Arnon Grunberg :: De man zonder ziekte

Hoeveel maal kan je eenzelfde boek schrijven? Wanneer verwordt je stijl van typerend en herkenbaar naar onderling inwisselbaar en voorspelbaar? Auteurs als Amélie Nothomb en Arnon Grunberg die in de eerste plaats aandacht besteden aan buitenissige personages balanceren meer dan anderen op een slappe koord waarbij de “gimmick” steevast om de hoek loert.

Is het bij Nothomb even vaak raak als mis dan wist Grunberg, die zonder twijfel een ontiegelijk veel beter schrijver is, veel langer een bijna vlekkeloos parcours te rijden. Met het in 2009 verschenen Onze oom leek Grunberg voor het eerst de pedalen kwijt. De van de wereld vervreemde maar op alle vlakken functionerende personages kregen geen noemenswaardige diepgang mee, terwijl de maatschappijkritische reflectie op revoluties (het verhaal speelt zich af in Zuid-Amerika) nooit echt relevant werd. Een jaar later volgde het op alle vlakken sterkere Huid en haar dat pas naar het einde toe begon te slabakken en een laatste ontsporing/plottwist incorporeerde die niets aan het verhaal toevoegde.

Grunbergs laatste worp De man zonder ziekte schuift opnieuw een typisch Grunbergs individu naar voren die zich vooral voortgedreven weet door verwachtingen van anderen en uiterlijke richtlijnen veeleer dan door innerlijke noodzaken. Ditmaal staat de Zwitsers-Indische architect Sam(arendra) Ambani centraal, als beloftevol architect gelooft hij in de heilzame kracht van architectuur, terwijl hij zijn identiteit grotendeels ontleent aan het feit dat hij nooit ziek is in tegenstelling tot zijn zwaar gehandicapte zus. Voor zichzelf besluit deze man zonder eigenschappen (het is moeilijk te geloven dat de titel geen knipoog is naar dit werk van Robert Musil) dat hij de man zonder ziekte is en dat het zijn taak is de wereld vorm te geven.

Wanneer Sam een ontwerpwedstrijd wint en de mogelijkheid krijgt een operagebouw te ontwerpen in Bagdad, grijpt hij de kans met beide handen aan. Eens aangekomen lijkt echter niets volgens plan te verlopen. Een stel schimmige figuren neemt hem mee naar een afgelegen huis met de belofte dat hij zijn opdrachtgever Hamid Shakar Mahmoud spoedig zal ontmoeten. Na enkele dagen komt hij echter te weten dat Mahmoud vermoord is en besluit hij te vluchten. Helaas voor Sam valt hij in de handen van het (corrupte) leger die in hem een spion/terrorist zien en hem verschillende dagen martelen alvorens hem onder diplomatieke druk vrij te laten.

Terug in Zwitserland wordt Sam enerzijds als een held en slachtoffer ontvangen, maar anderzijds ook bekeken als een idioot die zich door een obscure organisatie liet verleiden tot een levensgevaarlijke trip naar een onstabiel land. Het Midden-Oosten laat Sam echter niet los en wanneer zijn architectenbureau in opdracht van de sjeik van Dubai een bibliotheek dient te ontwerpen, besluit hij ondanks waarschuwingen van vrienden opnieuw naar het gebied (Dubai) af te reizen om persoonlijk de bouw te overzien. Hoewel de opdracht ditmaal niet via schimmige tussenpersonen gebeurt, wordt naarmate het verhaal vordert duidelijk dat ook ditmaal Sam zich in een wespennest gewaagd heeft.

De man zonder ziekte vergt tijd om onder de huid te kruipen. Het eerste deel is vintage Grunberg en net daardoor treedt een aha-erlebnis op die niet uitgegomd wordt door het verhaal. Hoewel Grunberg kan putten uit zijn eigen ervaringen in Irak (gelukkig minder extreem) blijven de gebeurtenissen te artificieel aanvoelen. Pas met de terugkeer van Sam en de daaropvolgende opdracht in Dubai weet Grunberg de juiste toon te pakken en krijgt ook het eerste deel een geheel nieuwe lading. De onbehaaglijkheid die Grunbergs sterkste romans hun kracht verleent, komt ditmaal met kousenvoeten aangeslopen waardoor het dubbel zo hard aankomt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in