelfde vaststelling als de dag ervoor: ‘jazz’ is een erg rekbaar begrip geworden, zelfs op een mainstreamfestival als Jazz Middelheim. De tijd van de zwarte hardbopbands lijkt definitief achter ons te liggen. Dit is de tijd van kruisbestuivingen en artiesten die elders inspiratie gaan opdoen, met soms slechts heel vage jazzconnecties. En dan was er natuurlijk ook nog Toots, het feestvarken van dienst, die uitgebreid gefêteerd werd.

De Nederlandse trompettist Eric Vloeimans heeft nooit bekend gestaan als een artiest die krampachtig vasthoudt aan de jazztraditie. Hij is al jaren in de weer met projecten die buiten de jazzgrenzen kleuren en zoekt het vooral bij kamermuziek en aanverwanten. Dat soort ambitie kan soms leiden tot wat fletse bedoeningen die het beste van twee werelden ambiëren en uiteindelijk belanden bij een tussenvorm die vlees noch vis is, maar met het ensemble Holland Baroque Society heeft hij experten ingehuurd in het bruggen slaan tussen de muziek van de zeventiende en achttiende eeuw en het heden.

Aanvankelijk werd daarbij vooral aansluiting gezocht bij barokke kamermuziek, gespeeld met een sacrale ernst die toch verderlicht gehouden werd door de verfijnde arrangementen en het sobere spel van Vloeimans, waar voortdurend een zacht briesje door leek te waaien. Met vijf snaarinstrumenten (twee violen, altviool, cello en contrabas) op het podium kon je al spreken van een rijke bezetting, maar daar kwam dan nog eens een orgel bij en de zang, percussie en bandoneon van de intens gesticulerende Marc Constandse. Het resultaat was rijk en stijlvol, al hadden de muzikanten door de warmte problemen met de stemming van de instrumenten.

Gaandeweg werd aansluiting gezocht bij iets exotischer en recentere muziek, met niet altijd even overtuigende resultaten. Een stuk dat passeerde via Oost-Europese volksmuziek begon puur en melancholisch, om uiteindelijk te belanden bij hoempapa die uit een Kusturica-film had kunnen komen. Daar kreeg je echter af te rekenen met het te verwachten pijnpunt: net zoals jazzmuzikanten vaak niet in staat zijn om écht vanuit de heupen te rocken, zo moet je klassieke muzikanten ook niet vragen om opjuttende volksmuziek te spelen. Die moet energiek en rafelig zijn en vrij zijn van cultuurtempelmanieren. Dat was niet het geval.

Nochtans vielen er voldoende mooie momenten rapen, zoals dat waarop een van de violistes plaats nam op de grond om zichzelf op zang te begeleiden met een voetbas: een moment van ingetogenheid waarbij je een speld kon horen vallen. Al bij al was het dan ook een concert dat overtuigde, niet in het minst door de aanstekelijke humor van de leider, die z’n enthousiasme moeiteloos overdroeg op muzikanten en publiek.

Dat was ook het geval voor Stefano Bollani en Hamilton de Holanda, twee virtuozen die geen ensemble nodig hadden om het geluid vol te timmeren. Als een muzikant de Jimi Hendrix van zijn instrument wordt genoemd, dan betekent dat doorgaans dat er snelheidsrecords gaan sneuvelen. Dat was inderdaad het geval met bandolimspeler de Holanda. De bandolim is een soort mandoline, waarop de man een technisch meesterschap bereikt heeft dat duizelingwekkend is en veel verder gaat dan de volksmuziek waar het vaak voor gebruikt wordt.

Bollani is dan weer een van de meest gelauwerde Italiaanse jazzmuzikanten van zijn generatie, een flamboyante pianist die zich even goed thuis voelt binnen de jazz als de klassieke muziek, maar recent ook in ons land te horen was met een Zappa-project. Hij is ook niet vies van wat show en humor, iets dat door het publiek steevast beloond werd met een muur van applaus. Soms was dat niet meer dan terecht, al werd de performance soms ook gekenmerkt door effectbejag, waarbij steevast gekozen werd tussen ofwel hysterisch vlug samenspelen of lyriek die regelmatig verzandde in stroperigheid.

Als de twee elkaar probeerden te volgen als een stel bijen die rond elkaar tollen, dan was het vaak gewoonweg te veel van het goede, een concert van epateermomenten. Veel knapper ging het er aan toe als het duo gas terugnam, of meer gespeeld werd met contrasten, zoals in “Capricho de Espanha”, waarbij Bollani een tragere en donkere fond verstopte onder de Hamiltons zwieriger geluid. Er passeerde wat van Jobim en andere Braziliaanse songschrijvers en een paar veredelde slaapliederen, Bollani dolde wat met het publiek met een geinige Paolo Conte-parodie en kreeg hen moeiteloos aan het klappen, maar op de een of andere manier voelde je steeds de festivalmodus. Knap, maar op routine. De weg van de minste weerstand.

Toots Thielemans werd dit jaar negentig en dat werd al uitgebreid gevierd. Natuurlijk stond het concert van de festivalpeter dit jaar dan ook in het teken van zijn verjaardag. Een massaal opgekomen publiek werd voor het concert nog getrakteerd op een filmpje dat een verzameling van studio-impressies en boodschappen van collega-muzikanten bevatte. Het was een schone geste en zette de meteen de toon voor het naar goede gewoonte tedere concert van de Belgische jazzreus. Hij zag er opnieuw opmerkelijk breekbaarder uit dan vorig jaar en z’n spel is duidelijk ook niet meer wat het ooit was, al had dat meer te maken met de geest dan met technisch vermogen.

Hij kan immers nog altijd gracieus spelen, wat hij liet horen in een sterk eerste kwartier. Zonder verpinken baande hij zich een weg door een paar composities die z’n kenmerkende stijl – zacht melancholisch, licht, ongecompliceerd en soms vals simpel – mooi benadrukten. Daarvoor werd hij dan ook ondersteund door een band die naar goede gewoonte volledig ten dienste stond van de meester, met pianist Karel Boehlee, bassist Bard De Nolf en drummer Hans Van Oosterhout. Uitdagingen en prikkels moet je niet verwachten van die kerels, want ze spelen vooral functioneel en letten er op dat alles goed verloopt.

Toots speelde wat stiller en met minder kracht dan vroeger, maar de mijmerende melodieën komen er nog steeds uit en de improvisaties zaten vaak erg knap in elkaar. Gerhswins “Summertime” en Paul Simons “I Do It For Your Love” waren brokjes sentimentele muziek die geen mens onberoerd lieten. Maar net zoals hij het eerder had over George Simon, zo liep het niet altijd even goed in de nummers en kwam er al eens eentje wat rommelig aan z’n einde. De man leek zich echter goed in z’n sas te voelen en de gewijde stilte tijdens het concert reikte ook deze keer tot ver buiten de tent.

Er vielen een paar minder gekende songs te horen (“The Dragon”, “Sno’ Peas”), die wel op z’n laatste cd stonden, maar al snel werd aangekomen bij het traditionele rijtje Toots-klassiekers in de eindspurt die elke fan intussen uit het hoofd kan opzeggen, met o.m. “For My Lady” en een collectief meegefloten “Bluesette”, opnieuw goed voor een overdonderend applaus, en “What A Wonderful World”. Afsluiten gebeurde uiteindelijk met een prima versie van “Mack The Knife”. Kortom: zonder de lelijke synths en de wat makke percussie van Airto Moreira zat het een pak beter dan in 2011, al droeg de verwondering over het feit dat hij er überhaupt nog bij kan zijn extra bij tot de warme ontvangst.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in